Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2805

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
5914734 VZ VERZ 17-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschappen ouders. Verjaring geldlening in familieverband. Wel af te leggen rekening en verantwoording.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3904
ERF-Updates.nl 2017-0165
JERF Actueel 2017/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/142245 / HA ZA 15-181

Vonnis van 19 juli 2017

in de zaak van

1 [eiseres 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. W.R. Kamminga te Oosterwolde,

tegen

[gedaagde ]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. S.A. Roodhof te Grou.

Partijen zullen hierna (gezamenlijk, enkelvoudig) [eisers] en [gedaagde ] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 4 november 2015;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek, tevens akte wijziging/aanvulling van gronden;

  • -

    de akte zijdens [eisers] ;

  • -

    de antwoordakte tevens bezwaar tegen wijziging gronden zijdens [gedaagde ] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de kinderen en erfgenamen van de heer [naam vader] , overleden op

18 december 2005 (hierna ook te noemen: de vader of erflater) en mevrouw

[naam moeder] , overleden op 25 maart 2012 (hierna ook te noemen: de moeder of erflaatster).

2.2.

Bij testament van 3 mei 1990 heeft de vader - kort gezegd en voor zover hier van belang - aan de moeder gelegateerd het levenslang recht van vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap.

2.3.

Bij testament van 3 mei 1990 heeft de moeder - kort gezegd en voor zover hier van belang - haar vier kinderen benoemd tot haar enige erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen. Partijen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.4.

[eisers] heeft [gedaagde ] een volmacht gegeven, inhoudende de bevoegdheid om - kort gezegd - [eisers] te vertegenwoordigen bij het beheer van de nalatenschap van de moeder.

[gedaagde ] heeft, na te zijn gevolmachtigd, onder meer - voor zover hier van belang - op 23 oktober 2012 een bedrag van € 100.000,00 overgeboekt van de ervenrekening naar een op zijn naam gestelde rekening en op 15 september 2013 een bedrag van € 50.000,00, in beide gevallen met de vermelding "lening erven".

2.5.

Blijkens een akte van geldlening (productie VIII bij dagvaarding) is door de vader aan [gedaagde ] een bedrag van ƒ 900.000,00 (€ 408.216,95) geleend, onder meer - voor zover hier van belang - met de bepaling:

"(…) 2. De hoofdsom of het restant daarvan mag (inclusief lopende rente) te allen tijde worden opgeëist of afgelost, mits met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden. (…)"

Op 25 maart 2012 bedroeg deze lening pro resto € 325.835,00.

3 De vordering

3.1.

[eisers] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (voor de leesbaarheid door de rechtbank genummerd met Romeinse cijfers):

Primair:

I gedaagde te veroordelen binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beheer, alles op verbeurte van een dwangsom van Euro 500 voor elke dag dat gedaagde na betekening van het in deze te wijzen vonnis niet binnen veertien dagen aan zijn verplichtingen rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beheer voldoet, met een maximum van

Euro 100.000;

II de verdeling van de nalatenschap van erflaatster in die zin vast te stellen door:

de banktegoeden bij de ING en ABN AMRO bank aan eisers toe te delen, zodanig dat ieder een derde van die banktegoeden toekomt;

III de vordering uit hoofde van de geldlening d.d. 27 juli 1987, voor zover niet verrekend, vermeerderd met de overeengekomen rente vanaf 30 oktober 2011 toe te delen aan eisers;

IV voor recht te verklaren dat de opname ad Euro 150.000 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opname zoveel mogelijk dient te worden toegerekend op het aandeel van gedaagde in de nalatenschap;

V gedaagde te veroordelen, voor zover voormelde toedelingen onvoldoende zijn opdat eisers een vierde van de nalatenschap toekomt, tot betaling aan eisers van het verschil tussen voormelde toedelingen en hetgeen hen in totaal toekomt uit hoofde van de verdeling van de nalatenschap, vermeerderd met wettelijke rente, vanaf de dag van onrechtmatige opnames van gedaagde, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;

VI gedaagde te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, door eisers begroot op

Euro 3500;

Subsidiair:

VII de verdeling van de nalatenschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen;

VIII gedaagde te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, door eisers begroot op

Euro 3500;

IX zowel primair als subsidiair met veroordeling van gedaagde in (kort gezegd) de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Het door [gedaagde ] gevoerde verweer strekt ertoe dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen dan wel ontzegd, met verklaring voor recht dat de vordering van de vader dan wel van de gezamenlijke erven van de vader en de moeder (vanwege de lening uit 1987 en de daarmee samenhangende renteverplichtingen) is verjaard, alsmede om te bepalen dat hij gehouden is tot afwikkeling van de nalatenschap van de ouders van partijen over te gaan conform het door hem ter zake gedane verdelingsvoorstel, zoals verwoord in de alinea's 32 tot en met 37 van zijn conclusie van dupliek, tevens akte wijziging/aanvulling gronden. Meer subsidiair (voorwaardelijk) verzoekt hij te bepalen dat hem een betalingsregeling zal worden toegestaan van een duur van maximaal 10 jaren. Hij verzoekt tot slot [eisers] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Met betrekking tot het primair onder I gevorderde

4.1.

[eisers] verlangt onder meer - kort gezegd - dat [gedaagde ] rekening en verantwoording zal afleggen over het door hem als gevolmachtigde gevoerde beheer. Als grond hiervoor voert [eisers] aan dat [gedaagde ] verzuimd heeft inzicht te verschaffen in het verloop van het vermogen van erflaatster na haar overlijden en over zijn beheer als gevolmachtigde. Weliswaar is het hele bezit per 25 maart 2012 beschreven, maar geen inzicht is verschaft in de door de boedel ontvangen opbrengsten ter zake van rente en dividenden en uit de verkoop van aandelen. Evenmin is inzicht verschaft in de ten laste van de boedel gebrachte kosten.

Daarbij speelt dat [gedaagde ] zonder daartoe als beheerder bevoegd te zijn geweest gelden tot een totaalbedrag van € 150.000,00 heeft overgeboekt naar een privé rekening.

4.1.1.

[gedaagde ] is van mening dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd waarom [eisers] belang heeft bij de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording. [eisers] kent immers de waarde van de effectenportefeuille per

25 maart 2012 ad € 178.046,00 en heeft aangegeven dat van die waarde kan worden uitgegaan. [gedaagde ] heeft na genoemde datum de effecten te gelde gemaakt en vermag, nu overeenstemming bestaat over de waarde, niet in te zien welk belang [eisers] nog heeft bij een afschrift van het effectendepot. Het saldo van alle bankrekeningen tezamen bedroeg volgens [gedaagde ] € 62.298,00. Hij verwijst hierbij naar het overzicht van 7 augustus 2013 van Accon AVM Belastingadvies B.V. (productie VI bij dagvaarding), gemaakt met het oog op de aangifte erfbelasting betreffende de nalatenschap van erflaatster. Hieruit blijkt voldoende, aldus [gedaagde ] , wat er op de bankrekeningen stond op het moment van overlijden (en wat de waarde van de effecten was). Op genoemd saldo dient ter zake van kosten een bedrag van € 23.686,96 (ofwel € 16.828,00 aan successierechten, € 6.377,00 aan overlijdenskosten en € 481,96 aan notariskosten) in mindering te worden gebracht en van het resterende bedrag van € 38.611,00 is inmiddels al een bedrag van € 37.813,32 aan partijen uitgekeerd - in die zin dat elk van hen 1/4de deel daarvan, ofwel € 9.453,33, heeft ontvangen - , terwijl de rest van het saldo, van afgerond € 800,00, volgens hem moeten worden aangemerkt als kosten van beheer. Het ontgaat [gedaagde ] waarom [eisers] nog belang zou hebben bij de meest recente banksaldi.

[gedaagde ] betwist dat hij niet bevoegd zou zijn geweest om voormeld bedrag van

€ 150.000,00 op een privé rekening te zetten en wijst erop dat dit geld steeds beschikbaar is gebleven.

4.1.2.

[gedaagde ] heeft erop gewezen dat hij steeds, ook nog tijdens deze procedure, als gevolmachtigde het beheer over de nalatenschap van de moeder heeft gehad, waarop [eisers] bij akte van 6 juli 2016 de verleende volmacht heeft ingetrokken.

4.2.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde ] als deelgenoot die voor de overige deelgenoten het beheer heeft gevoerd op grond van artikel 3:173 BW gehouden is jaarlijks en in ieder geval bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording te doen wanneer een deelgenoot dat vordert, zoals thans gedaan door [eisers] Een dergelijke vordering behoeft geen bijzondere onderbouwing, zodat [gedaagde ] ten onrechte klaagt over het ontbreken daarvan. De rechtbank deelt verder niet de mening van [gedaagde ] dat hij niet meer inzicht zou hoeven te verschaffen dan hij tot nu toe heeft gedaan. Zo mag bijvoorbeeld duidelijk zijn dat in het kader van de verdeling niet de waarde van de effecten ten tijde van het overlijden relevant is, maar de waarde ten tijde van de verdeling, althans de waarde ten tijde van de tegeldemaking. Evenzo is uiteraard relevant of er na het overlijden nog dividenden zijn genoten. Niettemin heeft [gedaagde ] hierover, ondanks verzoeken van [eisers] , geen inzicht verschaft aan de hand van bewijsstukken. Ook heeft hij verzuimd, ondanks verzoek daartoe en anders dan op zijn weg lag, om bewijsstukken/bankafschriften over te leggen, waaruit volledig het verloop van de bankrekeningen over de periode vanaf het overlijden tot heden blijkt (het gaat hier blijkens de door [eisers] als productie XIII overgelegde aangifte erfbelasting om drie rekeningen bij de Frieslandbank, twee rekeningen bij de ABN AMRO bank, een betaalrekening bij de ING en een spaarrekening bij de ING).

4.2.1.

Het door [eisers] onder I gevorderde zal dan ook worden toegewezen, zij het in enigszins aangepaste bewoording, zoals in het dictum nader omschreven en zij het voorts met matiging van de dwangsom en van het ter zake van dwangsommen maximaal te verbeuren bedrag, eveneens zoals in het dictum nader omschreven.

Met betrekking tot het primair onder II tot en met V gevorderde

4.3.

Zonder een behoorlijke rekening en verantwoording, onderbouwd met bewijsstukken/bankafschriften, is in ieder geval niet duidelijk welke waarde moet worden gehanteerd op het moment dat de verdeling plaatsvindt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat met name in verband met het ontbreken van een rekening en verantwoording verschil van mening bestaat over de saldi van de bankrekeningen en de waarde van de effecten. Verder is zonder een rekening en verantwoording als bedoeld niet goed in te schatten hoe de door [gedaagde ] gedane overschrijvingen van in totaal € 150.000,00 naar een privé rekening moeten worden gewaardeerd. Wat betreft dit laatste vindt de rechtbank overigens geen aanleiding om er op voorhand vanuit te gaan dat [gedaagde ] voormeld bedrag niet steeds beschikbaar heeft gehouden, zoals hij stelt, ook al heeft hij genoemde overschrijvingen gedaan, ongeacht de vraag of hij daartoe als gevolmachtigde gerechtigd was.

4.3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt vaststelling van de verdeling, zoals gevorderd onder II tot en met V, zich niet met de thans uit te spreken veroordeling van [gedaagde ] om rekening en verantwoording af te leggen (conform het onder I gevorderde), nu juist mede uit die nog op te maken rekening en verantwoording - in het bijzonder ook uit de door [gedaagde ] daarbij over te leggen bewijsstukken/bankafschriften - de te verdelen waarde nog moet blijken. De vorderingen II tot en met V zullen dan ook worden afgewezen.

Met betrekking tot het subsidiair onder VII gevorderde

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank mag worden aangenomen dat de door [gedaagde ] aan te leveren gegevens niet moeilijk te doorgronden zullen zijn en op zich geen rechterlijk oordeel vergen. Het gaat hier immers slechts om overzichten/rekeningafschriften, waaruit eenvoudig moet kunnen worden opgemaakt of er na het overlijden van erflaatster nog inkomsten of uitgaven zijn geweest en of er een waardevermeerdering van de effecten is geweest, waarbij wat de uitgaven betreft geldt dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten voor zover zij niet de kosten en/of schulden betreffen die op grond van dit vonnis in aanmerking moeten worden genomen (zie hierna r.o. 4.10.7).

4.4.1.

Gelet hierop ziet de rechtbank dan ook weliswaar geen ruimte om de verdeling vast te stellen, maar wel om de wijze van verdeling te bepalen, mede rekening houdend met de thans nog onbekende, maar op korte termijn door [gedaagde ] aan te reiken gegevens, zulks naar redelijkheid en billijkheid. Daarbij leest de rechtbank het onder VII gevorderde als een mede daartoe strekkende vordering en wel meer specifiek: als een vordering om de wijze van de verdeling te bepalen van de onverdeeldheid waarin partijen zich bevinden, bestaande uit de nog onverdeelde nalatenschappen van zowel erflaatster als erflater (hierna ook aan te duiden als: de nalatenschappen of de onverdeeldheid).

De lening van 27 juli 1987 ten bedrage van, pro resto, € 325.835,00: verjaring?

4.5.

[eisers] stelt onder meer dat tot de nalatenschap van de moeder een vordering op [gedaagde ] behoort ter zake van de restant lening ad € 325.835,00.

[gedaagde ] betwist dit en stelt dat de vordering is verjaard.

4.6.

Het standpunt van [eisers] houdt in - kort gezegd - dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering betreffende de lening niet direct bij aanvang dan wel drie maanden na aanvang van de lening is gaan lopen ook al had deze reeds toen kunnen worden opgezegd, dit vanwege de bijzondere aard van de lening. Het gaat namelijk om een lening met een slapend bestaan die in familieverband voor onbepaalde tijd is verstrekt voor de overname van een onderneming. Gelet op de aard van de overeenkomst en de eisen van de redelijkheid en de billijkheid kon, aldus [eisers] , het geleende geld niet terstond worden opgeëist.

4.6.1.

Indien niettemin wordt aangenomen dat de verjaringstermijn wel al in 1987 is gaan lopen dan is, aldus [eisers] , de vordering in 2005 tijdig - namelijk binnen 20 jaar - gestuit door erkenning van de schuld door [gedaagde ] in 2005. Door deze stuiting is op 1 januari 2006 (dan wel al in 2005) een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Volgens [eisers] is er nadien jaarlijks overleg geweest over de betaling van de schuld, waarbij is overeengekomen dat erflaatster schenkingen in mindering zou brengen op de schuld, zoals in 2007, 2009, 2010 en 2011 ook feitelijk is geschied. Door dit jaarlijkse overleg en zijn instemming om de schenkingen in mindering te brengen op de vordering uit hoofde van de schuld, heeft [gedaagde ] , zo stelt [eisers] , de verjaring telkens weer gestuit. Verder wordt ook in de aangifte inkomstenbelasting 2011 en 2012 van erflaatster die

[gedaagde ] heeft gedaan namens de boedel en de aangifte erfbelasting die

hij heeft gedaan namens alle erven, door hem erkend dat er een schuld is van hem aan erflaatster/de boedel.

4.7.

[gedaagde ] betwist dat het opeisen van de lening in het verleden niet mogelijk zou zijn geweest vanwege de bijzondere aard van de lening en wijst erop dat reeds uit het feit dat de oorspronkelijke lening in hoofdsom is afgenomen moet worden afgeleid dat opeising juist wel mogelijk was. Reeds in 1987 is door erflater een bedrag geschonken aan [gedaagde ] van ƒ 33.000,00 (€ 14.974,00) en door een door [gedaagde ] uitgebracht beroep op verrekening is toen daarmee een deel van de oorspronkelijke hoofdsom voldaan. [gedaagde ] meent dat hierdoor de korte verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen en dat in verband daarmee de verjaring al in 1992 is voltooid. Mocht dit niet het geval zijn dan is volgens hem verjaring in ieder geval na verloop van 20 jaar ingetreden, ofwel in 2007.

4.7.1.

[gedaagde ] betwist voorts dat de schenkingen die erflaatster aan hem heeft gedaan, in die zin dat zij deze heeft verrekend met de lening, op enig moment een erkenning zijnerzijds hebben opgeleverd die de verjaring van de op die lening gebaseerde rechtsvordering heeft gestuit. Het verrekenen door erflaatster van schenkingen aan [gedaagde ] met de openstaande lening houdt immers geen wilsuiting of verklaring in van [gedaagde ] . Een zodanige erkenning schuilt, aldus [gedaagde ] , ook niet in de aangiften inkomstenbelasting waarnaar [eisers] verwijst.

[gedaagde ] wijst er in dit verband op dat voor een erkenning is vereist dat de handeling de schuldeiser heeft bereikt en dat deze rechtstreeks plaatsvindt jegens degene tegen wie de verjaring loopt. Hij verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2001 (HR 12 januari 2001, JOL 2001/15), welk arrest ook reeds wordt genoemd in een vonnis van deze rechtbank van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:2689), gewezen in een op meerdere punten vergelijkbare zaak, naar welk vonnis [gedaagde ] eveneens verwijst.

4.8.

De rechtbank overweegt dat uit de onderliggende akte van geldlening (productie VIII van [eisers] ) blijkt dat de lening is afgesloten voor onbepaalde tijd en dat daarbij is overeengekomen dat de hoofdsom of het restant daarvan (inclusief lopende rente) te allen tijde mag worden opgeëist of afgelost, mits met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden. Gelet hierop gold voor de rechtsvordering inzake deze lening een verjaringstermijn van 20 jaar (artikel 3:307 lid 2 BW). Verder was opeising reeds mogelijk in 1987, zodat de verjaringstermijn voor deze rechtsvordering toen al is gaan lopen en in beginsel in 2007 een einde nam, zulks behoudens stuiting.

Daarnaast is, zo blijkt uit een door [eisers] overgelegd bewijsstuk (productie VIII van [eisers] ), door [gedaagde ] aan erflater een hypotheek verstrekt tot zekerheid van bedoelde rechtsvordering, zodat ook op grond hiervan die rechtsvordering een verjaringstermijn van 20 jaar had (artikel 3:323 lid 3 BW), eveneens behoudens stuiting.

4.8.1.

Dat het hier zou gaan om een lening in familieverband met een slapend bestaan, die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kon worden opgeëist (zodat in verband daarmee een beroep op verjaring na 20 jaar onaanvaardbaar zou zijn) strookt niet met het feit dat daarop - zoals niet is betwist - reeds in 1987 is afgelost. Afgezien daarvan blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij artikel 3:307 lid 2 BW met name ook is gedacht aan renteloze geldleningen voor onbepaalde tijd die - aldus de memorie van toelichting bij de Invoeringswet - vaak een slapend bestaan leiden en die pas na lange tijd aanleiding geven tot conflicten die het voor de schuldenaar aantrekkelijk maken om zich op verjaring te beroepen [zie: Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1410 en 1411]. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor wat betreft de aanvang van de verjaringstermijn geen uitzondering moet worden gemaakt voor de vordering uit de onderhavige lening.

4.8.2.

De rechtbank volgt [gedaagde ] niet in zijn betoog dat de vordering vanwege de in 1987 gedane aflossing reeds in 1992 was verjaard, nu op grond van artikel 3:319 lid 2 BW de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip intreedt dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.

4.8.3.

Daartegenover kan de oorspronkelijke termijn van 20 jaar wel zijn verlengd indien, zoals [eisers] stelt, binnen vijf jaar voor afloop daarvan de verjaring is gestuit, in welk geval vanaf de stuiting een nieuwe (de oorspronkelijke termijn overschrijdende) termijn van vijf jaar is gaan lopen. Dat in genoemde periode nog op de lening is afgelost is door [gedaagde ] op zich niet betwist. Dit is echter volgens hem geschied door verrekening van een schenking door erflaatster met de openstaande lening (en wel in december 2004, zie hierna), in welke verrekening [gedaagde ] zelf niet de hand heeft gehad, zodat dit geen erkenning oplevert.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde ] dat hij op enig moment de verjaring van de rechtsvordering inzake de geldlening heeft gestuit door een erkenning, heeft [eisers] naar het oordeel van de rechtbank te weinig ingebracht om te voldoen aan haar stelplicht (betreffende de stelling van [eisers] in deze). De rechtbank overweegt hierbij dat de enige relevante schenking/verrekening (dat wil zeggen: gedaan in de laatste vijf jaar voor het einde van de termijn van 20 jaar, derhalve in de periode 2002 tot en met 2007), waarvan uit de door [eisers] overgelegde stukken blijkt, de schenking/verrekening is, gedaan door erflaatster in december 2004 van € 3.000,00, zoals genoemd in haar handgeschreven, door [eisers] overgelegde brief (productie XV van [eisers] ). Daaruit volgt evenwel naar het oordeel van de rechtbank geenszins dat [gedaagde ] toen (door een erkenning) een stuitingshandeling heeft verricht.

4.8.4.

Voor zover [eisers] heeft beoogd te stellen dat [gedaagde ] na 2007 afstand heeft gedaan van zijn recht om een beroep op verjaring te doen, doordat hij heeft ingestemd met verrekening van de nadien nog aan hem gedane schenkingen dan wel door het feit dat de schuld aangaande de geldlening wordt genoemd in de door of namens [gedaagde ] opgemaakte aangiften IB ten behoeve van de boedel, volgt de rechtbank haar daarin niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat bedoelde handelingen geen expliciete, op het doen van afstand van genoemd recht gerichte verklaringen inhouden en deswege niet als zodanig kunnen worden aangemerkt.

4.8.5.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de op de geldlening betrekking hebbende rechtsvordering is verjaard en derhalve niet tot de nalatenschappen van erflater en erflaatster behoort.

De te verdelen waarde van de onverdeeldheid

4.9.

Het bovenstaande leidt ertoe dat uit het overzicht uit de door [eisers] overgelegde brief van 7 augustus 2013 van de accountant van Accon AVM (productie VI van [eisers] ), naar welk overzicht beide partijen verwijzen, de post
"Vordering [gedaagde ] (zoon) € 325.835,00" wegvalt en dat de post "schulden erfgenamen vader € 350.944,00" eigenlijk met een voor de rechtbank onbekend bedrag zou moeten worden verlaagd. Wat betreft deze post zij echter opgemerkt dat het hier gaat om de erfdelen van partijen uit de nog onverdeeld gelaten nalatenschap van de vader, welke nalatenschap nog deel uitmaakt van zijn eveneens nog onverdeeld gelaten, door zijn overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap met de moeder. Partijen zijn hierin als deelgenoten gelijkelijk gerechtigd, zoals zij dat ook zijn in de nalatenschap van de moeder, zodat het voor de verdeling geen praktisch nut heeft om de boedel te splitsen in een deel bestaande uit de nalatenschap van de moeder en een deel bestaande uit de nalatenschap van de vader. De post "schulden erfgenamen vader" kan dan ook voor de bepaling van wat een ieder toekomt worden gesteld op nihil.

4.10.

Genoemd overzicht uit de brief van 7 augustus 2013 van Accon AVM ziet eruit als volgt:

Bezittingen:

- Bankrekeningen: € 62.298,00

- Effecten € 178.046,00

- Vordering [gedaagde ] (zoon) € 325.835,00

- Vordering [eiseres 2] (dochter) € 53.080,00

- Restant € 1.534,00

Totaal: € 620.793,00

Schulden:

- Schuldigerkenning [eiser 3] € 14.975,00

- Schuldigerkenning [eiseres 1] € 14.975,00

- Schulden erfgenamen vader € 350.944,00

- Overlijdenskosten € 6.377,00

- Restant € 753,00

Totaal: € 388.024,00

4.10.1.

Wat betreft de bezittingen constateert de rechtbank dat partijen het - afgezien van de vordering op [gedaagde ] vanwege de verjaarde geldlening - niet eens zijn over de posten "bankrekeningen", "effecten" en "restant", nu [eisers] daarbij (vooralsnog) vraagtekens heeft gezet, zulks in afwachting van de door [gedaagde ] nog af te leggen rekening en verantwoording. Daarbij verdient opmerking dat partijen het er wel over eens zijn dat deze posten in ieder geval niet lager zijn dan de bedragen waarvoor zij zijn opgenomen in voornoemd overzicht, zodat de rekening en verantwoording hooguit kan leiden tot de conclusie dat de posten "bankrekeningen", "effecten" en "restant" hoger uitvallen. Niet in geschil is de vordering inzake de geldlening van € 53.080,00 aan [eiseres 2] . Gelet hierop kan tussen partijen als vaststaand worden aangenomen - als in zoverre niet in geschil - dat de bezittingen ten minste een waarde vertegenwoordigen van € 294.958,00 (ofwel € 620.793,00 − € 325.835,00).

4.10.2.

Zodra [gedaagde ] rekening en verantwoording zal hebben afgelegd, zal uit de door hem daarbij te voegen bewijsstukken/bankafschriften blijken of de omvang van de nalatenschap na het overlijden van erflaatster nog is gewijzigd, bijvoorbeeld doordat ter zake van spaarrente of dividend nog gelden zijn ontvangen en/of doordat de effecten tot aan het moment van verkoop nog in waarde zijn toegenomen. Bij de bepaling van de wijze van verdeling zal de rechtbank deze eventueel toegenomen omvang van de nalatenschap in aanmerking nemen als een p.m. post (hierna aan te duiden als p.m. post 1).

4.10.3.

Wat betreft de schulden constateert de rechtbank dat partijen het eens zijn over de schulden aan [eisers 3 en 1] , van elk € 14.975,00 plus rente. Vermeerderd met de overeengekomen rente van 6% vanaf de datum waarop de leningen zijn aangegaan levert dit (berekend tot 19 juli 2017) twee maal een bedrag op van € 41.533,68, ofwel in totaal € 83.067,36. Tot aan de dag waarop voldoening van deze schulden plaatsvindt zullen zij uiteraard nog verder aangroeien met de overeengekomen rente, terwijl de waarde van de nalatenschap met gelijke tred zal afnemen. Bedoelde voldoening zal in ieder geval voorafgaande aan dan wel in het kader van de verdeling dienen te geschieden. Bij de bepaling van de wijze van verdeling zal de rechtbank deze renteaangroei in aanmerking nemen als een p.m. post (hierna aan te duiden als p.m. post 2).

4.10.4.

De post overlijdenskosten van € 6.377,00 heeft [gedaagde ] naar het oordeel van de rechtbank middels de door hem bij zijn conclusie van antwoord overgelegde bijlagen voldoende onderbouwd en de post restant, van € 753,00, is niet in geschil.

4.10.5.

Bij de schulden dient naar het oordeel van de rechtbank nog te worden opgeteld het door [gedaagde ] bij antwoord genoemde bedrag van € 13.503,13 ter zake van kosten afwikkeling nalatenschap en een bedrag van € 481,96 aan notariskosten, een en ander gelet op de door hem ter zake overgelegde bewijsstukken. Evenzo dienen bij de schulden nog de na heden ten behoeve van de verdeling nog te maken kosten te worden opgeteld, daaronder begrepen de kosten van de notaris. Bij de bepaling van de wijze van verdeling zal de rechtbank ten deze rekening houden met een p.m. post (hierna aan te duiden als p.m. post 3).

4.10.6.

In de door [eisers] overgelegde aangifte erfbelasting (productie XIII van

[eisers] ) is de door partijen verschuldigde erfbelasting berekend op een bedrag van

€ 4.207,00 per persoon, ofwel in totaal € 16.828,00. Een aanslag dienaangaande bevindt zich evenwel niet bij de stukken en evenmin een bewijs van betaling van laatstgenoemd bedrag, terwijl ook niet is gesteld dat dit al is betaald. Gelet hierop en op de omstandigheid dat reeds in de aangifte erfbelasting zelf bij voorbaat bezwaar is aangetekend tegen de op te leggen aanslag erfbelasting, lijkt het erop dat een dergelijke aanslag nog niet is opgelegd. Of niettemin vanuit de nalatenschap een betaling ter zake van erfbelasting heeft plaatsgevonden zal eenvoudig kunnen blijken uit de door [gedaagde ] in het kader van rekening en verantwoording nog aan te reiken bewijsstukken/bankafschriften. Ook hier zal de rechtbank bij de bepaling van de wijze van verdeling rekening houden met een p.m. post (hierna aan te duiden als p.m. post 4), ter zake van eventueel voor de erfgenamen betaalde erfbelasting.

4.10.7.

De voor verdeling van de onverdeeldheid in aanmerking komende waarde laat zich, gelet op al het voorgaande, per heden omschrijven als volgt:

Bezittingen:

- Bankrekeningen: € 62.298,00

- Effecten € 178.046,00

- Vordering [eiseres 2] (dochter) € 53.080,00

- Restant € 1.534,00

Totaal: € 294.958,00 + p.m. post 1

Schulden:

- Schuldigerkenning [eiser 3] € 41.533,68

- Schuldigerkenning [eiseres 1] € 41.533,68

- Overlijdenskosten € 6.377,00

- Kosten afwikkeling € 13.503,00

- Restant € 753,00

Totaal: € 103.700,36 + p.m. posten 2, 3 en 4

De te verdelen waarde:

€ 294.958,00 + p.m. post 1

€ 103.700,36 + p.m. posten 2, 3 en 4

€ 191.257,64 + p.m. post 1 − p.m. posten 2, 3 en 4

4.10.8.

Het bovenstaande houdt in dat elk der erfgenamen in beginsel aanspraak kan maken op 1/4de deel van voormeld bedrag van € 191.257,64, ofwel op € 47.814,41, gecorrigeerd (verminderd dan wel vermeerderd) met 1/4de deel van het totaal van de p.m. posten.

4.11.

Kort gezegd brengt dit mee dat uit de onverdeeldheid

- toekomt aan [eiser 3] : zijn vordering van € 41.533,68 plus nog te verschijnen rente en ter zake van zijn erfdeel een bedrag van € 47.814,41 (gecorrigeerd met 1/4de deel van het totaal van de p.m. posten) verminderd met het door hem te dier zake reeds ontvangen bedrag van € 9.453,33;

- toekomt aan [eiseres 1] : haar vordering van € 41.533,68 plus nog te verschijnen rente en ter zake van haar erfdeel een bedrag van € 47.814,41 (gecorrigeerd met 1/4de deel van het totaal van de p.m. posten) verminderd met het door haar te dier zake reeds ontvangen bedrag van € 9.453,33;

- [eiseres 2] aan de onverdeeldheid dient te voldoen: haar schuld aan de onverdeeldheid van € 53.080,00 minus haar erfdeel ten bedrage van € 47.814,41 (gecorrigeerd met 1/4de deel van het totaal van de p.m. posten) vermeerderd met het door haar ter zake van haar erfdeel reeds ontvangen bedrag van € 9.453,33;

- toekomt aan [gedaagde ] : ter zake van zijn erfdeel een bedrag van € 47.814,41 (gecorrigeerd met 1/4de deel van het totaal van de p.m. posten) verminderd met het door hem te dier zake reeds ontvangen bedrag van € 9.453,33.

4.11.1.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de verdeling van de onverdeeldheid op dienovereenkomstige wijze dient plaats te vinden.

4.11.2.

Daarbij geldt dat de uit de betalingsverplichting van [eiseres 2] voortspruitende schuld aan de onverdeeldheid, voor zover deze in het kader van de verdeling niet wordt afgelost, in drie gelijke delen moet worden toegedeeld aan de overige erfgenamen.

4.11.3.

Verder zal [gedaagde ] hetgeen hij uit de onverdeeldheid onder zich houdt ten behoeve van de verdeling op eerste verzoek moeten afgeven aan de hierna te noemen notaris.

4.11.4.

De hierna te noemen notaris heeft onder meer tot taak ten behoeve van de verdeling de p.m. posten 1 tot en met 4 vast te stellen (zoals omschreven in de rechtsoverwegingen 4.10.2 tot en met 4.10.6), na de erfgenamen in de gelegenheid te hebben gesteld hun mening daarover kenbaar te maken. De verdeling zal in verband hiermee niet eerder zijn beslag kunnen krijgen dan nadat door [gedaagde ] conform dit vonnis rekening en verantwoording is afgelegd.

4.11.5.

De rechtbank wijst erop dat partijen in onderling overleg een andere wijze van verdeling overeen kunnen komen dan bij dit vonnis wordt bepaald.

Notaris en onzijdig persoon

4.12.

De rechtbank vindt aanleiding om een notaris te benoemen ten overstaan van wie de verdeling heeft plaats te vinden en wel notaris mr. H.J. Hettema te Harlingen.

4.13.

Voor het geval niet alle erfgenamen meewerken aan de verdeling benoemt de rechtbank na te noemen advocaat als onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW.

Met betrekking tot de proceskosten

4.14.

De rechtbank vindt aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat elk der partijen de eigen kosten draagt, zulks gelet op de tussen partijen bestaande familiebanden en de aard van het geschil.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde ] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eisers] rekening en verantwoording af te leggen over het door hem als gevolmachtigde over de nalatenschappen gevoerde beheer, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat [gedaagde ] na betekening van dit vonnis niet binnen veertien dagen aan zijn verplichting rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beheer voldoet, met een maximum van € 50.000,00;

5.2.

beveelt de verdeling van de nalatenschappen van erflaters;

5.3.

beveelt partijen om, nadat [gedaagde ] rekening en verantwoording heeft gedaan conform bovenstaande veroordeling, tot deze verdeling over te gaan ten overstaan van na te noemen notaris, behoudens voor zover zij in onderling overleg tot een andere wijze van verdeling komen als in dit vonnis bepaald;

5.4.

wijst mr. H.J. Hettema, notaris te Harlingen, aan als notaris ten overstaan van wie partijen dienen over te gaan tot de verdeling;

5.5.

bepaalt daarbij dat de verdeling dient te geschieden op de wijze, neergelegd in de rechtsoverwegingen 4.11 tot en met 4.11.4;

5.6.

benoemt mr. J. Pieters, advocaat te Sneek, tot onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW voor het geval niet alle erfgenamen meewerken aan de verdeling;

5.7.

bepaalt dat de kosten van de werkzaamheden van de notaris ten laste komen van de nalatenschappen van erflaters, en dat de eventuele kosten van de onzijdige persoon uitsluitend voor rekening komen van de erfgenaam die niet meewerkt aan de verdeling;

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft voormelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op

19 juli 2017.

18