Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2515

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
LEE 16-3564
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2060, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendheid van omwonenden inzake handhavingskwesties milieu. Storing bij inrichting. Als gevolg van de storing binnen de inrichting heeft depositie van dioxinen in de directe omgeving van de woningen van eisers plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet op voorhand worden aangenomen dat er geen hinder van enige betekenis is (geweest) voor eisers. Hieruit volgt dat eisers als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt. Hetgeen in beroep door eisers is aangevoerd, heeft geen betrekking op de bij het bestreden besluit gehandhaafde lasten onder dwangsom, maar ziet op een verdergaande last voor wat betreft de overschrijding van de maximaal toegestane jaarvracht aan dioxine.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/731
JOM 2017/749
OGR-Updates.nl 2017-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 16/3564

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2017 in de zaak tussen

1 a.[eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.a.,

1.b. [eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.b.,

1.c. [eiseres], te [plaats] ([adres]), eiseres sub 1.c.,

1.d. [eiser], te [plaats] ([adres], eiser sub 1.d.,

1.e. [eiseres], te [plaats] [adres]), eiseres sub 1.e.,

1.f. [eisers], te [plaats] ([adres]), eisers sub 1.f.,

1.g. [eisers], te [plaats] ([adres]), eisers sub 1.g.,

1.h. [eisers], te [plaats] ([adres]), eisers sub 1.h.,

1.i. [eiser], te [plaats] [adres]), eiser sub 1.i.,

1.j. [eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.j.,

1.k. [eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.k.,

1.l. [eiser], te [plaats] [adres]), eiser sub 1.l.,

1.m. [eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.m.,

1.n. [eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.n.,

1.o. [eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.o.,

1.p. [eiser], te [plaats] ([adres]), eiser sub 1.q.,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. H.A. Sarolea),

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân, verweerder,

(gemachtigde: ing. R.A. Dirksma).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de [derde belanghebbende] een vijftal lasten onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 21 juli 2016 (het bestreden besluit), verzonden op 25 juli 2016, heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 februari 2017. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 11 april 2017 heeft de StAB aanvullend gerapporteerd.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 juni 2017.

Namens eisers zijn verschenen [betrokkene] en [betrokkene], bijgestaan door hun gemachtigde en de medegemachtigde J. Boekeloo en de toxicoloog A. Arkenbout.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en H. Stapert.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Uit de resultaten van de continue dioxinemeting van oktober 2015 is gebleken dat de dioxine-emissie door de inrichting van derde-belanghebbende in de maand oktober 2015 verhoogd was ten opzichte van de andere maanden. Naar aanleiding van deze resultaten heeft verweerder een onderzoek uitgevoerd naar de eventuele oorzaken van de verhoogde dioxine- emissie. Uit dit onderzoek is gebleken dat de dioxine-emissie waarschijnlijk veroorzaakt is door de storing die op 1 oktober en 2 oktober 2015 plaatsvond bij de inrichting van derde- belanghebbende.

1.2.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft verweerder bij primair besluit van 2 februari 2016 een vijftal lasten onder dwangsom aan derde-belanghebbende opgelegd. Daarbij is derde-belanghebbende gelast om:

1. herhaling van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met betrekking tot de werking van de actieve kooldosering tijdens normaal bedrijf te voorkomen. Derde- belanghebbende dient er voor te zorgen dat niet nogmaals de actief kooldosering buiten werking is, terwijl afvalstoffen worden verbrand;

2. herhaling van overtreding van artikel 5.26, tweede lid, van het Activiteitenbesluit te voorkomen. Derde-belanghebbende dient er voor te zorgen dat niet nogmaals bij overschrijding van een emissiegrenswaarde door een storing de thermische behandeling van afvalstoffen na vier uur wordt gestaakt;

3. herhaling van overtreding van artikel 17.5e van de Wet milieubeheer (Wm) te voorkomen. Derde-belanghebbende dient er voor te zorgen dat handelingen in strijd met de omgevingsvergunning, het Activiteitenbesluit Wm en de Activiteitenregeling Wm, met mogelijke effecten voortaan zo spoedig mogelijk na ontdekking ervan worden gemeld bij het Milieualarmnummer;

4. herhaling van overtreding van artikel 5.26, derde lid, van het Activiteitenbesluit te voorkomen. Derde-belanghebbende dient er voor te zorgen dat de emissie-eisen die gelden tijdens storingen niet nogmaals worden overschreden;

5. maatregelen te nemen waardoor de stofemissie voldoende betrouwbaar gemeten kan worden en wordt voldaan aan artikel 5.29, eerste lid, van het Activiteitenbesluit en artikel 5.10 van de Activiteitenregeling.

Hoogte dwangsommen

1. Elke keer dat verweerder constateert dat derde-belanghebbende niet aan deze last voldoet, verbeurt derde-belanghebbende een dwangsom van € 10.000,-- per keer, met een maximum van € 100.000,--;

2. Elke keer dat verweerder constateert dat derde-belanghebbende niet aan deze last voldoet, verbeurt derde-belanghebbende een dwangsom van € 20.000,-- per keer, met een maximum van € 200.000,--;

3. Elke keer dat verweerder constateert dat derde-belanghebbende niet aan deze last voldoet, verbeurt derde-belanghebbende een dwangsom van € 2.500,-- per keer, met een maximum van € 15.000,--;

4. Elke keer dat verweerder constateert dat derde-belanghebbende niet aan deze last voldoet, verbeurt derde-belanghebbende een dwangsom van € 20.000,-- per keer, met een maximum van € 200.000,--. Hierbij geldt een maximaal te verbeuren bedrag van € 20.000,-- per storing;

5. Voor elke maand dat verweerder constateert dat derde-belanghebbende niet aan deze last voldoet, verbeurt derde-belanghebbende een dwangsom van € 20.000,--, met een maximum van € 100.000,--.

Begunstigingstermijn

Het betreffen lasten onder dwangsom waarmee wordt beoogd herhaling van overtredingen te voorkomen. Een begunstigingstermijn is daarom niet van toepassing. Derde-belanghebbende dient de lasten genoemd onder 1., 2., 3. en 4. per direct op te volgen.

Met betrekking tot last 5. geldt dat derde-belanghebbende ervoor dient te zorgen dat binnen twee maanden na de verzenddatum van het bestreden besluit aan de last is voldaan.

1.3.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 17 maart 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 18 april 2016 ingediend. Tevens hebben eisers op 10 mei 2016 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 16/1982.

1.4.

Bij uitspraak van 21 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

1.5.

Eisers hebben het bezwaarschrift mondeling toegelicht op de hoorzitting van 2 juni 2016 van de algemene kamer van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften en klachten van de provincie Fryslân (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.6.

De commissie heeft verweerder bij brief van 18 juli 2016 geadviseerd het bezwaarschrift van eisers ongegrond te verklaren en het primaire besluit van 2 februari 2016 in stand te laten. Daarnaast heeft de commissie verweerder in de brief van 18 juli 2016 geadviseerd het primaire besluit aan te vullen voor wat betreft de grondslag van de eerste last (werking actief kooldosering) en om in de eerste en tweede last een bepaling op te nemen, waarin het aantal controles per tijdseenheid is gemaximeerd.

1.7.

Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit van 2 februari 2016 gehandhaafd. Verder heeft verweerder naar aanleiding van het advies van de commissie het primaire besluit van 2 februari 2016 in navolgende zin gewijzigd en aangevuld:

1. Derde-belanghebbende dient herhaling van overtreding van artikel 2.3 van de Wabo met betrekking tot de werking van de actief kooldosering tijdens normaal bedrijf te voorkomen. Derde-belanghebbende dient er voor te zorgen dat niet nogmaals de actief kooldosering buiten werking is, terwijl afvalstoffen worden verbrand.

Elke keer dat verweerder constateert dat derde-belanghebbende niet aan deze last voldoet, verbeurt derde-belanghebbende een dwangsom van € 10.000,-- per keer. Hierbij geldt een maximaal te verbeuren bedrag van € 100.000,--. Hierbij geldt een maximaal te verbeuren bedrag van € 10.000,-- per keer;

2. Derde-belanghebbende dient herhaling van overtreding van artikel 5.26, tweede lid, van het Activiteitenbesluit te voorkomen. Derde-belanghebbende dient er voor te zorgen dat bij overschrijding van een emissiegrenswaarde door een storing de thermische behandeling van afvalstoffen binnen vier uur wordt gestaakt.

Elke keer dat verweerder constateert dat derde-belanghebbende niet aan deze last voldoet, verbeurt derde-belanghebbende een dwangsom van € 20.000,-- per keer. Hierbij geldt een maximaal te verbeuren bedrag van € 200.000,--. Hierbij geldt een maximaal te verbeuren bedrag van € 20.000,-- per storing.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op: activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.

2.1.

Ingevolge artikel 17.1, eerste lid, van de Wm treft degene die de inrichting drijft, indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om herhaling of de gevolgen van dat voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

Ingevolge artikel 17.5e van de Wm is titel 17.1 van overeenkomstige toepassing op een niet onder die titel begrepen inbreuk op de voorschriften, verbonden aan een omgevings-vergunning of gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 met betrekking tot activiteiten als bedoeld in richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334), met dien verstande dat:

a. in artikel 17.1, eerste lid, in plaats van «om herhaling of de gevolgen van dat voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken» wordt gelezen: om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de voorschriften wordt voldaan.

b. voor de toepassing van deze titel alle overige verwijzingen in titel 17.1 naar een ongewoon voorval als verwijzingen gelden naar de in dit artikel bedoelde inbreuk.

2.2.

Ingevolge artikel 5.26, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mag een afval-

verbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie de bij of krachtens dit besluit gestelde emissiegrenswaarden voor emissies in de lucht slechts overschrijden indien deze overschrijdingen het gevolg zijn van technisch onvermijdelijke storingen of stilleggingen van de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur of defecten aan de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur.

Ingevolge artikel 5.26, tweede lid, van het Activiteitenbesluit mag een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie ingeval er sprake is van overschrijding van de bij of krachtens dit besluit gestelde emissiegrenswaarden voor emissies in de lucht in geen geval langer dan vier uur ononderbroken met de thermische behandeling van afvalstoffen voortgaan. De totale duur dat ovens van een verbrandingsinstallatie welke verbonden zijn met dezelfde afgasreinigingsinstallatie per kalenderjaar in werking mogen zijn, bedraagt ingeval er sprake is van overschrijding van de bij of krachtens dit besluit gestelde emissiegrenswaarden en:

a. er sprake is van thermische behandeling van afvalstoffen: ten hoogste 60 uur;

b. er geen sprake is van thermische behandeling van afvalstoffen: ten hoogste 120 uur verminderd met het aantal uren in het betreffende jaar dat de verbrandingsstraten onder de in de aanhef en onder a bedoelde omstandigheid in werking zijn.

Ingevolge artikel 5.26, derde lid, van het Activiteitenbesluit zijn de artikelen 5.19 tot en met 5.24, met uitzondering van de bij of krachtens deze artikelen gestelde emissiegrenswaarden voor koolmonoxide en gasvormige en vluchtige organische stoffen, gedurende de periode dat een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid zich voordoet, niet van toepassing, met dien verstande dat de emissies van totaal stof een halfuurgemiddelde van 150 mg/Nm3 niet overschrijden.

Ingevolge artikel 5.29, eerste lid, van het Activiteitenbesluit voldoet de meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Ingevolge artikel 5.29, tweede lid, van het Activiteitenbesluit voldoet een afvalverbrandings- of een afvalmeeverbrandingsinstallatie ten behoeve van:

a. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,

b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater, en

d. een doelmatig beheer van afvalstoffen,

aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

2.3.

Op grond van artikel 5.10, eerste lid, van de Activiteitenregeling zijn metingen ter bepaling van de emissies representatief.

Op grond van artikel 5.10, tweede lid, van de Activiteitenregeling worden alle monitoring-resultaten op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd dat het bevoegd gezag kan controleren of wordt voldaan aan de toepasselijke emissiegrenswaarden en andere voorschriften.

2.4.

Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 122, tweede lid, van de Provinciewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien de last dient tot handhaving van regels welke het provinciebestuur uitvoert.

2.5.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Awb strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Overwegingen

3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eisers in dit geval als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.

Onder verwijzing naar een uitspraak van 16 maart 2016 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2016:737, stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers in dit geval niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. In dit verband wijst verweerder erop dat eisers op een afstand van één tot circa zes kilometer van de inrichting van derde-belanghebbende wonen en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van de inrichting van derde-belanghebbende hinder van enige betekenis ondervinden. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat uit de rapportage van 3 februari 2017 van de StAB naar voren komt dat het risico op een onaanvaardbare blootstelling aan dioxine als gevolg van de inrichting en de storing binnen de inrichting van derde-belanghebbende verwaarloosbaar is. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat uit voormelde rapportage van de StAB volgt dat het niet aannemelijk is dat eisers, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van de inrichting of van de storing binnen de inrichting van derde-belanghebbende en de emissie van dioxine hinder of schade van enige betekenis ondervinden.

3.2.

Volgens eisers is er in dit geval in de maand oktober 2015 sprake geweest van een uitstoot aan dioxinen (33 mg TEQ), die ruim tweemaal zo hoog ligt als de hoeveelheid die bij een regulier bedrijf op jaarbasis (14 mg TEQ) is toegestaan. Verder wijzen verzoekers erop dat er op 21 april 2016 opnieuw een grote stofwolk ongefilterd in het milieu terecht is gekomen.

3.3.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in vorenbedoelde zin te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit te hebben.

3.4.

In voormelde uitspraak heeft de AbRvS gesteld dat voor de belanghebbendheid bij een milieu-omgevingsvergunning aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden.

3.5.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het incident wat voor verweerder aanleiding is geweest om tot handhaving over te gaan, heeft geleid tot verhoogde concentraties dioxine in de directe omgeving van de woningen van eisers. Als gevolg van voormelde storing heeft er depositie van dioxine plaatsgevonden in de directe omgeving van de woningen van eisers, zodat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet op voorhand kan worden aangenomen dat er geen hinder van enige betekenis is (geweest) voor eisers. Hieruit volgt dat eisers als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb dienen te worden aangemerkt. Hierbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat het criterium “hinder van enige betekenis” volgens de rechtbank aldus moet worden begrepen dat het fungeert als correctie op het afstand- en zichtcriterium in geval van twijfel aan de belanghebbendheid. In dit geval is de afstand van de woningen van eisers tot de inrichting, gerelateerd aan de aard van de ondervonden milieugevolgen, te weten depositie van dioxine in de omgeving, niet zodanig dat in dit geval aanleiding bestaat voor twijfel over de belanghebbendheid van eisers. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit de bezwaren inhoudelijk heeft beoordeeld en eisers uitdrukkelijk wél belanghebbenden heeft geacht bij het besluit waartegen zij bezwaar hebben gemaakt. Verweerder neemt in zijn verweerschrift het standpunt in dat uit voormelde rapportage van de StAB volgt dat het niet aannemelijk is dat eisers als gevolg van de inrichting of van de storing binnen de inrichting en de emissie van dioxine hinder of schade van enige betekenis ondervinden. Hiermee miskent verweerder echter dat het onderzoek naar de vraag of eisers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt niet dient te geschieden aan de hand van een uitgebreide, inhoudelijke beoordeling van een deskundigenrapport. Dat vergt een beoordeling ten gronde die bij de beantwoording van de vraag of eisers belanghebbenden zijn niet aan de orde is. Bovendien neemt verweerder als uitgangspunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij hinder van enige betekenis ondervinden van het bestreden besluit, terwijl het in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet op de weg van eisers ligt om feiten en omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan die belanghebbendheid kan worden aangenomen. Naast het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling van de belanghebbendheid tussen een statische situatie, zoals aan de orde is in voormelde uitspraak van de AbRvS, en de thans aan de orde zijnde handhavingssituatie waarbij risico’s moeten worden ingeschat. Gelet hierop is voormelde uitspraak van de AbRvS niet onverkort van toepassing op deze handhavings-situatie en volgt de rechtbank verweerder niet in zijn betoog dat alle eisers in dit geval geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

4. Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.

4.1.

Eisers betogen, onder verwijzing naar de rapportage van adviesbureau Witteveen en Bos dat de vergunde jaarvracht voor dioxines is overschreden. Naar de mening van eisers had voor wat betreft dit aspect handhavend moeten worden opgetreden door verweerder. Daarnaast zijn eisers het niet eens met het standpunt van verweerder dat de resultaten van de continue dioxinebemonstering niet gebruikt kunnen worden om handhavend op te treden. Verder stellen eisers dat de zogeheten “Induced Draft”-fan (hierna: ID-fan) geen deel uitmaakt van de rookgasreiniging. Falen van de ID-fan mag daarom volgens eisers niet als een storing worden beschouwd. Eisers betogen daarnaast dat gebleken is dat het rookgasdebiet hoger is dan gedacht. Dit heeft volgens eisers gevolgen voor de verblijftijd van de rookgassen in het twee seconden-gebied en daarmee de vorming van dioxinen.

4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gronden van beroep geen betrekking hebben op de vastgestelde overtredingen en daarmee samenhangende lasten onder dwangsom. Verder wijst verweerder erop dat het bezwaarschrift van 17 maart 2016 gedeeltelijk is aangemerkt als een verzoek om handhaving en als zodanig in behandeling is genomen. Hierop is op 18 augustus 2016 door verweerder een apart besluit genomen waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend door eisers.

4.3.

Met betrekking tot dit aspect heeft de StAB in de rapportage van 3 februari 2017 aangegeven dat de beroepsgronden niet rechtstreek betrekking hebben op de lasten onder dwangsom in het bestreden besluit. Inhoudelijk is gesteld dat beschikbare gegevens van de

dioxine-emissie rond 1 oktober 2015 niet gebruikt kunnen worden in het kader van handhaving van de toepasselijke normen in de vergunning en het Activiteitenbesluit. Dit komt omdat in de continu gemeten dioxine-emissie rond 1 oktober 2015 de storing is meegenomen, terwijl de normen zien op de reguliere bedrijfsvoering en periodieke metingen. Daarbij komt dat het door Witteveen en Bos gerapporteerde getal van de dioxine-emissie slechts een schatting is. Ten aanzien van het falen van de ID-fan is gesteld dat deze heeft geleid tot een technisch onvermijdelijke stillegging van de rookgasreiniging. In zoverre is volgens de StAB sprake van een storingssituatie, als bedoeld in artikel 5.26, eerste lid van het Activiteitenbesluit. Ten aanzien van de door verweerder geconstateerde afwijking van

het vergunde rookgasdebiet is gesteld dat deze mogelijk van invloed is op de dioxine-emissie gedurende de reguliere bedrijfsvoering. De StAB wijst erop dat verweerder in een apart traject bij derde-belanghebbende erop heeft aangedrongen dat de strijdigheid met de omgevingsvergunning wordt beëindigd.

4.4.1.

De rechtbank stelt vast dat met het primaire besluit van 2 februari 2016 - gehandhaafd bij het bestreden besluit - een vijftal lasten onder dwangsom aan derde-belanghebbende zijn opgelegd, naar aanleiding van de opgetreden storing op 1 oktober en

2 oktober 2015 binnen de inrichting en de daarbij door verweerder geconstateerde overtredingen. Verder dient te worden vastgesteld dat hetgeen in beroep door eisers is aangevoerd geen betrekking heeft op de bij het bestreden besluit gehandhaafde lasten onder dwangsom, maar ziet op een verdergaande last voor wat betreft de overschrijding van de maximaal toegestane jaarvracht aan dioxine. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij besluit van 18 augustus 2016 heeft beslist op dit handhavingsverzoek en dat eisers daartegen geen rechtsmiddelen hebben aangewend. Dit betekent dat voormeld besluit van verweerder onherroepelijk is geworden.

4.4.2.

Voor zover eisers betogen dat verweerder in het kader van de heroverweging in bezwaar bij het bestreden besluit had moeten beslissen voor wat betreft het aspect van de overschrijding van de jaarvracht dioxine, stelt de rechtbank voorop dat het verweerder vrij staat om een separaat besluit op dit handhavingsverzoek te nemen. Dat is in dit geval gebeurd bij besluit van 18 augustus 2016. Zoals volgt uit rechtsoverweging 4.4.1. hebben eisers geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit, zodat dit onherroepelijk is geworden. De rechtbank kan niet voorbij gaan aan het gegeven dat voormeld besluit onherroepelijk is. Hieruit volgt dat er, mede gelet op de omvang van het geding, geen aanleiding bestaat om hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het ontbreken van een beslissing voor wat betreft de gestelde overschrijding van de jaarvracht aan dioxine in de thans voorliggende procedure te betrekken. Deze grond van eisers slaagt niet.

5. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eisers ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, mr. H.J. Bastin en

mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.

De griffier De voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: