Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2756

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
LEE 17/1362
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uit artikel 2.1 en artikel 6.21 Waterwet vloeit, voor zover hier van belang, voort dat de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een watervergunning, gericht moet zijn op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag moet verweerder daarom het belang dat door de derde partij wordt gesteld, het tijdelijk verruimen van de maatschappelijke functie van het watersysteem voor de plaatsing van de brug, afwegen tegen de nadelige gevolgen van de daarvoor noodzakelijke demping van het oppervlakte water ten behoeve van het voorkomen en/of beperken, voor zover hier van belang, van overstromingen en/of wateroverlast. Daarbij dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verweerder ook af te wegen of het watersysteem nog wel aan zijn maatschappelijke functie voldoet in het licht van de veiligheid van de nabijgelegen hogedruk gasleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

zittingsplaats Groningen

zaaknummer: LEE 17/1362

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juni 2017 in de zaak tussen

1. [verzoeker 1],te [plaats 1],

2. [verzoeker 2]te [plaats 1],

gezamenlijk verzoekers (gemachtigde: mr. C.R. Post)

en

het dagelijks bestuur van de waterschap Noorderzijlvest, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen [vergunninghouder], te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2017 heeft verweerder aan [vergunninghouder] (vergunninghouder) een vergunning verleend voor het tijdelijk verlengen van een duiker in de Noordhorner Schipsloot aan de noordzijde van het Van Starkenborghkanaal.

Verzoekers hebben op 24 maart 2017 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van 12 april 2017 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het geschil is behandeld op de zitting van 2 mei 2017. Verzoeker [verzoeker 2] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door C. Bootsman en N. Doorten. Namens vergunninghouder is de [naam] verschenen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst als bedoeld in artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter heeft verweerder opgedragen te onderzoeken hoe de verantwoordelijkheid voor de hogedruk gasleiding tijdens de werkzaamheden is geregeld.

Bij brief van 15 mei 2017 heeft verweerder de voorzieningenrechter geïnformeerd.

Verzoekers hebben bij brief van 26 mei 2017 hierop gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. Daarop is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Aangezien tijdig bezwaar is ingediend tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij verweerder een bezwaarschrift aanhangig is, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de beslissing van verweerder op dat bezwaar.

4. Het spoedeisende belang is volgens verzoekers gelegen in een aanstaande demping van de sloot. Verzoekers wateren af in de sloot.

5. De voorzieningenrechter is gelet op bovenstaande van oordeel dat spoedeisend belang voldoende aannemelijk is gemaakt.

6. Voor zover verzoekers van mening zijn dat de verleende omgevingsvergunning niet ziet op demping van de sloot, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de aanvraag van 17 februari 2017 wordt het tijdelijk dempen van de sloot wel genoemd. Voorts kan de voorzieningenrechter verweerder volgen in diens stelling dat demping van de sloot ook overigens blijkt uit de vergunning. Het duidelijk benoemen dat met de vergunning ook het tijdelijk dempen van de sloot is vergund, kan verweerder bovendien in de beslissing op bezwaar eventueel nog herstellen.

7. Verzoekers hebben voorts gesteld dat het bestreden besluit geschorst dient te worden omdat verweerder in het besluit niet de belangen van alle omwonenden heeft meegewogen. Evenmin blijkt uit het besluit dat en hoe verweerder rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van de hogedruk gasleiding die op circa 2 meter afstand van de Noordhorner Schipsloot ligt en waar als gevolg van de demping met zwaar materieel op zal worden gereden.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de waterhuishoudkundige belangen van verzoekers in het besluit voldoende zijn erkend en beschermd. Andere belangen dan waterhuishoudkundige belangen, zoals die zijn betrokken bij de veiligheid van de hogedruk gasleiding, kan en mag verweerder niet betrekken in de besluitvorming.

7.2.

Artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet luidt: "De toepassing van deze wet is gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen."

Artikel 6.21 luidt: "Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 […]"

7.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit artikel 2.1 en artikel 6.21 Waterwet vloeit, voor zover hier van belang, voort dat de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een watervergunning, gericht moet zijn op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De voorzieningenrechter constateert dat er geen waterstaatkundige noodzaak is voor het verlenen van de vergunning maar dat deze is ingegeven door de aanvraag van derde partij om aldus de bouw van de brug mogelijk te maken. In een dergelijke situatie dient verweerder te beoordelen of het hier genoemde toetsingskader in de weg staat aan de verlening van de vergunning en of, als dit het geval is, dit door het stellen van voorschriften of beperkingen zoals bedoeld in artikel 6.20 Waterwet kan worden voorkomen.

7.4.

Het is duidelijk dat het watersysteem in zijn oorspronkelijke vorm niet kan voldoen aan zijn maatschappelijke functie. Immers zonder wijziging van het werk kan de brug niet op zijn plaats gereden worden. Door het dempen van een gedeelte van het oppervlakte water kan dit wel bereikt worden.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag moet verweerder daarom in ieder geval het belang dat door de derde partij wordt gesteld, het tijdelijk verruimen van de maatschappelijke functie van het watersysteem voor de plaatsing van de brug, afwegen tegen de nadelige gevolgen van de daarvoor noodzakelijke demping van het oppervlakte water ten behoeve van het voorkomen en/of beperken, voor zover hier van belang, van overstromingen en/of wateroverlast. Daarbij dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verweerder ook af te wegen of het watersysteem nog wel aan zijn maatschappelijke functie voldoet in het licht van de veiligheid van de nabijgelegen hogedruk gasleiding. Indien immers door het verlenen van de vergunning onevenredig afbreuk zou worden gedaan aan die veiligheid vervult het watersysteem zijn maatschappelijke functie niet meer op een aanvaardbare wijze.

7.5.

Nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat dergelijke belangen bij het verlenen van de vergunning niet mogen worden meegewogen, zal naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bestreden besluit in bezwaar geen stand houden.

7.6.

De voorzieningenrechter ziet desondanks geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter merkt op dat uit de reactie van verweerder blijkt dat de hogedruk gasleiding tijdens de werkzaamheden voortdurend gemonitord wordt en er veelvuldig contact tussen de aannemer en de Gasunie is. Ook is er in het calamiteitenplan, dat de gemeente Zuidhorn heeft opgesteld ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de spoorbrug, aandacht voor de gasleiding. Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van mening dat de veiligheid rond de werkzaamheden op dit moment voldoende is gewaarborgd zodat het treffen van een voorlopige voorziening niet nodig is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. R.L. Vucsán als voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 14 juni 2017, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra als griffier.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: