Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2866

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5184
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing. Eiser had tot 28 oktober 2015 drie extra containers tot zijn beschikking. Aangezien tussen eiser en verweerder geen overeenkomst van bruikleen was gesloten voor de drie extra containers, is eiser ten aanzien van de drie extra containers ten onrechte in de afvalstoffenheffing betrokken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-08-2017
FutD 2017-2185
V-N Vandaag 2017/2015
V-N 2017/48.20.11
Belastingblad 2017/416
mr. drs. C.M. Dijkstra annotatie in NTFR 2017/2409

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/5184

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 30 oktober 2015 voor het jaar 2015 een (gecombineerde) aanslag afvalstoffenheffing opgelegd van in totaal € 778,50.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aanslag verminderd tot € 648,75.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser is sinds juli 2009 eigenaar en gebruiker van de woning en het perceel ( [perceel] ) aan de [a-straat #] te [woonplaats] . Tot 2008 was het perceel, vanwege verschillende gebruikers, gesplitst in een tweetal WOZ-objecten ( [a-straat #] en [a-straat ###] ). Op grond hiervan zijn in het verleden door de gemeente Westerveld in totaal vier (twee keer twee) containers geplaatst (twee voor GFT en twee voor restafval). De vier containers zijn op het perceel blijven staan, ook toen eiser het perceel na aankoop als één geheel gebruikte. Eiser heeft de extra containers wel gebruikt, onder meer voor de bed-and-breakfast die hij drijft.

1.2

Begin 2015 zijn, in verband met het verder scheiden van afval, door de gemeente Westerveld een tweetal (extra) grijze containers met oranje deksel (DHM) geplaatst, omdat volgens de administratie van het Regionaal Orgaan Verwijdering Afvalstoffenheffing, (ROVA, de vuilnisophaaldienst van de gemeente) werd verondersteld dat - nog steeds - sprake was van een tweetal WOZ-objecten. Op verzoek van eiser zijn op 28 oktober 2015 de drie containers behorende bij [a-straat ###] opgehaald.

1.3

De onderhavige aanslag afvalstoffenheffing 2015 ziet op de drie extra containers die in 2015 op het perceel van eiser hebben gestaan. Te weten:

- een extra container groen € 259,50 (groente-, fruit en tuinafval, GFT)

- een extra container grijs met oranje deksel € 259,50 (droog hergebruik materialen, DHM)

- een extra container grijs € 259,50 (restafval)

Totaal bedrag van de aanslag: € 778,50

Voor de resterende periode van 2015 (november en december) heeft verweerder een vermindering toegepast van € 129,75.

1.4

In de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2015 van de gemeente Westerveld, die op 16 december 2014 door de raad van de gemeente Westerveld is vastgesteld (hierna: de Verordening) en die berust op artikel 216, 219 en 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet, is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit

1 Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (Stb. 1994, 80).

2 De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Belastingplicht

1 De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

a degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel;

b ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruike is afgestaan:

degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.”

1.5

In de tarieventabel behorende bij de Verordening staat onder meer het volgende:

“Hoofdstuk 1.1 Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing

1.1

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:

1.1.1

indien dat perceel wordt gebruikt door één persoon € 159,50

1.1.2

indien dat perceel wordt gebruikt door twee personen € 209,50

1.1.3

indien dat perceel wordt gebruikt door drie personen € 234,50

1.1.4

indien dat perceel wordt gebruikt door meer dan drie personen € 259,50

1.1.5

voor een perceel dat niet permanent mag worden bewoond en

wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden € 159,50

1.1.6

De belasting als bedoeld in de onderdelen 1.1.1 t/m 1.1.5 wordt

vermeerderd voor het op 1 januari van het belastingjaar of, in-

dien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belasting-

plicht, in bruikleen hebben van een extra (= boven hetgeen

volgens de gemeentelijke afvalstoffenverordening aan het perceel

is verstrekt) container, per container € 259,50”

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is in geschil of voor het jaar 2015 ter zake van het gebruik van de drie extra containers aan eiser terecht een aanslag in de afvalstoffenheffing is opgelegd. In het bijzonder spitst zich het geschil toe op de vraag of eiser in de onderhavige situatie überhaupt wel voor de extra containers kon worden aangeslagen.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft de onderhavige aanslag opgelegd op grond van onderdeel 1.1.6 van hoofdstuk 1.1 van de bij de Verordening behorende tarieventabel, waarin staat dat voor het in bruikleen hebben van een extra container een bedrag van € 259,50 moet worden betaald. Ter zitting is vastgesteld dat er tussen eiser en verweerder voor de drie extra containers geen overeenkomst van bruikleen is gesloten. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in dit geval het afgeven van een container kan worden beschouwd als bruikleen. Verder is verweerder van opvatting dat de extra containers verbonden zijn aan het perceel (object) en niet aan de gebruiker (subject) daarvan. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 4 december 2001 (ECLI:NL:GHARN:2001:AD8014) verwerpt het Hof de stelling dat het containerpakket verbonden is aan het perceel en niet aan de gebruiker. Het Hof komt tot de conclusie dat nu er geen overeenkomst van bruiklening is gesloten voor een bepaalde container de belanghebbende ter zake van deze container ten onrechte in de afvalstoffenheffing is betrokken.

4. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat nu tussen eiser en verweerder voor de drie extra containers geen overeenkomst van bruiklening is gesloten, verweerder eiser hiervoor ten onrechte in de afvalstoffenheffing heeft betrokken.

5. De rechtbank wijst verweerder erop dat ingeval de rechtbank de stelling van eiser dat het pand na 2008 niet meer dubbel bewoond is geweest en de gemeente door de verhuizing van de vorige bewoners had kunnen weten dat de extra containers niet meer gebruikt werden, zou (moeten) opvatten als een beroep op het ontbreken van een nieuw feit, het beroep eveneens zou kunnen slagen. Naar de rechtbank uit de onderhavige aanslag begrijpt is immers sprake van een navorderingsaanslag die alleen ziet op de vermeerdering van de belasting ingevolge onderdeel 1.1.6 van hoofdstuk 1.1 van de bij de Verordening behorende tarieventabel. Naar de rechtbank begrijpt is de aanslag op grond van de voorgaande onderdelen al eerder in het jaar opgelegd en is in dit geval dus sprake van een navorderingsaanslag. Op grond van artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet juncto artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de heffingsambtenaar, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Echter, een feit, dat de heffingsambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Of hier in dit geval al dan niet sprake van is laat de rechtbank verder onbesproken, daar de aanslag al niet in stand kan blijven omdat de overeenkomst van bruikleen ontbreekt.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank vernietigt de gecombineerde aanslag afvalstoffenheffing 2015.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de gecombineerde aanslag afvalstoffenheffing 2015;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van R.H. Wolfslag, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.