Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:259

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
LEE 16-2096
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:866, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Grafrechten zijn van rechtswege vervallen omdat niet binnen voorgeschreven termijn om overschrijving op andere naam is verzocht. Vervallen grafrechten kunnen niet alsnog worden overgeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/2096

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te West-Terschelling, eiser

(gemachtigde: mr. W.G.H.M. van der Putten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Petersen).

Procesverloop

Bij besluiten van 13 november 2015 (de primaire besluiten) heeft verweerder eisers verzoeken tot overschrijving van de grafrechten van de graven [nummer 1] en [nummer 2] gelegen op de algemene begraafplaats aan de Longway te West-Terschelling geweigerd.

Bij besluit van 15 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016, waarbij eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Bij brief van 16 september 2015 heeft eiser verweerder verzocht om schriftelijke goedkeuring om de grafrechten op de graven van zijn oud-oom [naam 1] en oud-tante [naam 2] over te nemen van zijn oud-tante [naam 2] . Verweerder heeft voornoemde brief opgevat als een verzoek om overschrijving van genoemde grafrechten op naam van eiser.

2. Bij de primaire besluiten heeft verweerder geweigerd om de grafrechten over te schrijven op eisers naam. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat de grafrechten aan de gemeente Terschelling zijn vervallen en dat geen recht op overschrijving bestaat. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en zijn primaire beslissing gehandhaafd.

4. Eiser stelt in beroep - samengevat - dat verweerder ten onrechte aanneemt dat de grafrechten op basis van de Verordening betreffende het vervoeren en begraven van lijken en omtrent het gebruik en beheer van de algemene begraafplaats aan de Longway te West-Terschelling, genaamde "De Nieuwe Algemene Begraafplaats" van 18 december 1947 (hierna: de Verordening 1947) zijn vervallen. Eiser is van mening dat grafrechten onder de werking van de Verordening 1947 niet van rechtswege konden vervallen. Daartoe was volgens eiser een besluit noodzakelijk. Nu een dergelijk besluit niet genomen is, had verweerder artikel 13, vierde lid, van de Verordening op de gemeentelijke begraafplaatsen van de gemeente Terschelling 2004 (hierna: de Verordening 2004) moeten toepassen. Het vierde lid bepaalt dat een grafrecht kan worden overgeschreven mits het graf niet is geruimd. Het al dan niet vervallen zijn van de grafrechten kan naar de mening van eiser niet in de weg staan aan overschrijving.

5. Verweerder handhaaft in beroep zijn standpunt zoals verwoord in het bestreden besluit. Daarbij licht verweerder toe dat indien een grafrecht is vervallen dit grafrecht er juridisch niet meer is en dus niet kan worden overgeschreven. Verweerder geeft verder aan dat eiser een aanvraag kan doen voor vestiging van een nieuw grafrecht op één van de graven [nummer 1] of [nummer 2] .

6. De rechtbank stelt aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat als laatste rechthebbende van de graven [naam 2] vermeld staat. In het graf [nummer 1] is op 26 juni 1964 genoemde rechthebbende begraven. In het graf [nummer 2] is op

2 februari 1960 [naam 1] begraven.

7. Tussen partijen is allereerst in geschil of de grafrechten al dan niet op basis van de Verordening 1947 aan de gemeente Terschelling zijn vervallen.

7.1.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening 1947 worden de eigen graven en huurgraven gesteld op naam van één persoon en worden bij het overlijden van de rechthebbende overgeschreven op een zijner erfgenamen, mits deze binnen een jaar na dat overlijden een daartoe strekkend verzoek bij Burgemeester en Wethouders heeft ingediend en de kosten van overschrijving voldaan zijn; anders vervalt het recht op het graf.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat de tekst van voornoemd artikellid niet anders uitgelegd kan worden dan dat een grafrecht een jaar van het overlijden van de rechthebbende van rechtswege komt te vervallen, tenzij een erfgenaam binnen die periode verzoekt om overschrijving. Nu van een dergelijke overschrijving niet is gebleken en deze ook niet is bijgeschreven op de grafkaarten van [nummer 1] en [nummer 2] kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de grafrechten op de graven [nummer 1] en [nummer 2] op 25 juni 1965 van rechtswege zijn komen te vervallen.

8. Vervolgens verschillen partijen van mening over de vraag of, indien de grafrechten zijn komen te vervallen, toepassing gegeven kan worden aan artikel 13, vierde lid, van de Verordening 2004.

8.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Verordening 2004 kan een grafrecht op aanvraag van de rechthebbende of de gebruiker door het college van burgemeester en wethouders worden overgeschreven ten name van de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel, een bloed- of aanverwant, of een andere nabestaande dan wel een rechtspersoon die de zorg voor het graf op zich neemt.

Ingevolge het vierde lid kan het college van burgemeester en wethouders het grafrecht overschrijven, indien na 6 maanden na het overlijden van de rechthebbende alsnog een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend, tenzij dit recht betrekking heeft op een graf dat inmiddels is geruimd.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat artikel 13, vierde lid, van de Verordening 2004 ziet op bestaande grafrechten. Nu de grafrechten [nummer 1] en [nummer 2] zijn komen te vervallen, kan geen toepassing worden gegeven aan genoemd artikellid.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Nolles, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.