Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2881

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
18-950065-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake doodslag (shaken baby), de rechtbank legt op, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 286, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950065-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1987 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

thans gedetineerd te PI Overijssel, PIV Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 april 2016, 2 augustus 2016, 11 oktober 2016, 2 februari 2017, 25 april 2017 en 18 juli 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.S. Kroeze, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 5 oktober 2016 te Assen, gemeente Assen, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2015), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, hevig (met kracht) te schudden, althans fors, althans enig geweld op (het hoofd van) die [slachtoffer] uit te oefenen, dat daardoor [slachtoffer]

is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 5 oktober 2016 te Assen, gemeente Assen, aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hoofdtrauma (een of meer bloedingen in de hersenen/hersenschade), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, hevig (met kracht) te schudden, althans fors, althans enig geweld op (het hoofd van) die [slachtoffer] uit te oefenen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 05 oktober 2016 te Assen, gemeente Assen, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) heeft mishandeld door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, hevig (met kracht) te schudden, althans fors, althans enig geweld op

(het hoofd van) die [slachtoffer] uit te oefenen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 5 oktober 2016 te Assen, gemeente Assen, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of ondoordachtzaam, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) meermalen, althans eenmaal, hevig (met kracht) te

schudden, althans fors, althans enig geweld op (het hoofd van) [slachtoffer]

uit te oefenen, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten ernstig hoofdtrauma (een of meer bloedingen in de

hersenen/hersenschade) heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is

overleden;

art 307 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de onderzoeksbevindingen bezien in combinatie met de door verdachte afgelegde verklaringen, de sectiebevindingen van de patholoog, dr. V. Soerdjbalie-Maikoe en het medisch forensisch onderzoek van forensisch arts, dr. H.G.T. Nijs, vast staat dat verdachte verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] , dat zij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden en dat zij die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, nu niet is gebleken dat verdachte het aanmerkelijk risico op het overlijden van [slachtoffer] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, bewust heeft aanvaard.

Dat de mishandeling het overlijden van [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad wordt door de raadsman niet betwist; het meer subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Oordeel van de rechtbank

Uit de hierna onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van de verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat op 5 oktober 2016, [slachtoffer] samen met haar broertje, door haar moeder om 07:30 uur in goede gezondheid is afgeleverd bij de gastouder, [verdachte] .

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] huilde en niet te troosten was, wat verdachte ook probeerde om [slachtoffer] stil te krijgen. Het lukte haar niet om het huilen te stoppen. Rond 08:20 uur is verdachte met [slachtoffer] naar boven gelopen om haar naar bed te brengen. Op de slaapkamer ging het huilen over in hard gekrijs, waarna verdachte, eerst een rukkende beweging met [slachtoffer] heeft gemaakt, waarna zij [slachtoffer] meerdere malen heeft geschud. Verdachte verklaart: " ik zag haar heen en weer schudden en het hoofd op en neer bewegen. Dat was van voor naar achteren. Dit heeft wel 3,4 of 5 seconden geduurd.

Ik had [slachtoffer] daarbij vast onder haar oksels, haar armpjes hingen los.

Hierdoor zwaaiden haar armpjes heen en weer door het snelle rukken".

Verdachte verklaart voorts dat [slachtoffer] na het schudden veel rustiger werd; toen verdachte [slachtoffer] in bed legde hing [slachtoffer] in een slappe houding in haar armen en kwam er alleen nog maar een zeurderig geluid uit. Het was een geluid van geen kracht meer hebben, zo verklaart verdachte. Verdachte is vervolgens naar beneden gegaan.

Verdachte verklaart dat ze zich bewust was [slachtoffer] (te) hard te hebben geschud. Uit schuldbewustzijn en omdat ze [slachtoffer] niet meer hoorde, is verdachte na tien minuten weer naar boven gelopen om bij [slachtoffer] te gaan kijken. Verdachte verklaart [slachtoffer] te hebben zien liggen op een manier die niet klopte. Ze voelde een slap handje en wist dat het niet goed was. Verdachte verklaart dat ze [slachtoffer] aanraakte maar dat ze geen reactie kreeg. Ze tilde [slachtoffer] op maar [slachtoffer] bewoog niet. Daarop heeft verdachte 112 gebeld en gemeld dat [slachtoffer] niet meer ademende.

[slachtoffer] wordt op 5 oktober 2016 overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum te Groningen, waar de medische behandeling op 7 oktober 2016 is gestaakt vanwege uitgebreide hersenbeschadiging met slechte prognose. [slachtoffer] overlijdt kort daarna.

Doodsoorzaak
Uit het hierna onder de bewijsmiddelen opgenomen rapport van het pathologisch onderzoek d.d. 20 juni 2017, verricht door de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog blijkt dat bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , 1 jaar oud, het overlijden wordt verklaard door de gevolgen van toegebracht ernstig hoofdtrauma, bij leven opgelopen door uitwendig mechanisch geweld op het hoofd, zoals door hevig schudden, stomp (botsend) geweld of een combinatie daarvan kan ontstaan.
Dit trauma op het hoofd heeft uiteindelijk geleid tot hersenschade. Vanwege de slechte prognose is de behandeling gestaakt met de dood tot gevolg.

Er is bij aanvullende onderzoeken en tijdens de klinische opname, geen andere oorzaak voor het ontstaan van bovengenoemd letsel gebleken.

Op het politiebureau heeft een reconstructie plaatsgevonden met twee poppen van hetgeen op 5 oktober 2016 zou zijn gebeurd. Daarbij heeft verdachte voorgedaan hoe zij [slachtoffer] heeft geschud. Eén en ander is audiovisueel vastgelegd en maakt middels een DVD deel uit van het dossier. Deze beelden zijn ter beoordeling gezonden naar het NFI. De forensisch arts KNMG-patholoog, dr. H.G.T. Nijs, geeft in zijn deskundigenrapport van 5 juli 2017 aan, dat de tijdens de reconstructie door verdachte voorgedane handelingen zeer wel kunnen resulteren in de door de patholoog geconstateerde letsels aan hersenen en hersenvliezen gezien de aard, grootte en snelle wisselingen van krachten. Verdachte heeft ten tijde van dit verhoor verklaard dat het kind destijds direct na het schudden slap werd en dat de ogen dicht waren, aldus dr. Nijs.

Dr. Nijs concludeert verder dat een laatste veroorzakend substantieel trauma aan het hoofd moet zijn voorgevallen ergens in de periode na het laatste moment van normaal functioneren, en kort voor het reanimatiebehoeftig worden.

Afgaande op de verklaringen van de ouders en de oppasmoeder werd het kind normaal functionerend overgedragen aan de oppasmoeder in de ochtend van 5 oktober 2016; in de nachten en dagen daarvoor functioneerde het kind normaal.

Het kind huilde wat bij het afscheid nemen van moeder.

Daarna kreeg de oppasmoeder het kind niet stil. Als hiervan uitgegaan kan worden, dan zou het laatste substantiële trauma na aankomst bij de oppasmoeder moeten zijn voorgevallen.

Het door de oppasmoeder tijdens de reconstructie voorgedane krachtig schudden bij

twee poppen, en het gemelde klinische beloop bij het kind nadien (direct intreden

van ernstige klinische verschijnselen), passen bij een substantieel recent trauma

aan het hoofd.

De rechtbank is op grond van de door verdachte afgelegde verklaringen, in samenhang bezien met de bevindingen van de deskundigen, van oordeel dat [slachtoffer] is overleden aan (de gevolgen van) ernstig hoofdletsel dat is veroorzaakt doordat verdachte [slachtoffer] in de morgen van 5 oktober 2016 in haar woning meermalen heftig heeft geschud. Andere oorzaken zijn door de deskundigen uitgesloten. Ook is op grond van de bevindingen van dr. Nijs uitgesloten dat het geconstateerde hersenletsel dat in een eerder stadium is ontstaan de dood van [slachtoffer] kan hebben veroorzaakt. (Voorwaardelijk) opzet De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde doodslag dient te worden vastgesteld dat verdachtes opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van [slachtoffer] gericht was. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in casu de dood van [slachtoffer], is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Algemene ervaringsregels leren, naar het oordeel van de rechtbank, dat de kans dat een baby door heftig schudden komt te overlijden, aanmerkelijk is te achten. De rechtbank is van oordeel dat tegen de achtergrond van de opleiding en scholing van verdachte, zij zich er eens temeer bewust van moet zijn geweest dat bij het heftig schudden van een baby de kans aanmerkelijk is dat de baby daardoor komt te overlijden. Verdachte had daarnaast in het kader van een EHBO-opleiding een folder ontvangen over het shaken-baby syndroom en tijdens de opleiding is hier ook aandacht aan besteed. Bovendien mocht van haar als gastouder meer worden verwacht als het gaat om de zorg voor en verantwoordelijk handelen ten aanzien van de aan haar toevertrouwde kinderen. Ondanks de door haar genoten opleiding, de bij haar aanwezige kennis over shaken-baby syndroom en de extra zorg die van haar als gastouder mag worden verwacht, heeft verdachte [slachtoffer] op 5 oktober 2016 in haar woning bewust en met kracht heen en weer geschud. Daarmee heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door haar handelen zou komen te overlijden en dat het niet anders kan dan dat zij die aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.

Het verweer van de raadsman wordt op grond van het vorenstaande verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft met betrekking tot het bewijs de volgende bewijsmiddelen gehanteerd:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 juli 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 18 oktober 2016, opgenomen op pagina 1242 e.v. van het dossier met nummer [nummer/ dossier] d.d. 7 maart 2017, inhoudende de verklaring van verdachte;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2016, opgenomen op pagina 1251 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord

Nederland d.d. 1 november 2016, opgenomen op pagina 1261 e.v. van voornoemd dossier

inhoudende de verklaring van verdachte:

5. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.10.07.049, d.d. 20 juni 2017 opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog en als los document gevoegd bij voornoemde dossier;

6. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.10.07.049, d.d. 5 juli 2017 opgemaakt door dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts KNMG-patholoog en als los document gevoegd bij voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 5 oktober 2016 te Assen, gemeente Assen, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] , meermalen, hevig en met kracht te schudden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primairdoodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman acht de door de officier geëiste straf te fors, gelet op de omstandigheid dat verdachte moet leven met de wetenschap dat [slachtoffer] er niet meer is door de ernstige gevolgen van haar handelen. Ook drukt op verdachte dat zij indirect haar man en kinderen straft met de gevolgen van haar handelen. De raadsman verzoekt de rechtbank deze omstandigheden als verzachtend mee te laten wegen bij de strafoplegging.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Zoals in de overwegingen reeds is uiteengezet, heeft verdachte zich jegens de destijds (net) 1 jaar oude [slachtoffer] schuldig gemaakt aan het heftig schudden van [slachtoffer] ten gevolge waarvan het meisje ernstig hersenletsel heeft opgelopen waaraan zij is overleden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van een jong kind dat aan haar zorg was toevertrouwd.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij het vertrouwen dat de ouders van [slachtoffer] in haar hebben gesteld in ernstige mate heeft beschaamd. Verdachte is in de zorgplicht die zij had voor [slachtoffer] ernstig tekortgeschoten met het onherstelbare gevolg dat [slachtoffer] is overleden.


Voor de ouders en het broertje van [slachtoffer] (en andere betrokkenen) betekent het verlies van [slachtoffer] een nauwelijks te bevatten leed.

De ouders van [slachtoffer] hebben als spreekgerechtigden diverse facetten daarvan ter terechtzitting van de rechtbank op 18 juli 2017 op indringende en indrukwekkende wijze belicht.
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het over verdachte opgemaakte psychologisch onderzoeksrapport d.d. 27 januari 2017 opgemaakt door dr. D.J. Burck, gz-psycholoog en op het reclasseringsadvies d.d. 30 januari 2017.

Uit de rapportages komt naar voren dat er geen sprake is van een stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van verdachte. Het risico op herhaling wordt ingeschat als laag. Verdachte heeft veel beschermende factoren tot haar beschikking. Ter zitting heeft verdachte aangegeven inzicht te willen krijgen in haar eigen gedrag en onder andere daarvoor reeds hulpverlening heeft ingeschakeld.

De rechtbank houdt er ook rekening mee dat verdachte het nooit gewild heeft dat [slachtoffer] zou komen te overlijden en dat ook zij iedere dag moet leven met de ernstige gevolgen van haar handelen.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Alles afwegende ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op zijn plaats.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] (mede namens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en bijgestaan door mr. M.A. Pasma), heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 9.063,81 ter vergoeding van materiële schade en € 60.000,00 aan shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade, zoals gevorderd, kan worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie aangevoerd dat ook dit deel van de vordering kan worden toegewezen, nu er in onderhavige zaak sprake is van shockschade als bedoeld in artikel: 106 lid 1 aanhef en onder A van het Burgerlijk Wetboek. De vordering is alleszins billijk en redelijk en is voldoende onderbouwd. De officier van justitie vordert voorts de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat de gevorderde materiële schade niet door zijn cliënt wordt betwist. Ten aanzien van de shockschade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze wat betreft de hoogte van de vordering niet toereikend is onderbouwd.

De raadsman verzoekt dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de raadsman de vordering op dit onderdeel sterk te matigen of slechts een deel bij wijze van voorschot toe te wijzen.

Tot slot verzoekt de raadsman de rechtbank om, bij het eventueel opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, de vervangende hechtenis te bepalen op nihil, althans op ten hoogste 30 dagen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte door verdachte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 oktober 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Het aantal dagen vervangende hechtenis wordt door de rechtbank op 30 dagen bepaald.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank volstrekt helder is dat de nabestaanden psychische schade hebben geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De vordering is daarmee thans onvoldoende onderbouwd. Dat de benadeelde partij bij de hoogte van de vordering aansluiting heeft gezocht bij een bij de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel “affectieschade”, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gelden als onderbouwing voor de geleden shockschade. De rechtbank ziet derhalve geen ruimte om thans de hoogte van een vergoeding vast te stellen.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De vordering zal, voor zover die ziet op de shockschade, daarom niet-ontvankelijk verklaard worden en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f en 286 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst dat deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dat ziet op de materiële schade, toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 9.063,81 (zegge: negenduizend drieënzestig euro en éénentachtig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2016.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 9.063,81 (zegge: negenduizend drieënzestig euro en éénentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het deel van de vordering dat ziet op de shockschade (van in totaal € 60.000,00) in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. C M.M. Oostdam en

mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2017.