Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2585

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
LEE 16/4426
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zorgvuldig medisch onderzoek. In bezwaar- en beroepsfase gelegenheid gehad om (nadere) medische gegeven in het geding te brengen. Verwijzing naar uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat deugdelijk gemotiveerde conclusies over de gezondheidstoestand van eiseres. Geen reden voor het stellen van een urenbeperking. Geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport op toereikende en inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom de geselecteerde functies, met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen, voor eiseres geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4426

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Rijnsburger),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: T.R. Vallinga).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 maart 2017 heeft eiseres een expertiserapport van 3 maart 2017 van medisch adviseur en burn-out coach K. [naam van de medisch adviseur] , in geding gebracht.

Bij brief van 1 mei 2017 heeft verweerder een reactie van 24 april 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is op 8 april 2013 met lichamelijke klachten (vermoeidheid en gewrichtsklachten) uitgevallen voor haar werk als verkoopmedewerkster voor 32 uur per week. Op 22 december 2014 heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd.

1.2.

De verzekeringsarts heeft eiseres onderzocht op het spreekuur van 9 maart 2016 en informatie opgevraagd bij de behandelaar van eiseres. Zij heeft in haar rapport van 31 maart 2016 mede op basis van de beschikbare medische informatie vastgesteld dat bij eiseres sprake is fibromyalgie, psychische klachten en ptss. Als rechtstreeks gevolg hiervan is sprake van verminderde benutbare mogelijkheden, maar eiseres kan deze mogelijkheden duurzaam benutten. Op 31 maart 2016 heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn onder meer beperkingen aangegeven ten aanzien van persoonlijk functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen een aantal gangbare functies geduid. Het betreft de functies van wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), textielproductenmaker (geen machines bedienen) (SBC-code 111160) en samensteller kunststof- en rubberindustrie (SBC-code 271130). Op basis van die functies is eiseres, volgens de arbeidsdeskundige, in staat om meer dan 65% van haar maatmanloon te verdienen.

1.3.

Verweerder heeft in het primaire besluit vastgesteld dat eiseres in aansluiting op de toepasselijke wachttijd meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd, zodat zij met ingang van 4 april 2016 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.

1.4.

In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 17 augustus 2016 geconcludeerd dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest en dat de beperkingen die uit dat onderzoek naar voren zijn gekomen voldoende zijn onderkend bij het opstellen van de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens het rapport van 12 september 2016 de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres onderschreven. Dit heeft geleid tot het onder ‘Procesverloop’ genoemde bestreden besluit.

2. Het bestreden besluit gaat over het niet toekennen van een WIA-uitkering aan eiseres, omdat zij meer dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daaraan ligt ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 augustus 2016 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 september 2016.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op de gronden die eiseres daartoe aanvoert, zal hierna worden ingegaan.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres met ingang van 4 april 2016 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Dat doet de rechtbank door eerst te toetsen of de voor eiseres aangenomen medische beperkingen op de juiste wijze zijn vastgesteld. In dat kader onderzoekt de rechtbank of het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en of de uitkomst van het medisch onderzoek juist is. Daarna beoordeelt de rechtbank of eiseres met de in de FML vastgelegde beperkingen in theorie de functies kan verrichten die de arbeidsdeskundige heeft geduid.

4.2.

Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest. Zij stelt in dit verband dat het onderzoek slechts 45 minuten heeft geduurd en dat zij maar summier is onderzocht. Ook is het onderzoek onzorgvuldig geweest omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook eerder betrokken is geweest bij de beoordeling van de re-integratieactiviteiten in het kader van de verrichte inspanningen door de werkgever en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dus bevooroordeeld was. Daarnaast voert eiseres aan dat de uitkomst van het medisch onderzoek niet juist is. Zij is namelijk meer beperkt dan door verweerder is aangenomen.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) zorgvuldig is geweest. Voor dat oordeel is van belang dat uit het in 1.2 vermelde rapport van de verzekeringsarts blijkt dat deze eiseres op een spreekuur van

9 maart 2016 heeft gezien en lichamelijk heeft onderzocht en tevens informatie heeft opgevraagd bij psycholoog [naam behandelaar] , de behandelaar van eiseres. Uit het in 1.4 vermelde rapport blijkt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de dossiergegevens heeft bestudeerd en eiseres lichamelijk heeft onderzocht tijdens het spreekuur van 9 augustus 2016. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis genomen van de aanwezige medische informatie en deze kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Zij heeft daarbij oog gehad voor de door eiseres naar voren gebrachte klachten. Dat, naar eiseres stelt, de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van een aan de werkgever opgelegde loondoorbetalingsverplichting vanwege onvoldoende re-integratie verplichtingen eiseres ook al heeft onderzocht, duidt er nog niet op dat het onderzoek in het kader van de beoordeling van de WIA-aanvraag bevooroordeeld is verricht. Daar komt bij – zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht heeft uiteengezet – dat het bij de WIA-beoordeling gaat om een geheel ander toetsingskader dan de beoordeling of voldoende re-integratie inspanningen zijn verricht. Ook overigens kan uit vorenbedoeld rapport niet worden afgeleid dat sprake is van vooringenomenheid aan de zijde van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 24 april 2017 dat ten aanzien van de benaderwijze sprake is van alternatief onderzoek, is geen reden om anders te oordelen. De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken van enig aanknopingspunt voor de (subjectieve) stelling van eiseres dat zij zich onvoldoende gehoord heeft gevoeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om in de bezwaar- en beroepsfase (nadere) medische stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat verweerder haar beperkingen heeft onderschat. Zo heeft eiseres in beroep het expertiserapport van 3 maart 2017, met bijlagen, van [naam van de medisch adviseur] in geding gebracht. Dit houdt in dat in de beroepsfase dus evenwicht heeft bestaan met betrekking tot de mogelijkheid bewijsmateriaal aan te dragen over de mate van de door eiseres op de datum in geding in aanmerking te nemen beperkingen. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226).

4.5.

De rechtbank is inhoudelijk van oordeel dat verweerder de voor eiseres met ingang van 4 april 2016 in aanmerking te nemen beperkingen juist heeft vastgesteld met de FML.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 17 augustus 2016 vastgesteld dat geen sprake is van medisch objectiveerbare afwijkingen die meer beperkingen rechtvaardigen. Hoewel de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport heeft erkend dat eiseres vermoeidheidsklachten en pijnklachten heeft, heeft zij op inzichtelijke wijze uitgelegd waarom er toch geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen omdat geen sprake is van medisch objectiveerbare afwijkingen die dit kunnen rechtvaardigen en vanwege het ontbreken van psychiatrische diagnoses. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat verband ook gemotiveerd uitgelegd dat, hoewel eiseres beperkingen en handicaps ondervindt, een logische samenhang tussen de stoornis, beperkingen en handicap niet valt aan te wijzen en dat aan de eigen beleving van eiseres geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De rechtbank kan deze uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen.

4.6.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om de door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) vastgestelde beperkingen van eiseres onjuist te achten of om aan te nemen dat de beperkingen niet goed zijn weergegeven in de FML van 31 maart 2016. Uit het in beroep ingebrachte expertiserapport van medisch adviseur [naam van de medisch adviseur] van 3 maart 2017, blijkt niet van zwaardere beperkingen dan door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) zijn aangenomen. [naam van de medisch adviseur] concludeert na onderzoek in haar rapport dat eiseres tijdelijk arbeidsongeschikt is, aangezien zij behandeld dient te worden voor een aandoening (burn-out) en dat het herstel van eiseres naar verwachting 12 tot 18 maanden gaat duren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 24 april 2017 gereageerd op het rapport van [naam van de medisch adviseur] en daarin gemotiveerd en inzichtelijk uiteengezet dat geen aanleiding wordt gezien het eerder ingenomen standpunt over de in de FML voor eiseres vastgelegde belastbaarheid te wijzigen. De rechtbank tekent daarbij aan dat nergens uit blijkt dat het expertiserapport van [naam van de medisch adviseur] ziet op de datum in geding, 4 april 2016. De ter zitting geponeerde stelling dat het expertiserapport van [naam van de medisch adviseur] wel ziet op de in geding zijnde datum, slaagt niet, omdat voor die stelling geen aanwijzing is te vinden. De overgelegde vragenlijsten en de onderzoeken, nog daargelaten dat de uitkomsten daarvan ook niet zien op de datum in geding, geven ook geen aanleiding om meer beperkingen voor eiseres aan te nemen, reeds omdat verweerder een andere beoordelingssystematiek in het kader van de Wet WIA hanteert. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet of op onvoldoende wijze rekening heeft gehouden met de medische toestand van eiseres op 4 april 2016.

4.7.

De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van eiseres ter zitting op het programma monitor van 9 april 2017 over het verschil in beoordeling door verschillende Uwv kantoren, omdat het gaat om algemene informatie die niet is toegespitst op de situatie van eiseres. Eiseres kan zich in dat verband niet met vrucht beroepen op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2017 (ECLI:NL:RBROT:2016:2984), reeds omdat de daarin aan de orde zijnde feiten en omstandigheden verschillen van die in dit geding en dus geen sprake is van een gelijk geval.

4.8.

Op basis van de bevindingen bij het onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat er geen reden is voor het stellen van een urenbeperking. Hiertoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis, een ernstige lichamelijke aandoening die gepaard gaat met een verminderde energetische belastbaarheid en dat eiseres geen intensieve behandeling volgt waardoor zij minder beschikbaar is voor werk. Ook preventief acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep een urenbeperking niet noodzakelijk. Gelet op deze duidelijke en goed gemotiveerde onderbouwing, volgt de rechtbank de conclusie van verweerder dat er geen aanleiding bestaat voor het stellen van een urenbeperking voor eiseres.

4.9.

Ten aanzien van het ter zitting gedane verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan pas tot benoeming van een deskundige overgaan als er sprake is van twijfel aan de rapportages van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep). Omdat die twijfel in het geval van eiseres er niet is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke medische deskundige. Eiseres heeft – zoals in 4.4 reeds is overwogen – voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt medisch te onderbouwen. De beroepsgrond tegen de medische grondslag van het bestreden besluit slaagt niet.

4.10.

Ten aanzien van de juistheid van de arbeidskundige beoordeling overweegt de rechtbank het volgende. Uitgaande van de juistheid van de FML moet eiseres in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies – gegeven de daarin voorkomende belasting – te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft – na overleg met een arbeidsdeskundig analist en met de verzekeringsarts bezwaar en beroep – bij rapport van 12 september 2016 op toereikende en inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom de geselecteerde functies, met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen, voor eiseres geschikt zijn. De beroepsgrond tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit slaagt evenmin.

5. Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Verweerder heeft op basis daarvan terecht vastgesteld dat voor eiseres met ingang van 4 april 2016 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.