Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2582

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
LEE 17-1890
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het betreft de beoordeling van een verzoek tot schorsing van een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming. De voorzieningenrechter ziet geen reden om af te wijken van het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1259) dat de ten aanzien van het PAS geconstateerde gebreken geen aanleiding geven voor het treffen van een voorlopige voorziening. Ook in het gegeven dat de AbRS in de genoemde uitspraak prejudiciële vragen met betrekking tot de verenigbaarheid van het PAS met de Habitatrichtlijn aan het Hof van Justitie heeft gesteld, vindt de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. In het feit dat het Aerius-systeem onvolkomenheden kent, in die zin dat de leefgebieden niet zijn meegenomen, ziet de voorzieningenrechter in dit (specifieke) geval eveneens geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/1890

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2017 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen, verzoekster

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

Gedeputeerde Staten van Drenthe, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de Maatschap [betrokkene] (hierna: vergunninghouder) een vergunning verleend op grond van artikel 2.7 van de Wet Natuurbescherming (Wnb).

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2017. Namens verzoekster is genoemde gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M. Heerings, N. Drenth en R. van der Schuur.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Vergunninghouder exploiteert een veehouderij aan de [perceel] te [plaats]. Aan dit bedrijf is een Wnb-vergunning verleend voor het in werking hebben en wijzigen van een veehouderij. Het bedrijf heeft uitbreiding van de activiteiten aangevraagd in die zin dat de veestapel wordt uitgebreid met 20 melk- en kalfkoeien en 80 stuks vrouwelijk jongvee < 2 jaar. De uitbreiding leidt tot een verhoging van de totale emissie NH3 naar 612 kg/Jr. De hoogste depositie van de bestaande activiteit inclusief de uitbreiding bedraagt 5,09 mol N/ha/Jr op het Fochteloërveen.. De maximale toename ten opzichte van de feitelijk veroorzaakte emissie in 2014 bedraagt op dit gebied 1,07 N/ha/Jr.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder de aangevraagde vergunning verleend. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het PAS en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 januari 2017 in de Wnb, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming is opgenomen. Voor de toename van de stikstofdepositie is ontwikkelingsruimte toebedeeld, nu deze de voor het Fochteloërveen geldende grenswaarde van 1,0 mol N/ha/Jr overschrijdt. De depositie die kan ontstaan door benutting van de (totale) ontwikkelingsruimte die in het PAS per hectare van een stikstofgevoelig habitattype in een Natura 2000-gebied is berekend, is voor het PAS passend beoordeeld. De vergunning is verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beoordeling zal worden beperkt tot het door verzoekster ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en dat niet wordt overgegaan tot een gelijktijdige afdoening van het (connexe) beroep dat is ingesteld door verzoeker. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster ter zitting heeft aangegeven in de bodemprocedure tegenbewijs te willen leveren ten aanzien van het door verweerder ingenomen standpunt dat de leefgebieden van de door verzoekster genoemde Roodborsttapuit, de Geoorde Fuut en het Paapje (volledig) overeenkomen met te beschermen (stikstofgevoelige) habitattypes.

5. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat deze beoordeling, gelet op het verzoekschrift, met name ziet op de effecten van de verleende Nbw-vergunning op het Natura 2000-gebied Fochteloërveen. Deze vergunning is door verweerder verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Verzoekster bestrijdt de rechtmatigheid van het PAS. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen reden om af te wijken van het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1259) dat de ten aanzien van het PAS geconstateerde gebreken geen aanleiding geven voor het treffen van een voorlopige voorziening. Ook in het gegeven dat de AbRS in de genoemde uitspraak prejudiciële vragen met betrekking tot de verenigbaarheid van het PAS met de Habitatrichtlijn aan het Hof van Justitie heeft gesteld, vindt de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Kortheidshalve verwijst de voorzieningenrechter voor de motivering daarvan naar voornoemde uitspraak van de AbRS, welke bij partijen bekend mag worden verondersteld.

6. De vraag waarvoor de voorzieningenrechter zich vervolgens gesteld ziet is of in hetgeen verzoekster betoogt een zelfstandige grond kan worden gevonden die tot schorsing van het bestreden besluit zou moeten leiden.

6.1.

Verzoekster stelt zich in dat kader op het standpunt dat de Gebiedsanalyse Fochteloërveen onvolledig is, nu hoofdzakelijk dan wel uitsluitend stikstofgevoelige natuurwaarden zijn beoordeeld voor zover het habitattypen zijn. In de Gebiedsanalyse Fochteloërveen is ten onrechte niet gekeken naar andere leefgebieden dan de aanwezige habitattypen. Verzoekster licht toe dat blijkens de Gebiedsanalyse Fochteloërveen sprake is van enkele beschermde soorten waarvan bekend is dat die soorten zeker dan wel mogelijk afhankelijk zijn van stikstofgevoelige leefgebieden. Het betreft de hier voren reeds genoemde Geoorde Fuut, het Paapje en de Roodborsttapuit. De in de Gebiedsanalyse Fochteloërveen genoemde leefgebieden van deze beschermde soorten zijn volgens verzoekster niet of onvoldoende betrokken in de passende beoordeling en/of de vaststelling van de zogeheten ontwikkelingsruimte. Volgens verzoekster is daardoor niet vast komen te staan dat op stikstofgevoelige leefgebieden van soorten die niet ook habitatzones betreffen geen stikstofdepositie optreedt. Dit betekent dat de ontwikkelingsruimte niet met de vereiste zorgvuldigheid is berekend.

6.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat het PAS geactualiseerd dient te worden. Vanaf 14 juli 2017 ligt in dat kader het gewijzigde programma, inclusief de geactualiseerde gebiedsanalyses, ter inzage. In de geactualiseerde gebiedsanalyses zullen kaarten van de leefgebieden worden opgenomen. Verweerder heeft ter zitting met betrekking tot het Fochteloërveen toegelicht dat de leefgebieden in dit natura 2000-gebied volledig samenvallen met de habitattypen. Dit betekent volgens verweerder dat de effecten op de habitattypen ook gelden voor de soort die gebruikt maakt van het habitattype. Dit zou anders kunnen zijn als de leefgebieden niet zouden samenvallen met de habitattypen. De voorzieningenrechter ziet gelet op de door R. van der Schuur, ecoloog, ter zitting gegeven toelichting vooralsnog aan vorenstaande te twijfelen, zodat geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van deze toelichting aangenomen worden dat de leefgebieden van de in geding zijnde soorten -de Geoorde Fuut, het Paapje en de Roodborsttapuit- volledig samenvallen met de stikstofgevoelige habitattypen die in het Fochteloërveen voorkomen. Nu onbetwist is dat de habitattypen in de Gebiedsanalyse Fochteloërveen zijn meegewogen, betekent dit dat het betoog van verzoekster dat deze Gebiedsanalyse op dit onderdeel onvolledig is, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet gevolgd kan worden. In het gegeven dat het Aerius-systeem onvolkomenheden kent, in die zin dat de leefgebieden niet zijn meegenomen, ziet de voorzieningenrechter daarom in dit (specifieke) geval geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

6.3.

Verzoekster heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter verder geen gronden aangevoerd die tot schorsing van het bestreden besluit zouden moeten leiden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de AbRS in eerder genoemde uitspraak heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de stikstofdepositie die kan ontstaan door benutting van de depositieruimte en de toedeling van ontwikkelingsruimte in de eerste helft van het tijdvak van het PAS (tot 1 juli 2018) onomkeerbare gevolgen zal hebben.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.