Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2695

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
18-830410-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Noordelijke Fraudekamer. Verduistering. Beroepsverbod. Vorderingen benadeelde partij en maatregel van artikel 36f Sr in relatie tot een faillissement. Verdachte, eigenaar van een bureau voor schuldhulpverlening en budgetbeheer, heeft jarenlang de gelden die zijn cliënten bij hem in beheer hadden gegeven gebruikt om de kosten van zijn bedrijfsvoering te kunnen blijven voldoen. Na het uiteindelijke faillissement in 2014 zijn tientallen cliënten gedupeerd achtergebleven. De financiële schade voor de gedupeerden bedraagt in totaal ruim € 200.000,--. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij op deze wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat zijn cliënten, die zich vaak in een zeer kwetsbare financiële positie bevonden, in hem hadden gesteld. Op zichzelf rechtvaardigt een fraude van deze aard en omvang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege het tijdsverloop, de financiële gevolgen voor verdachte zelf en het feit dat niet is gebleken dat verdachte met de verduisterde gelden zichzelf heeft verrijkt, ziet de rechtbank in dit bijzondere geval aanleiding om te volstaan met het opleggen van de maximale werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Ook wordt aan verdachte het verbod opgelegd om gedurende vijf jaar het beroep van financieel dienstverlener uit te oefenen. Daarnaast is bij afzonderlijke beslissing het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel afgenomen. Hoewel duidelijk is dat de benadeelde partijen aanzienlijke schade hebben geleden, verklaart de rechtbank de vorderingen niet-ontvankelijk nu verdachte in staat van faillissement is verklaard en deze vorderingen derhalve op grond van artikel 26 en 110 Faillissementswet uitsluitend bij de curator kunnen worden ingediend. De rechtbank ziet tevens af van (afzonderlijke) toepassing van de maatregel tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 36f Sr. Verdachte mag tijdens de looptijd van zijn faillissement geen betalingen verrichten, terwijl het niet-nakomen van een op grond van artikel 36f Sr opgelegde betalingsverplichting met vervangende hechtenis wordt bedreigd. Bovendien zou oplegging van deze maatregel leiden tot oneigenlijke bevoordeling van enkele schuldeisers in het faillissement ten opzichte van de anderen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3821
NJFS 2017/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830410-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 19 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 maart 2017 en 5 juli 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.T. van Dalen, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 maart 2014,

in de gemeente Groningen, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld, ongeveer een totaalbedrag van 98.315 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat

(telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan cliënten van [naam bedrijf]

(zijnde een eenmanszaak waarvan verdachte eigenaar was), te weten:

1) [slachtoffer 1] (aangifte pag. 33), en/of

2) [slachtoffer 2] (aangifte pag. 282), en/of

3) [slachtoffer 3] (aangifte pag. 287), en/of

4) [slachtoffer 4] (aangifte pag. 301), en/of

5) [slachtoffer 5] (aangifte pag. 307), en/of

6) [slachtoffer 6] (aangifte pag. 310), en/of

7) [slachtoffer 7] (aangifte pag. 322), en/of

8) [slachtoffer 8] (aangifte pag. 335), en/of

9) [slachtoffer 9] (aangifte pag. 341), en/of

10) [slachtoffer 10] aangifte pag. 347), en/of

11) [slachtoffer 11] (aangifte pag. 356), en/of

12) [slachtoffer 12] (aangifte pag. 370), en/of

13) [slachtoffer 13] (aangifte pag. 375), en/of

14) [slachtoffer 14] (aangifte pag. 381), en/of

15) [slachtoffer 15] (aangifte pag. 386), en/of

16) [slachtoffer 16] (aangifte pag. 395), en/of

17) [slachtoffers 17 en 18] (aangifte pag. 403), en/of

18) [slachtoffer 19] (aangifte pag. 414), en/of

19) [slachtoffer 20] (aangifte pag. 424), en/of

20) [slachtoffer 21] (aangifte pag. 452), en/of

21) [slachtoffer 22] (aangifte pag. 459), en/of

22) [slachtoffer 23] (aangifte pag. 463), en/of

23) [slachtoffer 24] (aangifte pag. 475), en/of

24) [slachtoffer 25] (aangifte pag. 480), en/of

25) [slachtoffer 26] (aangifte pag. 514), en/of

26) [slachtoffer 27 en 28] (aangifte pag. 524), en/of

27) [slachtoffer 29] (aangifte pag. 538), en/of

28) [slachtoffer 30] (aangifte pag. 541), en/of

29) [slachtoffer 31] aangifte pag. 546), en/of

30) [slachtoffer 32] (aangifte pag. 550), en/of

31) [slachtoffer 33] (aangifte pag. 575), en/of

32) [slachtoffer 34] (aangifte pag. 593), en/of

33) [slachtoffer 35] (aangifte pag. 602), en/of

in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep en/of

tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of inkomensbeheerder en/of schuldhulpverlener van die cliënten, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde, met uitzondering van de aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] , [slachtoffers 17 en 18] en [slachtoffer 30] , gevorderd nu daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat, hoewel verdachte gelden heeft gebruikt van de derdengeldrekening van zijn bedrijf, hem geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. de door verdachte op de terechtzitting van 5 juli 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb gelden van de derdengeldrekening van mijn bedrijf [naam bedrijf] gebruikt voor zakelijke doeleinden. Ik had hiervoor geen toestemming van mijn cliënten, voor wie de gelden bestemd waren.

2. naar wettelijk voorschrift opgemaakte processen-verbaal van aangifte van

- [slachtoffer 1] opgenomen op pagina 33 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2014134306 d.d. 14 december 2014;

- [slachtoffer 2] , opgenomen op pagina 282 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 4] , opgenomen op pagina 301 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 5] , opgenomen op pagina 307 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 6] , opgenomen op pagina 310 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 8] , opgenomen op pagina 335 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 9] , opgenomen op pagina 341 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 10] , opgenomen op pagina 347 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 11] , opgenomen op pagina 356 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 12] , opgenomen op pagina 370 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 13] , opgenomen op pagina 375 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 14] , opgenomen op pagina 381 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 15] , opgenomen op pagina 386 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 16] , opgenomen op pagina 395 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 19] , opgenomen op pagina 414 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 20] , opgenomen op pagina 424 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 21] , opgenomen op pagina 452 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 22] , opgenomen op pagina 459 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 23] , opgenomen op pagina 463 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 24] , opgenomen op pagina 475 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 25] , opgenomen op pagina 480 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 26] , opgenomen op pagina 514 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 27] , opgenomen op pagina 524 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 29] , opgenomen op pagina 538 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 30] , opgenomen op pagina 546 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 32] , opgenomen op pagina 550 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 33] opgenomen op pagina 575 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 34] , opgenomen op pagina 593 van voornoemd dossier;

- [slachtoffer 35] , opgenomen op pagina 602 van voornoemd dossier.

Op grond van voormelde verklaring van verdachte en de aangiftes acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan verduistering door gelden die bestemd waren voor cliënten van zijn schuldhulpverleningsbedrijf zonder hun toestemming van de derdenrekening over te boeken naar de zakelijke rekening en deze vervolgens te besteden aan en/of te reserveren voor de uitbreiding van zijn bedrijf. Dat geen aanwijzingen bestaan dat verdachte zich met dit geld persoonlijk verrijkt heeft, doet niet af aan de strafrechtelijke verwijtbaarheid van verdachtes handelen, maar is een omstandigheid die bij de strafmaat een rol kan spelen. De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte daarbij gehandeld heeft uit hoofde van zijn beroep als financieel dienstverlener/adviseur, inkomensbeheerder en schuldhulpverlener. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte op grote schaal en gedurende lange tijd werkzaam is geweest als een dergelijke dienst- en hulpverlener en zich ook als zodanig naar de buitenwereld gepresenteerd heeft.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de gelden van aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] , [slachtoffers 17 en 18] en [slachtoffer 30] , zoals vermeld in de tenlastelegging, heeft verduisterd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard dat er voor [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 30] op het moment dat zij weggingen bij [naam bedrijf] geen saldo ter uitbetaling openstond. Verdachte heeft derhalve ontkend de gelden van deze aangevers verduisterd te hebben en de rechtbank is uit het dossier niet van het tegendeel gebleken. Ten aanzien van aangevers [slachtoffers 17 en 18] overweegt de rechtbank dat zij aangifte hebben gedaan van een verduistering gepleegd in 2009. Nu dit jaartal buiten de in de tenlastelegging vermelde periode valt, kan reeds hierom deze verduistering niet bewezen worden.

Op grond van voorgaande overwegingen zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde verduistering ten aanzien van aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 30] en [slachtoffers 17 en 18] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 maart 2014, in de gemeente Groningen,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid geld die telkens toebehoorde aan cliënten van [naam bedrijf] , zijnde een eenmanszaak waarvan verdachte eigenaar was, te weten:

1) [slachtoffer 1] en

2) [slachtoffer 2] en

4) [slachtoffer 4] en

5) [slachtoffer 5] en

6) [slachtoffer 6] en

8) [slachtoffer 8] en

9) [slachtoffer 9] en

10) [slachtoffer 10] en

11) [slachtoffer 11] en

12) [slachtoffer 12] en

13) [slachtoffer 13] en

14) [slachtoffer 14] en

15) [slachtoffer 15] en

16) [slachtoffer 16] en

18) [slachtoffer 19] en

19) [slachtoffer 20] en

20) [slachtoffer 21] en

21) [slachtoffer 22] en

22) [slachtoffer 23] en

23) [slachtoffer 24] en

24) [slachtoffer 25] en

25) [slachtoffer 26] en

26) [slachtoffer 27 en 28] en

27) [slachtoffer 29] en

29) [slachtoffer 30] en

30) [slachtoffer 32] en

31) [slachtoffer 33] en

32) [slachtoffer 34] en

33) [slachtoffer 35]

en welk geld verdachte telkens anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep als financieel dienstverlener/adviseur en inkomensbeheerder en schuldhulpverlener, van die cliënten onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte voor de duur van 5 jaar wordt ontzet van het recht het beroep van financieel- en schuldhulpverlener uit te oefenen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende lange tijd schuldig gemaakt aan het verduisteren van gelden waarover hij in het kader van zijn schuldhulpverleningsbureau [naam bedrijf] kon beschikken en die bedoeld waren om de cliënten van [naam bedrijf] financieel te helpen en te ondersteunen. Verdachte heeft deze gelden zonder medeweten en toestemming van de cliënten gebruikt voor de uitbreiding van zijn bedrijf waardoor hij dit geld niet aan zijn cliënten kon doen toekomen of ten behoeve van zijn cliënten kon (doen) besteden. De handelwijze van verdachte heeft uiteindelijk geleid tot het faillissement van [naam bedrijf] , waardoor een groot aantal benadeelden voor (nog grotere) financiële problemen en onzekerheden werden gesteld. Verdachte heeft het vertrouwen dat deze cliënten in hem gesteld hadden geschaad en daarnaast is de reputatie van de beroepsgroep van schuldhulpverleners door het strafwaardig handelen van verdachte negatief beïnvloed.

Bij ernstigere vormen van verduistering, zoals in dit geval aan de orde, is het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur het uitgangspunt. De rechtbank acht in dit concrete geval het opleggen van een gevangenisstraf echter niet passend. De rechtbank houdt er rekening mee dat het gaat om oude feiten, dat verdachte niet eerder voor verduistering is veroordeeld, dat verdachte niet heeft gehandeld met het oog op zelfverrijking, dat verdachte zijn bedrijf [naam bedrijf] , waar hij, zo is gebleken ter terechtzitting, vele jaren met hart en ziel heeft gewerkt, is kwijt geraakt en dat zijn handelwijze ook negatieve financiële gevolgen voor hemzelf heeft gehad. Tevens weegt de rechtbank mee dat verdachte zich op de zitting van 5 juli 2017 bereid verklaard heeft om, met tussenkomst van zijn advocaat, de door hem gedupeerde slachtoffers van nadere stukken en uitleg te voorzien.

De rechtbank zal aan verdachte een werkstraf van na te noemen duur opleggen, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Met dat laatste beoogt de rechtbank enerzijds uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten en anderzijds verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nieuwe strafbare feiten te plegen.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte ontzetten van het recht tot uitoefening van zijn beroep van financieel dienstverlener/adviseur, budget- en inkomensbeheerder en schuldhulpverlener teneinde een herhaling van de bewezenverklaarde strafbare feiten te voorkomen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een schriftelijke vordering tot schadevergoeding:

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 36] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 26] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 33] [slachtoffer 34] en [slachtoffer 35] .

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de benadeelde partijen op grond van het nog niet afgewikkelde faillissement van verdachte en gezien artikel 26 van de Faillissementswet niet ontvankelijk zijn in hun vordering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan een behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen niet kan worden toegekomen omdat het aan verdachte ten laste gelegde niet bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

Uit het procesdossier is gebleken dat het faillissement van verdachtes eenmanszaak [naam bedrijf] op 11 maart 2014 is uitgesproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het faillissement nog niet is afgewikkeld. De vorderingen van voormelde benadeelde partijen zijn ontstaan voor de datum van het faillissement. Dit brengt met zich dat deze vorderingen rechtsvorderingen zijn die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel. Dergelijke vorderingen kunnen uitsluitend worden ingesteld door deze vorderingen ter verificatie aan te melden bij de curator in het faillissement. De artikelen 26 juncto 110 Faillissementswet bieden een exclusieve procedure voor de afwikkeling van vorderingen op de failliete boedel, welke procedure niet kan worden doorkruist door een andere procedure zoals de voeging in het strafproces. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen in de onderhavige strafzaak.

Ten aanzien van de wettelijke mogelijkheid om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht ten behoeve van voormelde benadeelde partijen op te leggen, overweegt de rechtbank het volgende.

Door de faillietverklaring heeft verdachte van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen verloren (artikel 23 Faillissementswet). De in het faillissement benoemde curator voert het beheer over verdachtes failliete boedel en gedurende de looptijd van het faillissement kan en mag verdachte niet enige in het kader van deze strafzaak opgelegde betalingsverplichting voldoen. Reeds op grond hiervan ziet de rechtbank geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat het niet-nakomen van de betalingsverplichting uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel bedreigd wordt met vervangende hechtenis. Deze vervangende hechtenis zou door de onmogelijkheid van verdachte om aan zijn betalingsverplichting te voldoen in werking kunnen treden, hetgeen in een dergelijk geval is op te vatten als het opleggen van een extra straf. Dit is in strijd met de bedoeling van de regeling van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast weegt de rechtbank in het onderhavige geval mee dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot degenen die een vordering ingediend hebben, zou leiden tot een onrechtvaardig onderscheid met de slachtoffers die geen vordering hebben ingediend.

Gezien voorgaande overwegingen ziet de rechtbank af van het ambtshalve opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Bepaalt dat veroordeelde gedurende 5 jaren wordt ontzet van het recht om het beroep van financieel dienstverlener/adviseur, budget- en inkomensbeheerder en schuldhulpverlener uit te oefenen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 36] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 26] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 33] [slachtoffer 34] en [slachtoffer 35] in hun vordering niet-ontvankelijk zijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. C.M.M. Oostdam en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juli 2017.