Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2521

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
18/830098-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord Nederland heeft een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, opgelegd en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren aan een verdachte die als bestuurder aan het verkeer heeft deelgenomen, terwijl hij verkeerde onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol. Hij heeft daarbij allereerst een aanrijding met een andere personenauto veroorzaakt waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten en met een zeer hoger snelheid is weggereden. Daardoor heeft hij een tweede, dit maal eenzijdig, ongeval veroorzaakt waarbij zijn vriendin - als één van de inzittenden van het voertuig - is omgekomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 592a
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2017/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830098-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2016 te Groningen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Peugeot 206), over de weg/wegen, de Europaweg en/of de Winschoterweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, heeft gereden, hierin bestaande dat hij verdachte

- dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.41 milligram, in elk geval hoger dan de toegestane 0,5 milligram alcohol per liter bloed, bleek te zijn, en/of

- ( vervolgens)

terwijl op die Europaweg een -in verdachtes rijrichting gekeerd- bord van het model B6 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst en/of

op het wegdek van die Europaweg haaientanden in de zin van artikel 80 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 waren geplaatst (beiden) inhoudende: voorrang verlenen aan het verkeer op de kruisende weg (de Winschoterweg),

geen voorrang heeft verleend aan een motorrijtuig (Volvo) rijdende op die Winschoterweg, welk motorrijtuig verdachte van rechts naderde, waardoor, althans mede waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in aanrijding/botsing kwam met dat motorrijtuig en/of

- ( vervolgens) met zeer hoge snelheid, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur zijn, verdachtes, weg heeft vervolgd over die Winschoterweg en/of

- ( vervolgens) met onverminderde snelheid een in die Winschoterweg gelegen flauwe bocht naar links is gereden en/of

- ( vervolgens) (met de rechterwielen van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig) in de (rechts) naast die Winschoterweg gelegen berm is gereden of gegleden, althans terecht is gekomen, waardoor, althans mede waardoor het door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig in een dwarsslip is geraakt en/of

- ( vervolgens) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet of althans onvoldoende, onder controle heeft gehouden, waardoor, althans mede waardoor, het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (vervolgens) tegen een in die berm aangebracht betonnen obstakel is

gebotst/gereden en/of (vervolgens) over de kop is geslagen en/of (vervolgens) in de naast die Winschoterweg gelegen sloot/greppel tot stilstand is gekomen

en zich aldus zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer 1]) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 26 februari 2016 te Groningen als bestuurder van een

voertuig (personenauto, Peugeot 206), daarmee rijdende op de weg, de Europaweg

en/of de Winschoterweg,

- dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende

drank dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als

bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet

1994, 1.41 milligram, in elk geval hoger dan de toegestane 0,5 milligram

alcohol per liter bloed bleek te zijn, en/of

- ( vervolgens)

terwijl op die Europaweg een -in verdachtes rijrichting gekeerd- bord van het

model B6 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 was geplaatst en/of

op het wegdek van die Europaweg haaientanden in de zin van artikel 80 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 waren geplaatst

(beiden) inhoudende: voorrang verlenen aan het verkeer op de kruisende weg (de

Winschoterweg),

geen voorrang heeft verleend aan een motorrijtuig (Volvo) rijdende op die

Winschoterweg, welk motorrijtuig verdachte van rechts naderde, waardoor,

althans mede waardoor, het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in

aanrijding/botsing kwam met dat motorrijtuig en/of

- ( vervolgens) met zeer hoge snelheid, althans met een (aanzienlijk) hogere

snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per

uur zijn, verdachtes, weg heeft vervolgd over die Winschoterweg en/of

- ( vervolgens) met (nagenoeg) onverminderde snelheid een in die Winschoterweg

gelegen flauwe bocht naar links is gereden en/of

- ( vervolgens) (met de rechterwielen van dat door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig) in de (rechts) naast die Winschoterweg gelegen berm is gereden

of gegleden, althans terecht is gekomen,

waardoor, althans mede waardoor, het door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig in een dwarsslip is geraakt en/of

- ( vervolgens) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet of althans

onvoldoende onder controle heeft gehouden,

waardoor, althans mede waardoor,

het door hem, verdachte, motorrijtuig

(vervolgens) tegen een in die berm aangebracht betonnen obstakel is

gebotst/gereden en/of

(vervolgens) over de kop is geslagen en/of

(vervolgens) in de naast die Winschoterweg gelegen sloot/greppel tot stilstand

is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2016 te Groningen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,41 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

3.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Groningen op/aan (de kruising van de Europaweg met) de Winschoterweg, op of omstreeks 26 februari 2016 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]) letsel en/of schade was toegebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 primair (waarbij sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag), 2 en 3 ten laste gelegde gevorderd, nu de feiten naar haar mening wettig en overtuigend te bewijzen zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair om aanhouding van de behandeling van de zaak gevraagd voor nader onderzoek van verdachte (door een psychiater) naar een toestand van bewustzijnsvermindering waarin verdachte ten tijde van beide ongevallen mogelijk heeft verkeerd. Indien daarvan sprake is geweest kan schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 niet worden bewezen en dient verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde dient verdachte in dat geval van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 26 juni 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 26 februari 2016 ben ik na mijn werk, in de namiddag, met mijn zoon en [slachtoffer 1] naar het café gegaan. Ik heb eerst thuis nog een blikje bier gedronken. Ik heb bij de politie verklaard dat ik in het café zes of zeven flessen Heineken bier heb gedronken, maar het kunnen er ook acht of vijf zijn geweest. We zijn daarna met ons drieën in mijn auto richting huis gereden. Ik ben gaan rijden. [slachtoffer 1] zat naast mij en mijn zoon zat achter in. Ik heb de keus gemaakt om te gaan rijden omdat ik me goed voelde. Ik weet nog dat we in de auto stapten en dat [slachtoffer 1] en ik ruzie kregen.

2. Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, nummer 26.02.2016.2015.0284, d.d. 31 maart 2016, inhoudende de relatering van verbalisanten:

(1.4) Conclusie / beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat de ongevallen niet te wijten zijn aan een technisch

gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in rij- c.q. beoordelingsfouten van de be-

stuurder van de Peugeot 206 (met kenteken [nummer]), voertuig 1.

(2.2.1) Wegsituatie locatie 1e eerste ongeval

Het verkeersongeval vond plaats op de kruising gevormd door de Winschoterweg met de

zuidelijke op- en afrit van de Europaweg in Groningen.

De Winschoterweg is aangeduid als voorrangsweg. Voor verkeer dat de kruising nadert over de afrit van de Europaweg wordt dit kenbaar gemaakt door bord B6 van de Bijlage 1 van het Rvv 1990. Ook zijn op het wegdek haaietanden als bedoeld in artikel 80 van het Rvv 1990 aangebracht.

(2.2.4) Verkeersmaatregelen ter plaatse

Voor motorvoertuigen bedroeg de toegestane maximum snelheid op de locatie van het 2e ongeval 60 km/h.

(4.1.3) Berekeningen

De snelheidsberekening voor wat betreft de 2e aanrijding is met de beperkte gegevens niet te

maken, echter gezien de impact van dit ongeval heeft de bestuurder aanzienlijk sneller gere-

den dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 kilometer per uur.

(5.2) Oorzaak, toedracht en gevolg

De bestuurder van voertuig 1, de Peugeot (de rechtbank begrijpt: verdachte), reed via de zuidelijke afrit van de Europaweg in de richting van de kruising met de Winschoterweg. Gekomen bij deze kruising stak hij de oostelijke rijbaan van de Winschoterweg over en naderde hij de kruising met de westelijke rijbaan. Over deze westelijke rijbaan naderde op dat moment de bestuurder van voertuig 2, de Volvo. Deze reed over de rijstrook bestemd voor het links afslaande verkeer met de bedoeling op de kruising linksaf te slaan en de zuidelijk gelegen oprit van de Europaweg op te rijden in de richting van de A7. De bestuurder van voertuig 1 verleende de voor hem van rechts komende en op een voorrangsweg rijdende bestuurder van voertuig 2 geen voorrang en botste tegen de linker achterzijde van dit voertuig. Hierbij ontstond schade aan voertuig 2.

De bestuurder van voertuig 1 verliet zonder zijn identiteit bekend te maken de plaats van het

ongeval en reed weg over de Winschoterweg, in de richting van Westerbroek. Na ongeveer

1300 meter raakte de bestuurder van voertuig 1, in een flauwe bocht naar rechts, met de

rechterwielen naast de rijbaan waarna het voertuig, waarschijnlijk na een stuurcorrectie naar

links, in de slip raakte en de bestuurder de controle over het voertuig verloor. Het voertuig

raakte in een ongecontroleerde slip, waarbij het met de rechter drempel en bodemplaat in

botsing kwam met een in de berm aangebracht obstakel bestaande uit een rechthoekige

plaat van beton met daarop een driehoek eveneens van beton. Door de botsing met dit ob-

stakel sloeg het voertuig vervolgens over de kop, waarna het op de linkerzijkant in de naast

de weg gelegen sloot tot stilstand kwam. Bij dit tweede ongeval raakte de passagiere rechts

voorin het voertuig zodanig ernstig gewond dat zij korte tijd later hieraan is overleden.

(4.1.6) Lijkschouw

De schouw werd op vrijdag 26 februari 2016, omstreeks 23.20 uur, in bijzijn van ons, verbalisanten, verricht door T. van Mesdag, forensisch arts te Groningen. De schouw vond plaats in een traumakamer van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Bij deze schouw bleek dat het slachtoffer als gevolg van inwendige verbloeding was overleden. Dit letsel was te herleiden als gevolg van het ongeval.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 april 2016, opgenomen op pagina 7 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016057580-1, d.d. 13 april 2016, inhoudende als relaas van verbalisant:

Bij of kort na het ongeval is onderstaand persoon overleden:

Achternaam : [slachtoffer 1]

Voornamen : [slachtoffer 1]

Lijkschouwing : 26 februari 2016, 23:20 uur

T. van Mesdag

Rol in relatie tot : Passagier van personenauto [nummer]

aanrijding

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 26 februari 2016, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 26 februari 2016, omstreeks 22:52 uur, heeft de GGD-arts T. van Mesdag1 bloed afgenomen van verdachte [verdachte].

Aanvraag bloedonderzoek onder nummer TAAM8390NL (p. 23).

5. Een deskundigenrapport2, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.03.03.085, d.d. 2 maart 2016, opgemaakt door K.S. Kruseman, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

In het bloed TAAM8390NL van [verdachte] is een ethanolconcentratie gemeten van

1,41 mg/ml (= promille).

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 februari 2016, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4]:

(p. 59) Wij zijn richting Hoogezand gereden en bij het Bastionhotel gingen we van de ringweg af. Je hebt daar een kruising met een breed middenstuk. Ik was toen nog aan het appen en voelde ineens een tik. De auto schommelde even. Ik hoorde kort daarvoor dat mijn vader en [slachtoffer 1] aan het bekvechten waren. Na de aanrijding keek ik achterom om te zien waar die tik vandaan kwam en zag ik een auto. Mijn vader gaf op dat moment vol gas met de automaat. Hij reed richting Hoogezand over de oude weg langs het vuilnisveld. [slachtoffer 1] zei tegen mijn vader dat hij normaal moest doen. Mijn vader was in paniek en zei dat hij had gedronken. De snelheid ging flink omhoog. Op een gegeven moment haalt hij nog een auto in. Vervolgens is er een flauwe bocht in de weg hier verloor hij de macht over het stuur. De auto ging kantelen. Ik merkte dat wij in de sloot terechtkwamen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 maart 2016, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Op het moment dat de auto ons inhaalde bewoog onze auto heen en weer. Zo hard reed de auto die ons inhaalde. Wij reden zelf tussen de 70 en 80 kilometer per uur. Ik denk dat deze auto minimaal het dubbele reed van onze snelheid. Ik denk wel 140 kilometer per uur.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 februari 2016, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik reed op vrijdagavond, 26 februari 2016, om ongeveer 19.50 uur, over de Winschoterweg te Groningen. Naast mij zat mijn zoon [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]).

Ik reed vanaf het Bastionhotel in de richting van de oprit naar de snelweg. Ik reed dus vervolgens onder het viaduct door en direct daarna wilde ik linksaf de oprit van de snelweg oprijden. Echter voordat ik de oprit op kon rijden werd ik van achteren aangereden. Dit gebeurde toen ik net linksaf gestuurd had en dit was dus op het hoekje met de middenberm. Op dat moment werd mijn auto linksachter geraakt. Het was een harde klap en door deze klap draaide onze auto ongeveer 180 graden.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2016, opgenomen op pagina 38 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 27 februari 2016 hebben wij de verdachte overgebracht van het UMCG naar het cellencomplex aan de Hooghoudtstraat te Groningen. Toen wij ter hoogte van de afslag richting Hooghoudtstraat reden, zei verdachte tegen ons dat hij hier was aangereden door een andere personenauto. Verder verklaarde verdachte dat hij, nadat hij was aangetikt door de andere auto, hij gas had bij gegeven en ze waarschijnlijk had afgesneden.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde het volgende.

Bij het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte als bestuurder van een personenauto

met een zeer hoge snelheid op een weg heeft gereden waar de maximum snelheid 60 kilometer per uur was, terwijl hij in aanmerkelijke mate onder invloed van alcohol verkeerde. Hij is aldus in een flauwe bocht naar links met de rechterwielen van het door hem bestuurde voertuig in de rechts naast de weg gelegen berm geraakt en achtereenvolgens met het voertuig in een dwarsslip geraakt, tegen een in de berm aangebracht betonnen obstakel gebotst, over de kop geslagen en in een sloot naast de weg beland. Gelet op de combinatie van snelheid en het onder invloed van alcohol verkeren beoordeelt de rechtbank het handelen van verdachte als zeer onvoorzichtig.

De handelwijze van verdachte heeft geleid tot een ongeval waarbij een inzittende, [slachtoffer 1], werd gedood. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal verdachte daarbij vrijspreken van het onder het tweede gedachtestreepje van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu het aan verdachte gemaakte verwijt met betrekking tot de overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hieraan redelijkerwijs niet kan worden toegerekend.

Door de raadsvrouw van verdachte is betoogd dat verdachte zich van het ongeval niets kan herinneren en dat er ten tijde van het ongeval mogelijk sprake is geweest van bewustzijnsvermindering waarnaar (door een psychiater) nader onderzoek dient plaats te vinden.

De rechtbank acht een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank leidt uit de verklaring van de zoon van verdachte af dat verdachte en het latere slachtoffer vlak voor een aanrijding tussen de door verdachte bestuurde auto en de personenauto van [slachtoffer 2] aan het bekvechten waren en dat verdachte na deze aanrijding in paniek was en zei dat hij gedronken had.

Verder leidt de rechtbank uit het relaas van verbalisanten (bewijsmiddel onder 9) af dat verdachte ter hoogte van de afslag richting Hooghoudtstraat tegen verbalisanten heeft gezegd dat hij hier was aangereden door een andere personenauto en dat hij gas had bijgegeven en ze waarschijnlijk had afgesneden.

Gelet hierop blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende van bewustzijn van verdachte ten tijde van het ongeval waarbij [slachtoffer 1] om het leven is gekomen en het daaraan voorafgaande ongeval waarbij de personenauto van [slachtoffer 2] is geraakt. Dat verdachte zich daar thans niets meer van kan herinneren doet daaraan niet af. Het verzoek van de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van de zaak voor nader onderzoek wordt daarom afgewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 februari 2016 te Groningen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Peugeot 206), over de weg, de Winschoterweg, zeer onvoorzichtig en

onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat hij verdachte

- dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.41 milligram per liter bloed bleek te zijn, en

- vervolgens met een zeer hoger snelheid, verdachtes, weg heeft vervolgd over die Winschoterweg en

- vervolgens met onverminderde snelheid een in die Winschoterweg gelegen flauwe bocht naar links is gereden en

- vervolgens met de rechterwielen van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in de rechts naast die Winschoterweg gelegen berm is gereden of gegleden, waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in een dwarsslip is geraakt en

- vervolgens het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet onder controle heeft gehouden, waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig vervolgens tegen een in die berm aangebracht betonnen obstakel is gebotst/gereden en vervolgens over de kop is geslagen en vervolgens in de naast die Winschoterweg gelegen sloot/greppel tot stilstand is gekomen

en zich aldus zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer 1]) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

2.

hij op 26 februari 2016 te Groningen als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,41 milligram per milliliter bloed bleek te zijn;

3.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Groningen op de kruising van de Europaweg met de Winschoterweg, op 26 februari 2016 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]) letsel en/of schade was toegebracht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

2. Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

3. Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu - mede gelet op het oordeel van de rechtbank dat er ten tijde van het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde sprake was van voldoende bewustzijn van verdachte - niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit een eventuele onvoorwaardelijke straf in de vorm van een taakstraf op te leggen, zoals in het reclasseringsadvies van de VNN is geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft terwijl hij verkeerde onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol als bestuurder van een personenauto aan het verkeer deelgenomen. Hij heeft daarbij allereerst een aanrijding met een andere personenauto veroorzaakt waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten en met een zeer hoger snelheid is weggereden. Daardoor heeft hij een tweede, dit maal eenzijdig, ongeval veroorzaakt waarbij zijn vriendin - als één van de inzittenden van het voertuig - is omgekomen. Door het handelen van verdachte is op abrupte wijze het leven van een 48-jarige vrouw beëindigd. Tevens heeft verdachte daarmee bij de twee zonen van het slachtoffer een onbeschrijflijk leed veroorzaakt, zoals onder meer is gebleken uit de namens hen ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank acht het feit des te schrijnender nu het slachtoffer, nadat verdachte na de eerste aanrijding vol gas had gegeven, nog tegen hem gezegd heeft dat hij normaal moest doen en dat hij desondanks de snelheid flink heeft opgevoerd.

De rechtbank acht gelet op de combinatie en ernst van deze feiten de oplegging van een vrijheidsstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid in onvoorwaardelijke zin, passend en geboden.

De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor het veroorzaken van een verkeersongeval onder deze omstandigheden en met dit gevolg, gaan uit van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 jaren. De rechtbank neemt dit bij de strafoplegging als uitgangspunt.

De rechtbank heeft echter tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank gelet op de omstandigheid dat verdachte ook zelf, vanwege het verlies van zijn vriendin, zwaar door de gevolgen van het feit is getroffen.

Alles afwegende zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen zoals door de officier van justitie is gevorderd. Een strafafdoening als bepleit door de raadsvrouw doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Per persoon wordt een bedrag gevorderd van € 21.498,00, ter vergoeding van materiële schade en € 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen aan beide benadeelde partijen tot een bedrag van € 11.558,00 en niet-ontvankelijkverklaring voor wat betreft het overige deel van de vordering, betreffende de post gederfde bijdrage levensonderhoud.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft de posten gederfde bijdrage levensonderhoud en immateriële schade, nu de gestelde schade in zoverre onvoldoende is onderbouwd en vanwege de complexiteit van de vordering op deze onderdelen. De gestelde shockschade kan in ieder geval niet worden toegewezen nu de benadeelde partijen niet rechtstreeks met het ongeval zijn geconfronteerd geweest hetgeen - gelet op de jurisprudentie van de HR - een vereiste is om voor vergoeding van dergelijke schade in aanmerking te komen.

Voor wat betreft de kosten advocaat heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij heeft verzocht één en ander vast te stellen in aansluiting bij het toegewezen bedrag van de vordering.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen een deel van de gestelde schade, namelijk de kosten van de begrafenis ten bedrage van € 400,00 per benadeelde partij, hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering die in zoverre niet door verdachte is betwist, zal daarom voor dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 februari 2016.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade zijn de vorderingen naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de gemotiveerde betwisting ervan, onvoldoende onderbouwd. Dit geldt ten aanzien van de post immateriële schade met name nu onvoldoende gebleken is van een rechtstreekse confrontatie en er geen (medische) stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van geestelijk letsel. De rechtbank beschikt ten aanzien van de gederfde bijdrage levensonderhoud over onvoldoende informatie om vast te stellen of er sprake is van toekomstige schade en zo ja wat de omvang daarvan is. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partijen de gelegenheid te geven de vorderingen nader te onderbouwen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vorderingen daarom in zoverre niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de proceskosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op

€ 1.158,00 per benadeelde partij, en in de kosten die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken. De rechtbank ziet geen reden om de hoogte van de toe te kennen proceskosten aan het toegekende schadebedrag aan te passen.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen (van € 400,00) aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 51a en 592a van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van feit 1 primair voorts:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 4 jaren.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 1.158,00.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 400,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 1.158,00.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 400,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. A.F. Gerding en mr. A.S. Venema-Dietvorst, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juli 2017.

Mr. Venema-Dietvorst en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 verklaring arts pagina 23

2 opgenomen op pagina 22