Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2887

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
LEE 17/109
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering handhaving.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7919
JBO 2017/196 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2017/217 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/109

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2017 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Opende, eiseres

en

het Dagelijks Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest, verweerder

(gemachtigden: J.J. Feunekes en J. Kleefsma).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] , te Opende

(gemachtigde: mr. R. Snel).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om het treffen van handhavingsmaatregelen in verband met zandzuigactiviteiten van belanghebbende afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2017. Voor eiseres is niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde belanghebbende heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat voor haar oordeelsvorming uit van de volgende – door partijen niet betwiste – feiten en omstandigheden.

1.1

Bij mail van 23 maart 2016 heeft eiseres verweerder verzocht om over te gaan tot het treffen van handhavingsmaatregelen in verband met de zandzuigactiviteiten van derde belanghebbende in de recreatieplas Strandheem.

1.2

Bij primair besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen.

1.3

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

1.4

Op 14 september 2016 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar eiser het bezwaar heeft toegelicht ten overstaan van de adviescommissie behandeling bezwaarschriften waterschap Noorderzijlvest (hierna: de commissie). De commissie heeft om nadere gegevens verzocht. In het advies van 10 november 2016 heeft de commissie geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Vervolgens heeft verweerder conform het advies het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.5

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingediend bij de rechtbank.

2.1

Eiseres voert in beroep aan dat verweerder haar verplichtingen inzake handhaving van de waterkwaliteit van de recreatieplas Strandheem niet nakomt door toe te staan dat derde belanghebbende bij terugwinning van het in de recreatieplas opgeslagen zand het retourwater met slib ongecontroleerd in de plas loost. Hierdoor wordt volgens eiseres het bestaande ecologische systeem vernield.

2.2

Verweerder heeft aan het bestreden besluit tot ten grondslag gelegd dat er geen strijd is met (wettelijke)voorschriften. Er is geen ontgrondingenvergunning vereist, omdat geen sprake is van ontgronding maar van verlaging van de waterbodem door tijdelijke opslag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit ook in haar uitspraken van 26 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1057 en ECLI:NL:RVS:2014:2016) overwogen.

Voorts is geen sprake van schending van de zorgplicht bedoeld in artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit. Er zijn geen aanwijzingen dat het brengen en houden van zand in de plas noch het terugwinnen daarvan uit het tijdelijke onderwaterdepot schadelijk is voor de gezondheid of het ecosysteem danwel dat deze activiteiten andere nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Verweerder wijst hiertoe tevens op de genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2014. De vertroebeling die noodzakelijkerwijs met zandwinning gepaard gaat heeft bovendien geen permanent karakter.

Evenmin levert de vertroebeling beperkingen in het gebruik op. Er is geen voorschrift op grond waarvan de recreatieplas Strandheem het hele seizoen een bepaalde mate van doorzicht of helderheid moet hebben. De kwaliteitsklassenindeling in de Zwemwaterrichtlijn van het zwemwater wordt uitsluitend bepaald op basis van de bacteriologische kwaliteitsparameter waarbij doorzicht geen rol speelt. De kwaliteit van het zwemwater is goed. Daarbij is er geen causaal verband tussen de activiteiten in het kader van zandwinning en de ontwikkeling van bacteriologische kenmerken van de plas. Uit het onderzoek Faecale verontreiniging Strandheem uit november 2012 en het Zwemwaterprofiel 2011 blijkt dat andere bronnen, waaronder vogels, zwemmers en afvoerwater hierop van invloed zijn. Evenmin levert de vertroebeling beperkingen in het gebruik op. De voorzieningen in de vorm van slibdepots en een slibkist die moeten voorkomen dat retourwater dat bij de zandwinning vrij komt en terugloopt in het meer functioneren voldoende; de slibdelen hebben lang de tijd om te bezinken en het water vloeit onder zeer lage druk en in kleine hoeveelheden de plas in, zodat van omwoeling geen sprake zal zijn.

2.3

De rechtbank overweegt dat voor handhaving door een bestuursorgaan sprake dient te zijn van overtreding van wettelijke voorschriften. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitvoerig gemotiveerd dat daar geen sprake van is. Eiser heeft in beroep op geen enkele wijze onderbouwd dat en waarom verweerders standpunt onjuist is. Het beroep dient daarom naar het oordeel van de rechtbank ongegrond te worden verklaard.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.