Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2584

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
18/830064-17 en 01/224276-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord Nederland heeft een 31-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden voor het plegen van diverse diefstallen. Daarnaast heeft zij de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830064-17

parketnummer 01/224276-15 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. K. Post.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 november 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een of meer geldautomaten (van wasmachines in wasruimte) in studentenflat aan [straatnaam] heeft weggenomen geld(cassettes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.

hij op of omstreeks 11 november 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit winkel [naam bedrijf] aan [straatnaam] ) heeft weggenomen een of meer ringen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf]

en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 19 november 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning [straatnaam] heeft weggenomen een telefoon (Iphone 6, goudkleurig), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 23 november 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning aan [straatnaam] heeft weggenomen een geldbedrag van 100 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

hij op of omstreeks 27 november 2016 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij die woning heeft aangebeld, en/of (vervolgens) heeft getracht de achterdeur te forceren/openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 5 ten laste gelegde nu hij dit feit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Voor de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft hij veroordeling gevorderd nu hij van mening is dat voor deze feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte bij de politie heeft aangegeven dat hij de persoon is die te zien is op de zogenoemde video-still uit het dossier. Op de video-still staat hij bij de liftdeuren. Op de ter terechtzitting getoonde beelden van de wasmachineruimte is een persoon van bovenaf te zien, maar onduidelijk is of dit verdachte is. Ook de handelingen die de persoon uitvoert zijn onduidelijk. Voorts is de datum die in de hoek op de camerabeelden is te zien niet de door aangever genoemde en ten laste gelegde datum

7 november 2016, maar 5 november 2016 en, naar mate de tijd verstrijkt, 6 november 2016. In de tussentijd kunnen meerdere mensen in de wasmachineruimte zijn geweest die de geldautomaten hebben leeggehaald, zodat naar de mening van de raadsman het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de persoon die op de ter terechtzitting getoonde videobeelden is te zien niet te herkennen is als verdachte. Bovendien heeft de aangever verklaard dat de persoon in de winkel aan de linkerzijde in zijn nek een tatoeage had. Dat komt niet overeen met verdachte. Er is geen overtuigend bewijs dat verdachte deze diefstal heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat aangeefster heeft ontdekt dat haar telefoon weg is, nadat verdachte haar woning heeft verlaten. Verdachte heeft ontkend dat hij de telefoon heeft gestolen. Op grond van de bewijsmiddelen kan niet worden uitgesloten dat een andere persoon de telefoon heeft weggenomen of dat aangeefster deze is kwijtgeraakt.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat er weliswaar DNA-sporen van verdachte in de woning zijn aangetroffen, maar dat hieruit niet zonder meer volgt dat verdachte degene is geweest die deze sporen in de woning heeft achtergelaten. Het is mogelijk dat een ander bloed van verdachte heeft meegenomen en in de woning van aangever heeft achtergelaten.

Oordeel van de rechtbank

Feiten 3 en 5

De rechtbank acht het onder 3 en 5 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank hierbij dat uit de omstandigheid dat, zoals uit de aangifte naar voren komt, aangeefster haar telefoon miste nadat verdachte haar woning had verlaten, niet zonder meer de conclusie kan volgen dat verdachte deze heeft weggenomen.

Feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 november 2016, opgenomen op pagina 46 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017052610/2016314758 d.d. 1 maart 2017, inhoudende als verklaring van
[slachtoffer 5] :

Ik ben eigenaar/beheerder van de studentenflat aan de [straatnaam] te Groningen. Vanmorgen, maandag 7 november 2016 omstreeks 06.45 uur, wilde ik de geldautomaten op de wasmachines legen. Ik zag echter dat drie automaten waren opengebroken en dat de geldcassettes waren weggenomen. Ik denk dat in totaal ongeveer 600 à 700 euro is weggenomen. De centrale toegang en de ruimte waar de wasmachines staan, staan onder cameratoezicht.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2017, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Op 7 november 2016 werd er een aantal wasautomaten opengebroken in een

studentenflat in Groningen.

O: Verdachte wordt een fotoprint getoond afkomstig van de beelden van de ruimte van

de wasmachines.1

V: Ja dat ben ik.

3. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 29 juni 2017, voor zover van belang inhoudende:

Op het als eerste ter terechtzitting getoonde videofragment (eindigend met nummer 3414.mp4) ziet de rechtbank een man met Aziatische gezichtskenmerken. Hij draagt donkere kleding en een pet met een witte afdruk en een witte bovenklep. De rechtbank ziet dat de man vanuit de lift gezien rechts afslaat. Dit is volgens het tijdstip weergegeven op de camerabeelden op 5/11/2016 om 23.52 uur. Op het als tweede ter terechtzitting getoonde videofragment (eindigend met nummer 5025.mp4) ziet de rechtbank van bovenaf een ruimte met daarin wasmachines. Volgens het tijdstip weergegeven op de camerabeelden komt op 11/5/2016 om 23.53 uur een man deze ruimte inlopen met donkere kleding en een pet op. De rechtbank constateert dat sprake is van een gelijkenis met de man die te zien is in het eerste videofragment. De rechtbank ziet dat de man langere tijd stilstaat bij een wasmachine en handelingen uitvoert. Hij heeft daarbij een voorwerp in zijn hand. Op een gegeven moment loopt de datum weergegeven op de camerabeelden door naar 11/6/2016. Voorts stelt de rechtbank vast dat op het eerste videofragment te zien is dat aan de linkerzijde een rode bank staat. Op het tweede videofragment is te zien dat links een rode bank staat.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de persoon is die te zien is op de video-still genomen van het videofragment bij de liftdeuren. Ter terechtzitting is dit videofragment en het videofragment van de ruimte waar de wasmachines staan getoond. De rechtbank stelt vast dat verdachte volgens de tijdsweergave van het eerste videofragment op 5/11/2016 om 23.52 uur vanuit de lift rechtsaf is geslagen. De rechtbank constateert dat de rode bank welke te zien is op de achtergrond in dit eerste videofragment ook te zien is aan de linkerzijde op het tweede videofragment. De rechtbank stelt vast dat verdachte door rechtsaf te slaan in de richting van de wasmachineruimte is gelopen. Op het tweede videofragment is een man te zien die volgens de rechtbank, gelet op zijn donkere kleding en pet, een gelijkenis vertoont met de man die te zien is op het eerste videofragment. Mede gelet op het tijdstip van binnenkomst, te weten 11/5/2016 om 23.53 uur, dat kort volgt op het tijdstip dat verdachte uit de lift is vertrokken, gaat de rechtbank ervan uit dat de man op het tweede videofragment bij de wasmachines eveneens verdachte is. Hierbij merkt de rechtbank op dat de tijdsaanduiding tussen beide videofragmenten kennelijk verschilt in die zin dat bij het eerste videofragment de volgorde dag-maand-jaar is en bij het tweede videofragment maand-dag-jaar, gezien het feit dat in het tweede videofragment na middernacht de datum van 11/5/2016 doorloopt naar 11/6/2016. Op het tweede videofragment is te zien dat verdachte langere tijd met een voorwerp in zijn hand handelingen uitvoert bij een wasmachine. Nu dit geen gebruikelijke handelingen zijn die uitgevoerd worden bij een wasmachine en er blijkens de aangifte van Vegter geldautomaten behorende bij de wasmachines zijn opengebroken, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich aan de onder 1 ten laste gelegde diefstal met verbreking schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank overweegt verder dat aangever er kennelijk vanuit is gegaan dat de pleegdatum
7 november 2016 is geweest, nu hij die ochtend de diefstal heeft ontdekt. Dit sluit echter niet uit dat de diefstal in de nacht van 5 op 6 november 2016 is gepleegd, zoals uit de camerabeelden blijkt. Bewezen verklaard wordt dan ook dat verdachte het feit omstreeks
7 november 2016 heeft gepleegd.

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 november 2016, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op vrijdag 11 november 2016, omstreeks 16.15 uur was ik werkzaam in de [naam bedrijf]

gevestigd aan de [straatnaam] te Groningen. Ik

ontdekte rond deze tijd dat ik een plateau met ringen kwijt was. Ik heb toen de beveiliging gebeld en heb samen met hem de gemaakte beveiligingsbeelden bekeken. Op deze beelden is te zien dat er op vrijdag 11 november 2016, omstreeks 14.40 uur, een persoon in de zaak verschijnt. Ik zag op de beelden dat de dader zich langere tijd in de winkel ophoudt en op een gegeven moment over de vitrine heen buigt. Ik zag op de beelden dat de dader op dat moment het plateau met ringen pakt en onder zijn jas stopt. Ik zag op de beelden dat de man daarna de zaak uitloopt. Ik kan de dader als volgt omschrijven: Blank, 180 cm, normaal postuur, rond de 20 jaar, tatoeage in zijn nek, zwarte pet met witte letters, verder in het zwart gekleed.

2. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 29 juni 2017, voor zover van belang inhoudende:

Op de beelden getoond ter terechtzitting (eindigend met nummer 5325.mp4) ziet de rechtbank een man in donkere kleding en een pet met witte letters, die de winkel binnenkomt. Gelet op de stand van de ogen, breedte van de neus en vorm van het gezicht stelt de rechtbank vast dat sprake is van een sterke gelijkenis tussen de man op de beelden en verdachte ter terechtzitting aanwezig. Op het moment dat de man voor de toonbank staat is te zien dat hij links geen tatoeage in zijn nek heeft. Na ongeveer negen minuten is te zien dat de man achter een vaas met bloemen staat en een lichtkleurig voorwerp onder zijn jas stopt. Hij herschikt zijn jas en loopt weg. Voorts heeft de rechtbank ter terechtzitting waargenomen dat verdachte een tatoeage heeft laten zien die zich aan de rechterzijde van zijn nek bevindt.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft de beelden van de juwelierszaak ter terechtzitting bekeken en heeft daarbij vastgesteld dat de man op de beelden sterke gelijkenis vertoont met verdachte. Aangever heeft bij het geven van het signalement van de man verklaard dat deze man links een tatoeage in zijn nek heeft. De rechtbank heeft op de beelden waargenomen dat bij de man aan de linkerzijde van zijn nek geen tatoeage zichtbaar is. Gelet daarop begrijpt de rechtbank de verklaring van aangever over de tatoeage dan ook zo, dat de tatoeage vanuit het perspectief van aangever links in de nek zichtbaar was, zodat deze aldus aan de rechterzijde zat. Ter terechtzitting heeft verdachte de rechtbank laten zien dat hij rechts in zijn nek een tatoeage heeft. Gelet op de door de rechtbank geconstateerde sterke gelijkenis en de door de aangever waargenomen tatoeage is de rechtbank van oordeel dat de man op de videobeelden verdachte betreft. De rechtbank heeft voorts waargenomen dat verdachte een lichtkleurig voorwerp, welke door aangever is aangeduid als het plateau met ringen, onder zijn jas stopt en vervolgens wegloopt. De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen de onder 2 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 4

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 december 2016, opgenomen op pagina 75 e.v. van het voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op woensdag 23 november 2016, omstreeks 07.00 uur, heb ik samen met mijn partner onze

woning aan de [straatnaam] te Groningen verlaten. Toen ik op woensdag 23 november 2016, omstreeks 18.30 uur, terugkwam bij mijn woning zag ik vrijwel direct dat de schuifpui was ingegooid met een grote steen, welke in de woonkamer lag. Tevens zag ik dat het glas van de schuifpui in de woonkamer lag. Ook zag ik diverse bloeddruppels in de woonkamer en keuken liggen, welke niet van mij afkomstig zijn. Tevens zag ik dat er bloed zat op een deurklink van de kamerdeur richting de hal. Vervolgens ben ik naar boven gelopen en zag ik dat er diverse lades openstonden in de slaapkamers. Ook hier lagen verschillende druppels bloed. Voor zover ik kan zien is er alleen contant geld weggenomen. Het gaat om 100 euro.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek d.d.
28 november 2016, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Ik zag dat aan de binnenzijde van de schuifpui in de ruit een groot gat zat. Ik zag dat er deuken in het parket en op het deurtje van een keukenkastje zaten. Het is aannemelijk dat de dader met kracht de zwerfkei door de ruit heeft gegooid, ten gevolge waarvan een groot gat in de ruit en schade aan het parket en het keukenkastje is ontstaan. Ik zag dat op het parket in de keuken en de woonkamer diverse bloeddruppels lagen. Een bloeddruppel in het midden van de woonkamer ter hoogte van de haldeur en het bloedveegspoor op de eerste verdieping werden door mij op de voorgeschreven wijze bemonsterd en veiliggesteld respectievelijk onder SIN AAJP5917NL en SIN AAJP5918NL.

3. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: NFI), zaaknummer 2016.12.20098, d.d. 28 december 2016 opgemaakt door ing. S. Redeker, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als haar verklaring:

Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek:

SIN AAJP5917NL#01 Bloed:

DNA-profiel van een man; celmateriaal kan afkomstig zijn van [verdachte] ; matchkans: kleiner dan één op één miljard

SIN AAJP5918NL#01 Bloed:

DNA-profiel van een man; celmateriaal kan afkomstig zijn van [verdachte] ;

matchkans: kleiner dan één op één miljard

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de aangifte en het sporenonderzoek volgt dat bij de woning van aangever een glazen schuifpui is ingegooid met een steen en dat er bloeddruppels zijn aangetroffen op diverse plaatsen in de woning. Na onderzoek van het NFI is gebleken dat met een matchkans van kleiner dan één op één miljard het bloed afkomstig kan zijn van verdachte. De rechtbank acht het onaannemelijk dat, zoals door de verdediging zonder nadere onderbouwing is aangevoerd, een ander bloed van verdachte in de woning van aangever heeft achtergelaten. Gelet op het feit dat de dader van de inbraak door de ingegooide ruit van de schuifpui is binnengekomen, zijn de in de woning aangetroffen bloedsporen naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als dadersporen. De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks 7 november 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit geldautomaten van wasmachines in een wasruimte in een studentenflat aan de [straatnaam] heeft weggenomen geldcassettes, toebehorende aan [slachtoffer 5] , waarbij verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

2.

hij op 11 november 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit winkel [naam bedrijf] aan de [straatnaam] heeft weggenomen ringen, toebehorende aan [naam bedrijf] en/of [slachtoffer 1] ;

4.

hij op 23 november 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [straatnaam] heeft weggenomen een geldbedrag van 100 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal, waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

2. Diefstal.

4. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse diefstallen. Hij heeft in een gemeenschappelijke wasautomatenruimte van een studentenflat geldcassettes uit wasmachines gebroken en heeft in een drukke juwelierszaak de kans gezien om een plateau met ringen weg te nemen. Voorts heeft hij een geldbedrag uit een woning weggenomen, nadat hij is binnengekomen door de glazen schuifpui in te slaan met een steen. Dit zijn zeer kwalijke diefstallen. Niet alleen heeft verdachte, door zich schuldig te maken aan deze strafbare feiten, te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen, maar hij heeft ook de eigenaren van de goederen overlast en schade bezorgd. Daarnaast draagt hij door zijn handelen bij aan gevoelens van onveiligheid en onrust in het algemeen. De rechtbank rekent verdachte daarbij ook aan dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie al verschillende malen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Verdachte heeft niet willen meewerken aan het opstellen van een reclasseringsrapport. Uit het op basis van dossierinformatie opgemaakte reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte in een uitzichtloze financiële situatie zit en dat huisvesting ontbreekt, als ook een vorm van dagbesteding en een stabiel of ondersteunend netwerk. Met intensieve begeleiding in de vorm van reclasseringstoezicht is het eerder niet gelukt om verdachte een andere weg te doen inslaan. Nu verdachte niet in gesprek wil met de reclassering ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor verdere begeleiding binnen het kader van reclasseringstoezicht en wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, een gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie passend en geboden is, hoewel de rechtbank een feit minder bewezen heeft verklaard.

Benadeelde partij

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van (€ 1.677,81 + € 169,40 =) € 1.847,21 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De berekening van het weggenomen geldbedrag is voldoende duidelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij in verband met de door hem bepleite vrijspraak moet worden afgewezen. Voorts heeft hij gesteld dat de hoogte van het geldbedrag dat is weggenomen uit de lucht is gegrepen en dat er in de overgelegde berekening daarvan naar een mooi bedrag is toegerekend.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De hoogte van de geleden schade heeft de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd met de overgelegde, en niet althans onvoldoende door de verdediging betwiste, facturen en berekening van het weggenomen bedrag. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 november 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 3 februari 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 17 februari 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 6 juni 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 en 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/830064-17, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.847,21 (zegge: duizendachthonderdzevenenveertig euro en eenentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 1.847,21 (zegge: duizendachthonderdzevenenveertig euro en eenentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

01/224276-15:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te rechtbank 's-Hertogenbosch, d.d. 3 februari 2016, te weten:

2 weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. M.J. Oostveen en mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2017.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Bijlage 2, pagina 29 van het dossier.