Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2883

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
18-820406-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en het voorhanden hebben van harddrugs, mishandeling, diefstal, bedreiging en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 310
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820406-15

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830337-16 en 18/830199-17

ter berechting gevoegd parketnummer 18/820329-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 juli 2017.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. K. Post.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/820406-15

1.

hij in of omstreeks de periode 1 januari 2015 tot en met 17 november 2015 in

de gemeente Groningen, althans in Nederland, meermalen (telkens), opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt,

- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde (telkens) cocaïne en/of heroïne,

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 17 november 2015 in de gemeente Groningen

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,836 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 4,129 gram, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

in de zaak met parketnummer 18/830337-16

3.

hij op of omstreeks 28 april 2016 te [pleegplaats]

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1]

dreigend de woorden toegevoegd :"Ik schiet je dood. Ik schiet je dood",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of heeft verdachte

(daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de

borst en/of buik, althans op het lichaam van [slachtoffer 1] gericht en/of tegen het

hoofd van [slachtoffer 1] gezet, althans dreigend in de directe nabijheid van [slachtoffer 1]

gehouden;

in de zaak met parketnummer 18/830199-17

4.

hij op of omstreeks 26 januari 2017 te [pleegplaats]

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door

-meermalen, althans eenmaal, de keel van [slachtoffer 2] dicht te knijpen en/of

-meermalen, althans eenmaal, tegen een been van [slachtoffer 2] te schoppen en/of

-met gebalde vuist tegen de kaak van [slachtoffer 2] te slaan en/of

-met een sleutel in de lip van [slachtoffer 2] en/of in het voorhoofd van [slachtoffer 2]

te steken;

5.

hij op of omstreeks 26 januari 2017 te [pleegplaats] met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en/of een

sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 2 februari 2017

te [pleegplaats] een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk

CZ/Mod. 83, en/of munitie van categorie III, te weten 11 centraalvuur

kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, voorhanden heeft gehad;

7.

(820329-16)

hij op of omstreeks 30 mei 2016 te [pleegplaats]

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine en/of ongeveer 1,96 gram, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende heroine, zijnde cocaine en/of heroine

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank heeft ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis de onder de verschillende parketnummers aangebrachte feiten doorlopend genummerd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1, 2 en 7 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 20 november 2015, opgenomen op pagina 152 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2015306711 d.d. 14 januari 2016, inhoudende de verklaring van verdachte;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2015, opgenomen op pagina 130 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 18 november 2015, opgenomen op pagina 136 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 19 november 2015, opgenomen op pagina 142 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 november 2015, opgenomen op p. 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant;

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 november 2015, opgenomen op p. 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant;

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen

d.d. 1 december 2015, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten;

8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2015.12.07.005, d.d. 10 december 2015, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 56 van voornoemd dossier, inhoudende zijn/haar verklaring.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 mei 2016, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016151465 d.d. 11 november 2016, inhoudende de verklaring van verdachte;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2016, opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 30 mei 2016, opgenomen op pagina 2 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal NFIdent d.d. 14 juni 2016, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten;

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.14.028 (aanvraag 001), d.d. 14 juni 2016 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 68 van voornoemd dossier, inhoudende zijn/haar verklaring;

6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.14.028 (aanvraag 002), d.d. 14 juni 2016 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 67 van voornoemd dossier, inhoudende zijn/haar verklaring.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 28 april 2016, opgenomen op pagina 39 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016121548 d.d. 31 augustus 2016, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 28 april 2016 kregen wij, verbalisanten, de melding dat er in de [straat 2] in [pleegplaats] drie personen ruzie hadden. Bij aankomst werden wij aangesproken door [slachtoffer 1] en [getuige 1] . In het kort verklaarden zij dat [slachtoffer 1] was bedreigd met een vuurwapen door een jonge, vermoedelijk Marokkaanse, jongen. Deze jongen zou luisteren naar de bijnaam " [alias] " of iets soortgelijks. [slachtoffer 1] vertelde ons dat hij wel ongeveer wist waar deze jongen woont. Hierop is [slachtoffer 1] bij ons achter in de auto gestapt en heeft ons de weg gewezen naar de straat waar de jongen woont. Hij wees ons de weg naar de [straat 1] te [pleegplaats] . Voor de woning met perceelnummer [nummer] stond een blauwe scooter. [slachtoffer 1] herkende deze scooter als zijnde de scooter waarop de verdachte is vertrokken. Tevens zagen wij een licht getinte jongeman voor het raam van deze woning zitten, [slachtoffer 1] gaf te kennen dat hij hem herkende als de verdachte. [slachtoffer 1] verklaarde ons over het voorval: "Ik zag dat de Marokkaanse jongen direct een vuurwapen trok toen hij tegenover mij stond. Ik zag dat hij het wapen uit zijn broeksband haalde. Ik zag dat hij het wapen op mijn hoofd richtte. Dit heeft hij meerdere malen gedaan, sowieso vier keer."

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 april 2016, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik zag dat ‘ [alias] ’ zijn trainingsjasje omhoog deed en zijn pistool pakte. Uit de broeksband van zijn trainingsbroek. Ik zag dat hij het vuurwapen op de borst richtte van [slachtoffer 1] . Ik hoorde hem zeggen: “Ik schiet je dood. Ik schiet je dood.” Tijdens de bedreiging haalde hij de houder uit het pistool. Ik zag kogels in de houder. Hij deed daarna de houder weer terug en deed de bovenkant naar achteren.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 april 2016, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 2]

Ik zag dat tegenover de buurman een jongen op een scooter zat. Ik zag dat deze jongen een zwartkleurig pistool in zijn hand had en dat hij dat ter hoogte van zijn eigen buik hield en richtte op de buik van de buurman. Ik kan u vertellen dat het een Marokkaans type was. Hij was ook niet heel groot. Ik denk zo tussen de 1.60 a 1.70 meter. De scooter was blauw.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 april 2016, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Ik zag drie personen op straat staan. Het ging om een wat oudere man met zijn vriendin en een wat jongere jongen. Ik zag direct dat de jongen een zwart vuurwapen in zijn rechterhand had. Ik zag dat de jongen dit wapen constant op de man richtte. Op een gegeven moment zag ik dat de jongen het vuurwapen tegen het hoofd van de man zette.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2016, opgenomen op pagina 43 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Ik deelde [getuige 1] en [slachtoffer 1] mede dat ik hen een foto wilde tonen en dat ik graag van hen wilde horen of zij deze persoon herkenden. Ik toonde beide betrokkenen een foto van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .

Ik hoorde dat beiden aangaven de man te kennen als [verdachte] en dat dit de man was die hen bedreigd had op donderdag 28 april 2016 in de [straat 2] met een pistool.

Ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 januari 2017, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2017023973 d.d. 3 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Eind 2016 heb ik een aantal weken gedeald voor [verdachte] . Ik heb toen gezien dat [verdachte] een vuurwapen heeft. Het gaat om een zwart handwapen. Ik heb ook patronen gezien. Het wapen lag in het schuurtje behorende bij de woning van [medeverdachte] in de [woonwijk] . Het huisnummer was [nummer] . Op 26 januari 2017 heeft [verdachte] mij mishandeld en mij bestolen. Op voornoemde dag stapte ik -nadat ik [verdachte] had gezien- in mijn auto en wilde snel wegrijden vanaf [straatnaam] te [pleegplaats] . Op dat moment werd de deur opengetrokken en greep [verdachte] mij gelijk bij mijn keel. Hij kneep mijn keel dicht. Eenmaal uit mijn auto pakte hij mij vervolgens weer bij mijn keel en kneep deze wederom dicht. Ik zag en voelde tevens dat [verdachte] mijn telefoon afpakte en zag dat hij vervolgens naar zijn scooter liep. Ik vroeg aan hem of ik mijn telefoon en mijn sleutels, die hij uit het contact van mijn auto had gehaald, terug mocht hebben. Er ontstond toen een discussie tussen [verdachte] en mij waarop ik meerdere keren door [verdachte] ben geschopt en geslagen. Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] zijn scootersleutel in zijn hand had en mij daarmee twee keer in mijn gezicht prikte. Hierdoor ontstonden er twee wonden in mijn gezicht. Eén vlakbij mijn mond en één op mijn voorhoofd. De wonden begonnen te bloeden. [verdachte] ging er vandoor.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 31 januari 2017, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] :

Bij mijn keel waren blauwe plekken zichtbaar en ik heb onder mijn lip aan de linkerzijde en op mijn voorhoofd aan de linkerzijde wondjes van het steken met de sleutel. Mijn vriendin heeft foto's gemaakt van het letsel.1

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 1 februari 2017, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

Op 26 januari 2017 zag ik een meisje naar haar auto rennen. Ik zag dat zij gevolgd werd door een jongen. Ik zag dat het meisje in de auto ging zitten aan de bestuurderskant en ik zag dat ze de deur direct dichttrok. Ik zag dat de jongen het portier open trok aan de bestuurderszijde en ik zag dat hij met zijn bovenlichaam naar binnen ging. Ik zag dat hij met zijn rechter hand haar vast had bij haar schouder en ik zag dat hij met zijn linker hand stompende bewegingen maakte in haar richting. Ik denk dat hij dit ongeveer twee a drie keer deed. Vervolgens zag ik dat het meisje uit de auto kon vluchten. Ik zag dat de jongen achter haar aanrende en haar te pakken kreeg. Ik zag dat hij haar met zijn rechter gebalde vuist een klap tegen haar rechter wang gaf. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een sleutel vast had. Ik zag dat hij haar tegen een auto aandrukte die daar stond. Ik zag bij het meisje vers bloed bij haar linker mondhoek.

Ik zag dat het meisje haar telefoon uit haar broekzak pakte en dat de jongen deze direct uit haar handen griste. Ik zag dat hij na het pakken van de telefoon direct een aantal meter naar achteren liep. Ik zag toen dat hij zich omdraaide en ging rennen. Tijdens het rennen stopte hij de telefoon in zijn jaszak. Tijdens het wegrennen zei het meisje dat hij ook haar sleutels had. Hij ging op de scooter zitten en reed er direct vandoor.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 31 januari 2017, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

Toen ik bij de auto aan kwam, zag ik [slachtoffer 2] bij de auto staan. Tegenover [slachtoffer 2] stond [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] twee keer met forse kracht trapte tegen het zere been van [slachtoffer 2] . Ik zag dat [verdachte] daarna twee vuistslagen op haar kaak gaf. Ik zag dat [verdachte] de sleutel van zijn scooter in zijn hand had en hiermee [slachtoffer 2] eerst bij haar hoofd sloeg en daarna bij haar slaap. Ik zag dat er bloed van [slachtoffer 2] af kwam nadat [verdachte] had geslagen/gestoken met de sleutel.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2017, opgenomen op pagina 42 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 27 januari 2017 bevonden wij ons in een woning aan de [woonadres] te [pleegplaats] omdat wij informatie hadden dat één van de personen die daar staat ingeschreven: [verdachte] in het bezit zou zijn van een vuurwapen. Wij werden vrijwillig binnengelaten door de bewoner, zijnde [medeverdachte] . In de woning en het bijbehorende schuurtje hebben wij geen wapen aangetroffen. Wij zagen een scooter in de tuin staan. [medeverdachte] vertelde ons dat deze scooter wordt gebruikt door " [schuilnaam] ". Mij, verbalisant, is bekend dat " [schuilnaam] " de bijnaam is voor [verdachte] . Ook vertelde [medeverdachte] dat [verdachte] gisteravond tegen hem had gezegd dat er gisteren iets was voorgevallen met betrekking tot het zusje van zijn vriendin en dat er goederen in de scooter zouden liggen die eigendom zouden zijn van dit meisje. Wij kregen van [medeverdachte] de sleutels van de scooter. In de buddyseat troffen wij een sleutelbos en een iPhone aan. Hierop hebben wij de scooter inclusief de telefoon en sleutelbos in beslag genomen.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2017, opgenomen op pagina 59 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 2 februari 2017 verklaarde [medeverdachte] : “Jullie zijn hier geweest voor een wapen. Jullie hebben een schuur doorzocht, maar er is nog een schuur. [verdachte] gebruikte die wel. Hij heeft een sleutel met daaraan een koperen sleutelhanger.” Hierop liet [medeverdachte] ons een schuur zien. Wij, verbalisanten, liepen daarop mee en daarna zagen wij dat [medeverdachte] aan ons een kluis overhandigde. Hierop hebben wij, verbalisanten de sleutel, die [verdachte] tijdens de aanhouding bij zich droeg, uit de fouillering van [verdachte] gehaald. Hiermee zijn wij vervolgens naar de betreffende schuur gegaan. Het bleek ons, verbalisanten, dat de sleutel uit de fouillering exact paste op de betreffende schuur waar de kluis in gestaan had. Op het bureau aangekomen hebben wij, verbalisanten, de kluis opengemaakt en troffen daarin een wapen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 2 februari 2017, opgenomen op pagina 70 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Goednummer: PL0100-2017023973-833838

Object: Vuurwapen (Pistool)

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek vuurwapen + munitie d.d. 24 april 2017, opgenomen op pagina 73 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wapenomschrijving

Goednummer: [goednummer] .

Object: Vuurwapen (Pistool)

Merk/Type: CZ / Mod.83.

Bijzonderheden: In houder 11 patronen.

Dit voorwerp is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.

Munitie:

Soort: Centraalvuur knalpatronen

Merk: Sellier & Bellot

Kaliber: 7,65 mm

Aantal: 11

De patronen zijn geschikt om een projectiel met het voornoemde vuurwapen te verschieten.

Derhalve zijn deze patronen munitie in de zin van artikel 1 lid 4 in verband met artikel

2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is strafbaar gesteld als bedoeld in artikel 26 lid 1 in verband met artikel 55 lid 1 en 3 onder a van de Wet wapens en munitie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 17 november 2015 in de gemeente Groningen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt,

- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 17 november 2015 in de gemeente Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,836 gram van een materiaal bevattende heroïne en 4,129 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 28 april 2016 te [pleegplaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd "Ik schiet je dood. Ik schiet je dood" en daarbij een vuurwapen, op de borst en/of buik van [slachtoffer 1] gericht en tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gezet;

4.

hij op 26 januari 2017 te [pleegplaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door

-meermalen de keel van [slachtoffer 2] dicht te knijpen en

-meermalen tegen een been van [slachtoffer 2] te schoppen en

-met gebalde vuist tegen de kaak van [slachtoffer 2] te slaan en

-met een sleutel in de lip van [slachtoffer 2] en in het voorhoofd van [slachtoffer 2] te steken;

5.

hij op 26 januari 2017 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een sleutelbos, toebehorende [slachtoffer 2] ;

6.

hij in de periode van 1 november 2016 tot en met 2 februari 2017 te [pleegplaats] een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk CZ/Mod. 83, en munitie van categorie III, te weten 11 centraalvuur kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, voorhanden heeft gehad;

7.

hij op omstreeks 30 mei 2016 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 1,96 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

4. mishandeling

5. diefstal

6. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

7. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de over verdachte opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding met parketnummer 18/820406-15 is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs en het voorhanden hebben daarvan. Harddrugs vormen niet alleen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid, maar het gebruik van harddrugs brengt ook andere vormen van criminaliteit met zich mee. Verdachte is aan deze gevolgen voorbijgegaan en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Het voorhanden hebben van harddrugs en handelingen die tot doel hebben deze stoffen in omloop te brengen dienen dan ook streng te worden bestraft.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een vuurwapen en aan een mishandeling waarbij verdachte het slachtoffer heeft bestolen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers als gevolg van dergelijke feiten zich nog lang angstig en onveilig voelen.

Ten slotte heeft verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich in een relatief korte periode schuldig heeft gemaakt aan een fors aantal ernstige misdrijven. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en neemt ook overigens geen verantwoordelijkheid voor het merendeel van zijn daden.

De door verdachte gepleegde misdrijven zijn naar het oordeel van de rechtbank zo ernstig en voor de direct betrokkenen en de samenleving zo verontrustend dat zij de oplegging van een forse gevangenisstraf zonder meer rechtvaardigen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank de strafeis zoals door de officier van justitie geformuleerd passend en geboden.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal bepalen dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 347,10 aan verdachte wordt teruggegeven, nu het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285, 300, 310 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, en 7 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 347,10.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Smeets, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2017.

1 Deze foto's zijn als bijlagen bij voornoemd proces-verbaal opgenomen.