Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2738

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
18/930251-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte voor opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode (12 jaren) schuldig gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit gelden die door betrokkene, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde, door uitkeringsfraude waren verkregen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een (onvoorwaardelijke) taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid/ vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930251-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , aan de [adres 1]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Özsaran, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2004 tot en met 16 februari 2016
te Assen, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig
door misdrijf verkregen goed, te weten uitkeringsgelden voordeel heeft
getrokken door (telkens) gebruik te maken van voedingsmiddelen en/of (een)
contante geldbedrag(en), welke geheel of gedeeltelijk werd(en) betaald van
-en/of voorhanden was vanwege een (bijstands)uitkering krachtens de
Participatiewet (voorheen de Wet werk en bijstand / Algemene Bijstandswet),
welke door [betrokkene] werd ontvangen;
(art 416 lid 2 Wetboek van Strafrecht)


Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de sociale recherche gedegen onderzoek heeft verricht en dat gelet op de inhoud van het proces-dossier de conclusie is gerechtvaardigd dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen verdachte en [betrokkene] . Dit wordt ondersteund door het verrichte internetonderzoek, de observaties en de aangetroffen stukken/goederen na de doorzoeking van de woning van verdachte. Uit het onderzoek komt een enorme verknochtheid tussen de families van [betrokkene] en verdachte naar voren. Daar komt bij dat [betrokkene] heeft bekend dat zij samenwoonde met verdachte en zorg droeg voor de huishouding. Ook de verklaring van verdachte over de wijze waarop de huishouding was georganiseerd en de activiteiten die hij ondernam met [betrokkene] ondersteunen de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dat enkel sprake was van een zakelijke relatie uit hoofde van kamerverhuur, zoals door de verdachte betoogd, is in dit licht dan ook volstrekt onaannemelijk. De verklaring van [betrokkene] kan voor het bewijs worden gebruikt, omdat niet aannemelijk is geworden dat de omstandigheid van haar zieke zoon die alleen thuis zou zijn, een zodanige druk op haar uitoefende dat zij daarom een onjuiste verklaring zou afleggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft verweer gevoerd conform haar pleitnota, waarin –kort samengevat – is betoogd dat geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding dan wel affectieve relatie met [betrokkene] , zodat [betrokkene] recht had op een uitkering en dus geen sprake kan zijn van enig door misdrijf verkregen goed. Verdachte heeft al geruime tijd een relatie met een ander, [partner] . In het geval de rechtbank desondanks tot het oordeel komt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding dient de belastende verklaring van [betrokkene] van het bewijs te worden uitgesloten. Ten eerste omdat zij is in de bestuursrechtelijke procedure op haar verklaring is teruggekomen. Zij maakte zich ernstig zorgen over het welzijn van haar zoon en heeft daardoor op enig moment sociaal wenselijke antwoorden gegeven in haar verhoor. Ten tweede omdat het aannemelijk is dat de bewezenverklaring ‘solely and decisvely’ gebaseerd zou worden op de (onware) verklaring van [betrokkene] hetgeen in strijd is met Europese jurisprudentie (zgn Vidgen-verweer). [betrokkene] is overleden en kan dus niet meer worden gehoord. Van compenserende waarborgen is geen sprake en voldoende resterend wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Aan [betrokkene] is gedurende de ten laste gelegde periode een bijstandsuitkering toegekend, onder de verplichting om wijzigingen in haar persoonlijke en financiële omstandigheden of in haar gezinssituatie direct door te geven aan de verstrekker van de uitkering. Gebleken is dat zij op de door haar ondertekende en ingeleverde inkomstenformulieren telkens heeft ingevuld dat zich geen wijziging in haar woonsituatie, gezinssamenstelling of burgerlijke staat heeft voorgedaan, noch heeft zij (in de periode dat inkomstenformulieren niet meer- maandelijks - hoefden te worden ingevuld) doorgegeven dat sprake was van wijziging in haar situatie. Ook zijn de formulieren niet mede ingevuld en ondertekend door de partner, zoals voor gehuwden of personen die op andere wijze samenleven verplicht is.

Dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, welke omstandigheid [betrokkene] aan de verstrekker van de uitkering had moeten melden, leidt de rechtbank af uit de totaalsom van het uitgebreide onderzoek van de sociale recherche (o.a. internetonderzoek, observaties, aangetroffen voorwerpen tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte) in combinatie met de verklaring van zowel verdachte als [betrokkene] .

Het internetonderzoek resulteerde in het aantreffen van diverse facebookberichten/foto’s en een overlijdensadvertentie van de vader van verdachte, welke duiden op een aanzienlijke sociale verstrengeling tussen [betrokkene] en verdachte met diens familie.

Uit de (stelselmatige) observaties volgde dat verdachte geregeld is gezien met [betrokkene] en haar zoon, dat ze samen van huis komen en gaan, samen in de auto zitten, ook met andere personen weggaan en dat [betrokkene] huishoudelijke taken verricht.

Tijdens de doorzoeking van de woning werden diverse gebruiksvoorwerpen, documenten/administratie van [betrokkene] in verschillende vertrekken van de woning aangetroffen. Daarnaast werden gezamenlijke foto’s en een geboortekaartje van de zoon van [betrokkene] aangetroffen, waarop de namen van verdachte en [betrokkene] als ouders zijn genoemd en het kind dezelfde achternaam draagt als verdachte.

Daar komt bij dat [betrokkene] heeft bekend dat zij met verdachte samenwoonde en dat zij zorgdroeg voor de huishouding. Zij had weet van de uitkering van verdachte en heeft de samenwoning niet gemeld omdat zij bang waren haar uitkering kwijt te raken.

Verdachte heeft vervolgens bevestigd dat [betrokkene] huishoudelijke taken op zich nam zoals wassen, eten koken, stoffen en stofzuigen. Daarnaast heeft verdachte verklaart gezamenlijke activiteiten met haar te ondernemen zoals boodschappen doen, op visite gaan, ouderavonden bezoeken en haar, haar zoon en familie met de auto overal naar toe te brengen. Daarnaast beheerde hij haar vermogen door te beschikken over haar bankpas en haar te voorzien van geld.

Gelet op het voorgaande is het volstrekt onaannemelijk dat slechts sprake was van een zakelijke relatie tussen verdachte en [betrokkene] in het kader van kamerverhuur en acht de rechtbank bewezen dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging.

Met de conclusie dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, welke omstandigheid [betrokkene] aan de verstrekker van de uitkering had moeten melden, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een enig goed door misdrijf verkregen. Dat verdachte wetenschap had van het feit dat sprake was van enig goed door misdrijf verkregen, kan worden afgeleid uit het feit dat hij ter terechtzitting heeft verklaard op de hoogte te zijn geweest van het feit dat [betrokkene] een bijstandsuitkering ontving en dat zij opgaf dat hun situatie kamerverhuur betrof.

Dat verdachte ook opzettelijk voordeel uit de situatie heeft getrokken volgt onder meer uit zijn eigen verklaring ter terechtzitting dat de boodschappen in een gezamenlijk kast lagen en door beiden werd geconsumeerd. Voorts is het zo dat het gezamenlijke (netto) besteedbare inkomen van verdachte en [betrokkene] over de ten laste gelegde periode hierdoor hoger is geweest dan in het geval aan de verstrekker van de uitkering was doorgegeven dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. Samen hebben zij geprofiteerd van het hogere netto besteedbare inkomen. In het geval de verstrekker van de uitkering op de hoogte was geweest van het feit dat zij een gezamenlijk huishouding voerden, was immers aan [betrokkene] geen uitkering verstrekt en hadden zij en verdachte gezamenlijk (veel) minder geld te besteden gehad.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de verklaring van [betrokkene] van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Door de verdediging is bepleit dat artikel 6 EVRM wordt geschonden als een veroordeling van de verdachte in belangrijke mate wordt gebaseerd op de verklaring van [betrokkene] , zoals zij deze bij de sociale recherche heeft afgelegd. In het licht van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van een getuige in een geval als het onderhavige niet in strijd met artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM, indien de onmogelijkheid deze getuige te ondervragen op andere wijze voldoende is gecompenseerd of de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist.

De rechtbank verwijst in dit verband naar onder meer de uitspraak van het EHRM van 10 juli 2012 (Vidgen tegen Nederland, ECLI:XX:2012:BX3071) en de uitspraak van de Hoge Raad van 29 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5539).

Door het overlijden van [betrokkene] wordt de verdediging beperkt in haar ondervragingsrecht. Dit betekent dat haar verklaring alleen voor het bewijs kan worden gebezigd, indien de betrokkenheid van verdachte ten aanzien van de aan hem ten laste gelegde feiten in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de betrokkenheid van verdachte ten aanzien van de aan hem ten laste gelegde feiten in dit geval in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen (voornoemd internetonderzoek, observaties, resultaat huiszoeking en eigen verklaring verdachte) zodat geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM.

De rechtbank verwerpt eveneens het verweer dat de verklaring van [betrokkene] van het bewijs dient te worden uitgesloten omdat zij op haar belastende verklaring zou zijn teruggekomen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de omstandigheid van haar zieke zoon die alleen thuis zou zijn geweest een zodanige druk op haar uitoefende dat zij daarom een onjuiste verklaring af zou hebben gelegd.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De bewijsmiddelen zijn steeds zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 juli 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

[betrokkene] kon in verband met haar gezondheid niet zelf op de fiets boodschappen doen, dus wij gingen eenmaal per week naar de winkel om boodschappen te doen. Het brood, het beleg, de aardappels etc. werden gezamenlijk bewaard in de kelder en dar ging niet in een aparte bak. Wij aten de boodschappen samen op. Ik wist dat ze een bijstandsuitkering ontving en ik weet dat het hebben van een partner invloed heeft op de hoogte van de uitkering. Ik weet dat zij doorgaf dat zij een kamer huurde. Ik pinde/haalde geld voor haar en gaf dat aan haar. Ik had haar bankpas in mijn bezit. Het klopt dat ik ook het vermogen van haar broer beheerde. U houdt mij mijn verklaring voor die ik bij de sociale recherche heb afgelegd waarin ik onder meer heb verklaart dat [betrokkene] kookt, dat zij gebruikt maakt van het gehele huis en de spullen die daarin staan en dat ik haar zoon als mijn eigen zoon zie. Dat klopt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de sociale recherche d.d. 16 februari 2016, opgenomen op pagina 546 van het dossier met nummer 040033 d.d. 12 augustus 2016 inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik betaal de vaste lasten en [betrokkene] kookt het eten. Het eten wordt soms door [betrokkene]
gekocht en soms door mij. Ik zie [zoon betrokkene] als mijn zoon. Ik ga wel mee naar school, ouderavonden en zo. Ik ga samen met hem ook wel eens darten bij een kennis die een kroegje achter in zijn loods heeft. Ik ga ook wel eens op verjaardagen bij vrienden en soms gaan [betrokkene] en [zoon betrokkene] mee. Ik rij ook regelmatig met [betrokkene] , [zoon betrokkene] , de vader of de moeder van [betrokkene] naar het ziekenhuis.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de sociale recherche d.d. 16 februari 2016, opgenomen op pagina 550 van voornoemd dossier inhoudende als verklaring van verdachte:

[betrokkene] en [zoon betrokkene] maken gebruik van alle ruimtes in de woning. Ze zitten 's avonds in
de kamer televisie te kijken. [betrokkene] zit echt niet de hele dagen op haar kamer. Die kamer gebruikt ze alleen maar om te slapen. Verder is ze gewoon in het huis. [betrokkene] betaalt het internet van Ziggo. Ik breng [betrokkene] ook wel eens ergens anders heen. De afspraken die [betrokkene] heeft staan op de kalender in de keuken. Ik houd daar rekening mee. [betrokkene] schrijft daar de afspraken op. Dus eigenlijk als [betrokkene] ergens heen moet, gaan we altijd samen omdat zij totaal geen conditie heeft door haar ziekte. Als [betrokkene] of [zoon betrokkene] mij vraagt om ze ergens heen te brengen dan breng ik ze altijd. Als het nodig is sta ik voor ze klaar. [betrokkene] ziet zichzelf als oma van [kleindochter verdachte] . [zoon betrokkene] zegt gewoon pa tegen mij. Ik zie hem dan ook als mijn zoon. Ik ga met [betrokkene] wel een keer naar de stad. Als er een keer een evenement op de TT baan is gaan we wel samen heen. We hebben ook samen Sinterklaas gevierd. Ik ben met [betrokkene] en [zoon betrokkene] naar de geboorte van mijn kleindochter [kleindochter verdachte] naartoe gegaan.
Ik heb een pasje van haar bankrekening. Ik neem wel eens geld op. Dat geef ik dan aan [betrokkene] . [betrokkene] en ik hebben geen liefdesrelatie maar we hebben wel eens seks. Het komt wel eens voor dat wij op één slaapkamer slapen. Met betrekking tot het tijdens de huiszoeking aangetroffen geboortekaartje van [zoon betrokkene] met de achternaam [verdachte] verklaar ik dat wij het voor de buitenwereld wilden laten lijken dat [zoon betrokkene] mijn zoon is.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de sociale recherche d.d. 17 februari 2016, opgenomen op pagina 556 van voornoemd dossier inhoudende als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik samen met [betrokkene] in de rouwadvertentie van mijn vader wordt genoemd. Stoffen en stofzuigen doet [betrokkene] in het hele huis. Ik doe ook af en toe wel dingen
natuurlijk. Ik zet bijvoorbeeld de koffie voor iedereen. [betrokkene] doet de was. Dat is zowel de was van mij als van haar en [zoon betrokkene] . Dat wordt gewoon gemengd gewassen. [betrokkene] maakt ook meestal het eten klaar. Wij eten dan ook samen met ons drieën. Soms als het uitkomt maak je gebruik van elkaars geld. Als je geld tekort komt spring je bij voor elkaar. Met betrekking tot de polis van Monuta heb ik [betrokkene] als begunstigde genoemd. Zij heeft hetzelfde bij mij gedaan.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van de ISD AA-en-Hunze, Assen en Tynaarloo d.d. 29 juni 2016, opgenomen op pagina 436 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring:

Door [betrokkene] werd een bijstandsuitkering verkregen naar de norm van een alleenstaande (ouder). Bij de aanvraag van de uitkering had [betrokkene] verklaard dat ze een kamer huurt bij een [verdachte] . Zij presenteerde het als een zakelijke kamerhuur. Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat [betrokkene] , voornoemd, kennelijk opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt of verzwegen bij de aanvraag van de uitkering en / of gedurende de periode dat de uitkering werd ontvangen. De feiten de samenwoning werden niet of onjuist aangegeven op de formulieren of werden niet opgegeven middens de mutatieformulieren. Wanneer [betrokkene] de feitelijke situatie bekend had gemaakt dan was er geen uitkering verstrekt. Voor zover bekend had [verdachte] voldoende inkomsten, in ieder geval boven de uitkeringsnorm.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de sociale recherche d.d. 16 februari 2016, opgenomen op pagina 556 van het dossier met nummer 040033 d.d. 12 augustus 2016 inhoudende als verklaring van [betrokkene] :

We waren bang dat we de uitkering van mij kwijt zouden raken en daarom heb ik het niet eerder verteld. Het idee om het te presenteren als een kamerhuurster met een kamerverhuurder met een huurcontract hebben we samen zo bedacht. Dat deden we om een bijstandsuitkering voor mij te kunnen krijgen. Ik had schulden en ik kon op die manier mijn schulden betalen van de uitkering. [verdachte] tankt wel eens benzine van het geld van de uitkering Ik betaal de boodschappen en [verdachte] betaalt de vaste lasten. [verdachte] heeft mijn bankpas altijd bij zich. Ik heb huishoudgeld. Dit is altijd zo geweest. Het boodschappengeld heb ik contant. De huishouding doe ik heel graag. Ik kook voor [zoon betrokkene] [verdachte] en mijzelf. De was doe ik ook. Als ik tussentijds de informatie had doorgegeven dan was de uitkering gestopt, denk ik.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 16 februari 2004 tot en met 16 februari 2016 te Assen opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed, te weten uitkeringsgelden voordeel heeft
getrokken door gebruik te maken van voedingsmiddelen en contante geldbedragen, welke geheel of gedeeltelijk werden betaald van en voorhanden waren vanwege een (bijstands)uitkering krachtens de Participatiewet (voorheen de Wet werk en bijstand), welke door [betrokkene] werd ontvangen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis. Gelet op richtlijnen in samenhang met de hoogte van het benadelingsbedrag zou zelfs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde kunnen zijn, maar gelet op het feit dat [betrokkene] is overleden wordt van een dergelijke eis afgezien.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening, in het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, dat het gestelde nadeel veel lager is dan door de officier van justitie is gesteld mede gelet op de kortere periode van de tenlastelegging (vanaf 2004 in plaats van 1997 zoals op de eerste dagvaarding was vermeld). Dit behoort daarom te leiden tot een vermindering van de strafmaat (lees: halvering van de strafeis).

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode (12 jaren) schuldig gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit gelden die door [betrokkene] , met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde, door uitkeringsfraude waren verkregen. Door aldus te profiteren van de aan [betrokkene] verstrekte uitkering heeft hij met haar misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een bijstandsuitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt het sociale stelsel. Verdachte heeft van dit misbruik geprofiteerd en zich aldus ten koste van de maatschappij verrijkt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich bij zijn handelen niet heeft bekommerd om de belangen van de maatschappij en telkens weer heeft geprofiteerd van de bijstandsuitkering van [betrokkene] .

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. In dat perspectief en gelet op de fraude van dergelijke duur acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden en zal daarom verdachte conform veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mrs. H.H.A. Fransen en M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Broeks, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juli 2017.

Mr. M. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.