Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:275

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
LEE 15/ 4505
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:114, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzen jachtakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/4505

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.S. van Zandbergen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: V.N. Chaudron).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2015 (het primaire besluit) heeft de korpschef van de politie van de eenheid Noord-Nederland eisers aanvraag voor een jachtakte voor het seizoen 2014-2015 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser administratief beroep ingesteld.

Bij besluit van 1 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen om een rapport van een door hem ingeschakelde arts of psycholoog te overleggen.

Bij brief van 1 juni 2016 heeft eiser een rapportage van [naam psychiater] en [naam psycholoog] aan de rechtbank toegezonden. Deze brief is doorgestuurd aan verweerder.

Bij brief van 12 juli 2016 heeft verweerder gereageerd op de rapportage van [naam psychiater] en [naam psycholoog] . Deze brief is doorgestuurd aan eiser.

Bij brief van 5 september 2016 heeft eiser een nadere reactie aan de rechtbank toegezonden. Deze brief is doorgestuurd aan verweerder.

Bij brief van 3 november 2016 heeft de rechtbank aan partijen toestemming gevraagd om zonder zitting uitspraak te doen. Bij brief van 8 november 2016 heeft eiser toestemming gegeven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Bij brief van eveneens 8 november 2016 heeft verweerder toestemming gegeven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting.

Bij brief van 22 december 2016 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Bij besluit van 5 januari 2015 heeft de korpschef van de politie eenheid Noord-Nederland (de korpschef) aan eiser kenbaar gemaakt dat zij voornemens zijn om eisers aanvraag voor een jachtakte af te wijzen. Tegen dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend.

2. Bij het primaire besluit heeft de korpschef eisers aanvraag voor een jachtakte voor het seizoen 2014 - 2015 afgewezen. Hiertoe heeft de korpschef - onder meer - overwogen dat eisers gedrevenheid in zijn strijd tegen de overheid en zijn uitlatingen daarbij aanleiding geeft om erover te twijfelen of het wel verantwoord is om wapens en munitie aan eiser toe te vertrouwen. Hierbij heeft de korpschef aangegeven dat hij het van belang acht om elk risico uit te sluiten dat eiser zijn frustraties kracht zal bijzetten op een wijze die de rechtsorde ernstig kan aantasten. Tegen dit besluit heeft eiser op 12 maart 2015 administratief beroep ingesteld.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit van de korpschef gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder aangegeven dat de korpschef terecht heeft geconcludeerd dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet aan eiser kan worden toevertrouwd en dat de korpschef derhalve terecht heeft geweigerd om de jachtakte te verlenen.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder e, van de Flora- en faunaweg (Ffw) wordt een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte geweigerd indien er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen.

5.1

De Circulaire wapens en munitie 2015 (Cwm) vormt een geheel van algemene aanwijzingen voor de ambtenaren belast met de uitvoering van de wapenwetgeving.

5.2.1

Volgens onderdeel B, onder 1.2, van de Cwm vormen wapens en munitie een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft. Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering.

5.2.2

Vervolgens worden in onderdeel B onder 1.2, van het Cwm een aantal criteria gegeven voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’. Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Bij dergelijk onderzoek kan blijken van: a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken; b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

5.2.3

Ten aanzien van het bepaalde onder b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) geeft onderdeel B, onder 1.2, van het Cwm aan dat vrees voor misbruik ook kan worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd. Ten aan zien van de psychische gesteldheid wordt aangegeven dat het in beginsel niet verantwoord is om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne, als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat. Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn: a. klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten); b. stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden); c. specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).

Beoordeling van het geschil

6. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. In dat verband moet de rechtbank beoordelen of de twijfel van verweerder of het verantwoord is om eiser wapens en munitie voorhanden te laten hebben, gebaseerd is op een objectief toetsbare motivering.

7. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit het mutatierapport van 19 november 2014 blijkt dat eiser tijdens het gesprek met politieambtenaren over de aanvraag voor een jachtakte naar voren heeft gebracht dat hij van mening is dat hem veel onrecht wordt aangedaan. Bij de politieambtenaren is een beeld ontstaan dat eiser veel opgekropte agressie heeft. De uitlatingen van eiser neigen, aldus de politieambtenaren, naar bedreigingen. Verweerder deelt vervolgens het standpunt van de korpschef dat eiser als gevolg van de lopende geschillen met personen en overheidsinstanties aan een grote mate van spanning onderhevig is en dat hierdoor de indruk bestaat dat eiser onder sterke psychische druk staat waardoor risicofactoren als stress, agressie, impulsiviteit en gebrek aan zelfregulatie bij eiser aanwezig zijn. Gelet op het ontstane beeld heeft verweerder onvoldoende vertrouwen in eiser en acht verweerder het niet verantwoord om eiser in de uitzonderingspositie te brengen die wapenvergunninghouders innemen ten opzichte van hun medeburgers.

8. Eiser betoogt dat hij het type is van een ruwe bolster en de blanke pit die weliswaar verbaal van zich laat horen, maar het daarbij ook laat, getuige het feit dat hij al jaren in de clinch ligt met diverse openbare instanties, zulks terwijl daarbij keurig de bal wordt gespeeld en niet de man. Daarnaast geeft eiser aan dat hij jaren een jachtakte heeft gehad en dat er nimmer sprake is geweest van enig misbruik. Hierbij geeft eiser aan dat de korpschef zo onhandig is geweest om over hem te laten rapporteren door een rapporteur welke door eiser is beticht van het op onjuiste wijze opmaken van een proces-verbaal. Dit gegeven, samen met het gegeven dat wordt geput uit een mutatierapport, vertroebelt het beeld nog verder, aldus eiser. Tenslotte geeft eiser aan dat indien de korpschef van oordeel is dat sprake is van een psychische stoornis welke de afgifte van de gevraagde jachtakte in de weg staat, dat het dan op de weg van de korpschef ligt om ten aanzien van deze veronderstelling een begin van bewijs bijeen te brengen. Hierbij geeft eiser aan dat alleen zijn verbale uitingen nimmer de conclusie wettigen dat sprake is van een psychische stoornis. Eiser verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen om te onderzoeken in hoeverre er (psychische) gronden aanwezig zijn welke een belemmering vormen voor het voorhanden hebben van (vuur) wapens.

9.1

Psychiater [naam psychiater] en GZ-psycholoog [naam psycholoog] hebben - op verzoek van eiser - op 20 mei 2016 een intakegesprek met eiser gehad. In de rapportage van 20 mei 2016 geven [naam psychiater] en [naam psycholoog] - onder meer en samengevat - aan dat er bij eiser geen duidelijke hulpvraag aanwezig is en dat eiser vrijwel geen klachten ervaart. Daarnaast hebben [naam psychiater] en [naam psycholoog] aangegeven dat er geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld en dat eiser zegt dat hij goed functioneert en dat hij niet wordt belemmerd. Hierbij geven [naam psychiater] en [naam psycholoog] aan dat wel opvalt dat eiser dominant aanwezig kan zijn en fel in zijn reacties die niet altijd doordacht lijken. Anderzijds overziet eiser, aldus [naam psychiater] en [naam psycholoog] , zijn handelen en neemt hij verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. [naam psychiater] en [naam psycholoog] geven aan dat op basis van de intake gegevens behandeling niet is geïndiceerd en dat eiser geen hulpvraag heeft met betrekking tot behandeling.

9.2

Verweerder geeft in reactie op het rapport van [naam psychiater] en [naam psycholoog] aan dat hieruit niet uitdrukkelijk blijkt dat de psychiater en de psycholoog duidelijk bekend zijn met de aangegeven stressvolle omstandigheden en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan eiser een jachtakte te verlenen. Het rapport heeft verweerder niet overtuigd dat het wapenbezit verantwoord is, gelet waarop de vrees voor misbruik niet bij verweerder is weggenomen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat van een persoon als eiser, die onder psychische druk staat als gevolg van diverse stressvolle omstandigheden, wat ook is bevestigd in het mutatierapport, de aanmerkelijke kans bestaat dat hij zich niet in de hand heeft wanneer deze omstandigheden zich voordoen. Zo iemand in het bezit stellen van wapens en munitie vormt, aldus verweerder, een risico voor de veiligheid in de samenleving. Tenslotte heeft verweerder nog aangegeven dat reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van een wapenverlof voldoende reden is om het verlof te weigeren dan wel in te trekken, mits die twijfel objectief toetsbaar is.

9.3

In reactie op de brief van verweerder van 12 juli 2016 geeft eiser aan dat uit de rapportage van [naam psychiater] en [naam psycholoog] genoegzaam blijkt dat er geen legitieme reden aanwezig is om de afgifte van de jachtakte nog langer te weigeren, nu hieruit blijkt dat er geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld. Uit de rapportage blijkt eveneens, aldus eiser, dat er psychiatrisch niets mis is en dat de ambtenaren die destijds het huisbezoek hebben gepleegd de spreekwoordelijke lange tenen hebben en niet in staat zijn gebleken de uitingen van eiser op juiste waarde te schatten.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen concluderen dat er in ieder geval geringe twijfel bestaat aan het kunnen toevertrouwen aan eiser van het voorhanden hebben van wapens en munitie. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

11.1

Allereerst overweegt de rechtbank dat degene aan wie een jachtakte is verleend, zich in een uitzonderingspositie ten opzichte van de overige burgers bevindt, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de houder van een jachtakte het vertrouwen moet kunnen worden gesteld dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering is reeds voldoende grond om daaraan een einde te maken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder het nummer ELCI:NL:RVS:2005:AT6584.

11.2 .1

In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het mutatierapport van 19 november 2014. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat hierin is vermeld dat volgens de betreffende politieambtenaren er, gelet op eisers manier van uiten en de daarbij gebruikte bewoordingen, beletselen aanwezig zijn ten aanzien van het verlenen van een jachtakte. Gelet hierop heeft verweerder aangegeven dat als gevolg van lopende geschillen met personen en overheidsinstanties eiser aan een grote mate van spanning onderhevig is, waardoor de indruk bestaat dat eiser onder sterke psychische druk staat waardoor risicofactoren als stress, agressie, impulsiviteit en gebrek aan zelfregulatie bij eiser aanwezig zijn. Gezien het mutatierapport en nu als uitgangspunt geldt dat reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het kunnen beschikken over een vuurwapen en munitie voldoende aanleiding vormt tot het afwijzen van de aanvraag voor een jachtakte is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot afwijzing van de door eiser aangevraagde jachtakte. Bij haar beoordeling betrekt de rechtbank dat aan het door eiser overgelegde rapport van [naam psychiater] en [naam psycholoog] niet de waarde kan worden toegekend die eiser hieraan graag toegekend zou zien. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat ingevolge de tekst van de CVM blijkt dat eiser, om aan te tonen dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd, een schriftelijke verklaring van een arts / psychiater dient te overleggen waaruit duidelijk blijkt dat deze arts / psychiater bekend is met de problemen van eiser en dat deze problemen niet (langer) een belemmering vormen om aan eiser een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. [naam psychiater] en [naam psycholoog] geven in hun rapport aan dat geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld en dat eiser zelf aangeeft dat hij goed functioneert en dat hij niet belemmerd wordt. Echter blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, uit deze rapportage niet dat [naam psychiater] en [naam psycholoog] volledig bekend zijn met de problemen van eiser en concluderen [naam psychiater] en [naam psycholoog] ook niet dat er, gelet op deze problemen, geen beletsel is om aan eiser een wapenvergunning te verstrekken. Hierbij betrekt de rechtbank eveneens dat ook verweerder ter zitting heeft verklaard dat eiser geen psychiatrische stoornis heeft, maar dat het hebben van een psychiatrische stoornis ook geen vereiste is om tot een afwijzing van de aanvraag voor een jachtakte te komen. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat in eisers situatie, gelet op stressvolle omstandigheden, sprake is van vrees voor misbruik van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangegeven dat de rapportage van [naam psychiater] en [naam psycholoog] de vrees voor misbruik niet wegneemt.

11.2.2

Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder ten onrechte het mutatierapport van 19 november 2014 bij de beoordeling van de aanvraag voor een jachtakte voor het seizoen 2014-2015 heeft betrokken volgt de rechtbank eiser niet en hiertoe overweegt zij als volgt. Een mutatierapport is, aldus de rechtbank, een aanvaarde vorm waarin door politieambtenaren waargenomen feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Deze vorm is weliswaar met minder waarborgen omgeven gelet waarop hieraan minder bewijskracht toekomt dan aan een proces-verbaal, echter betekent dit niet dat aan een mutatierapport in zijn geheel geen waarde kan worden toegekend. Bij zijn beoordeling betrekt de rechtbank dat het mutatierapport is opgesteld door opgeleide politieambtenaren, dat het rapport op ambtsbelofte en ambtseed is opgemaakt en dat het is ondertekend door de betreffende verbalisanten.

12. Gelet op al het vorenoverwogene heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, kunnen concluderen dat er in ieder geval geringe twijfel bestaat aan het kunnen toevertrouwen aan eiser van het voorhanden hebben van wapens en munitie. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het administratief beroep van eiser terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.