Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2357

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
18/830005-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag; 8 jaren gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege, beroep op noodweer(exces)/ psychische overmacht verworpen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830005-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende aan de [straatnaam], [straatnaam],

thans gedetineerd in PPC Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2017, 2 juni 2017 en 15 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Boelstra, advocaat te Middelstum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C. Westerling- Diderich.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 januari 2016, te [pleegplaats], althans in de gemeente De Marne, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- meermalen en met kracht met een metalen buis, althans een (soortgelijk) hard

voorwerp (telkens) op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige

delen van het lichaam van die [slachtoffer] geslagen, en/of

- op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het

lichaam van die [slachtoffer] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en/of

- samendrukkend geweld op de hals van die [slachtoffer] uitgeoefend, en/of

- meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (telkens)

in de hals en/of overige delen van het lichaam, althans in het lichaam, van

die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, en/of

- die [slachtoffer] in de grond begraven, tengevolge waarvan die [slachtoffer] van zuurstof is afgesloten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.

[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 januari 2016, te [pleegplaats], althans in de gemeente De Marne, opzettelijk en al dan niet

met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte] met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het

lichaam van die [slachtoffer] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en/of

- samendrukkend geweld op de hals van die [slachtoffer] uitgeoefend, en/of

- meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (telkens)

in de hals en/of overige delen van het lichaam, althans in het lichaam, van

die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, en/of

- die [slachtoffer] in de grond begraven, tengevolge waarvan die [slachtoffer] van

zuurstof is afgesloten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 januari 2016, te [pleegplaats], althans in de gemeente De Marne, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft, door toen en daar

- meermalen en met kracht met een metalen buis, althans een (soortgelijk) hard

voorwerp (telkens) op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige

delen van het lichaam van die [slachtoffer] te slaan, en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [medeverdachte] te geven,

en

B.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 januari 2016, te [pleegplaats], althans in de gemeente De Marne, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen en met kracht met een metalen buis, althans met een (soortgelijk) hard voorwerp, (telkens)

op/tegen het hoofd en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer]

heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

althans, indien terzake van het vorenstaande onder B. geen veroordeling mocht

volgen dat

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 januari 2016, te [pleegplaats], althans in de gemeente De Marne, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een breuk van de rechter oogkas) heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen en met kracht met een metalen buis, althans met een (soortgelijk) hard voorwerp, (telkens) op/tegen het hoofd te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat, hoewel de aanleiding tot het uiteindelijke doodmaken van [slachtoffer] en de tijdspanne waarin alles zich heeft afgespeeld onduidelijk blijven omdat verdachten daar wisselend en absoluut niet geloofwaardig over verklaren, uit de bewijsmiddelen wel kan worden afgeleid dat er in de slaapkamer, de woonkamer en de hal van de woning van verdachte veel geweldshandelingen jegens [slachtoffer] zijn gepleegd. Er is gevochten en medeverdachte [medeverdachte] heeft [slachtoffer] met een mes - welk mes door verdachte op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] aan hem is gegeven - vele malen gestoken. Verdachte heeft [slachtoffer], bij leven, met een stofzuigerstang op zijn hoofd geslagen. Van belang hierbij is dat de daardoor veroorzaakte letsels, waaronder het letsel aan het hoofd, de romp en de ledematen, indirect een bijdrage aan het overlijden kunnen hebben geleverd, omdat deze gepaard kunnen gaan met bewustzijnsstoornissen, waardoor het reactievermogen kan afnemen met een minder goede reactie op overig door medeverdachte [medeverdachte] gepleegd geweld. [slachtoffer] is uiteindelijk komen te overlijden door bij leven opgelopen meervoudig uitwendig mechanisch perforerend en snijdend geweld aan de hals. Na het overlijden is [slachtoffer] door medeverdachte [medeverdachte] in de tuin begraven - waarbij verdachte heeft aangegeven dat [slachtoffer] dieper onder de grond moest worden begraven - en hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het huis schoongemaakt. Onder deze omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de bijdrage van verdachte aan het doden van [slachtoffer] van meer dan voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.

Nu verdachte [slachtoffer] meerdere malen met een stofzuigerstang op zijn hoofd heeft geslagen en op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] een mes heeft gepakt - waarbij zij heeft nagedacht over de scherpte van het mes - en dat mes vervolgens aan een totaal geflipte medeverdachte [medeverdachte] heeft gegeven, heeft verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] gehad. Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm immers worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de primair ten laste gelegde moord niet kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de gebleken omstandigheden en de verklaringen van verdachte onvoldoende kan worden afgeleid dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord.

Gelet op het voorgaande kan medeplegen van doodslag wel worden bewezen. Nu er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat [slachtoffer] levend is begraven, kan het laatste gedachtestreepje met betrekking tot "het van zuurstof afgesloten zijn" niet worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat uit het forensische bewijs niet blijkt dat verdachte medeverdachte [medeverdachte] het mes heeft aangereikt en/of [slachtoffer] heeft geslagen met de stofzuigerstang, terwijl blijkens het strafdossier veel vraagtekens kunnen worden gezet bij de verklaringen van verdachten. Er zijn volgens de raadsvrouw veel andere scenario’s in deze zaak mogelijk, ter illustratie waarvan zij zelf een alternatief scenario heeft geschetst waarin verdachte geen geweldshandelingen heeft verricht (maar waarin medeverdachte [medeverdachte], na betrapping van [slachtoffer] en verdachte op bed, met de stofzuigerstang heeft geslagen en het mes, waarmee hij [slachtoffer] heeft gestoken, van [slachtoffer] heeft afgepakt). Indien de rechtbank de verklaringen van verdachten niet overtuigend acht, kan het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Subsidiair, wanneer de rechtbank de verklaringen van verdachten wel overtuigend acht, dient er een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de verklaringen die verdachten in beperking (tot en met 14 januari 2016) hebben afgelegd en de verklaringen daarna, toen er veel contact is geweest tussen verdachten en zij ook kennis hebben kunnen nemen van het dossier.

Ten aanzien van de ten laste gelegde moord heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een vooropgezet plan. Uit de bewijsmiddelen vloeit veeleer voort dat verdachte vanuit een impuls heeft gehandeld en dat er van voorbedachte raad geen sprake is geweest. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van moord.

Evenmin is er naar de mening van de raadsvrouw sprake geweest van doodslag, nu op grond van de verklaringen van verdachte, die zij tot en met 14 januari 2016 heeft afgelegd, niet kan worden bewezen dat zij (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Verdachte heeft slechts eenmalig aan [slachtoffer] getrokken om medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten en aan medeverdachte [medeverdachte] een mes gegeven. Ook indien de rechtbank de inhoud van de verklaringen van verdachte afgelegd na 14 januari 2016 overtuigend acht - en het overtuigend acht dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen met een metalen buis om medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten - kan opzet op de dood niet bewezen worden. Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten onder invloed van alcohol, maar gelet op hetgeen gedragsdeskundigen Van Heteren en Van Os hebben geconcludeerd, is er geen sprake van culpa in causa en kunnen de ten laste gelegde feiten verdachte verminderd worden toegerekend. Naar de mening van de raadsvrouw is hier sprake van een contra-indicatie en kan niet gezegd worden dat de door verdachte verrichte handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer op de dood van [slachtoffer] gericht dat het niet anders kan dat dat zij de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Gelet op het sectierapport is er geen bewijs dat - wanneer verdachte al zou hebben meegeholpen met het begraven van [slachtoffer], hetgeen door verdachte wordt ontkend - [slachtoffer] is overleden ten gevolge van het in de grond begraven.

Ten aanzien van het medeplegen heeft de raadsvrouw, uitgaande van de verklaringen van verdachte afgelegd tot en met 14 januari 2016, aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering, nu medeverdachte [medeverdachte] plotseling in een heftige gemoedstoestand [slachtoffer] heeft doodgestoken. Verdachte heeft enkel geprobeerd om [slachtoffer] aan het bovenlichaam weg te trekken om medeverdachte [medeverdachte] te kunnen ontzetten en het mes aangegeven. Dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd - daargelaten of verdachte daartoe gelet op de inhoud van de rapportages van de deskundigen in staat was - is van ondergeschikt belang gezien de lijn van de Hoge Raad. Wanneer de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte ook voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer] met een stofzuigerstang heeft geslagen, zoals kan worden afgeleid uit de inhoud van de verklaringen afgelegd nà 14 januari 2016, dan is daarmee geprobeerd om medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten nadat hij hier om schreeuwde. Dit geldt ook voor het op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] aanreiken van het mes. De raadsvrouw is van mening dat dit typische uitvoeringshandelingen zijn, die in elk geval geen medeplegen meebrengen. Medeverdachte [medeverdachte] riep en verdachte deed - mede gelet op haar persoonlijkheid zoals door de deskundigen beschreven - wat medeverdachte [medeverdachte] zei. Hierbij weegt ook mee dat er sprake was een stresssituaties waarin de tijd ontbrak om zelf na te denken.

Volgens de raadsvrouw is er evenmin sprake van medeplichtigheid. Verdachte heeft
- uitgaande van de verklaringen afgelegd tot en met 14 januari 2016 - slechts een gewoon tafelmes aan medeverdachte [medeverdachte] gegeven, enkel om te dreigen en medeverdachte [medeverdachte] heeft als pleger een veel ernstiger feit gepleegd dan verdachte beoogde. Voorts heeft verdachte [slachtoffer] pas met een stofzuigerstang geslagen na zijn dood. Uitgaande van de verklaringen afgelegd nà 14 januari 2016 heeft verdachte [slachtoffer] met een stofzuigerstang geslagen om medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten, niet om hem te doden, dan wel dit doden te vergemakkelijken. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van medeplichtigheid, nu haar bijdrage van onvoldoende gewicht is geweest.

Oordeel van de rechtbank

Overweging vooraf

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag wat zich in de jaarwisseling van 2015 op 2016 heeft afgespeeld in de woning van medeverdachte [medeverdachte] wat uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer]. De verklaringen van verdachten spelen een rol bij het beantwoorden van die vraag, maar zijn daarbij voor de rechtbank niet leidend. In de eerste plaats niet omdat de verklaringen onderling verschillen op essentiële punten en wisselen al naar gelang verdachten op de hoogte zijn van elkaars verklaringen en de bevindingen van het (forensisch) onderzoek. In de tweede plaats niet omdat uit het dossier naar voren komt dat verdachten niet vrijuit verklaren, in die zin dat aannemelijk is dat zij daarbij een doel voor ogen hebben. Zo heeft medeverdachte [medeverdachte] verdachte ten koste van alles, ook van zichzelf, willen beschermen, waarbij hij verdachte niet onnodig meer heeft willen belasten dan uit het onderzoek toch al zou blijken. Daar waar hij verdachte zou kunnen belasten, zegt hij geen herinnering meer te hebben. De latere verklaringen van verdachte kan de rechtbank niet anders zien dan als een poging om de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] te bevestigen dan wel om haar verhaal passend te krijgen aan de bevindingen van het onderzoek. De rechtbank zal om die reden de verklaringen die verdachte op 27 juni 2016 en 22 mei 2017 heeft afgelegd voor het bewijs sowieso helemaal buiten beschouwing laten, hetgeen de verdediging ook heeft bepleit. Tevens weegt voor de rechtbank mee dat de belangrijkste getuige, het slachtoffer [slachtoffer], het niet meer kan navertellen. Mede daarom is met name het objectieve bewijs, maar ook hetgeen kan worden afgeleid uit verklaringen van andere getuigen redengevend.

De rechtbank past, het voorgaande in ogenschouw nemend, de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 6 januari 2016, opgenomen op pagina 646 (map 2) van het dossier met nummer NN2 R016002- Baldor d.d. 17 november 2016, inhoudende de relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 5 januari 2016 werd een levenloos lichaam aangetroffen in de tuin van de woning behorende bij perceel [straatnaam] te [pleegplaats], gemeente De Marne.

Overledene: [slachtoffer] (man), geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats].

2. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.01.06.097, d.d. 3 mei 2016, opgemaakt door M. Buiskool (arts en patholoog) op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 479 e.v. (map 4) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als haar verklaring:

Bij sectie werden aan de hals de letsels sub A7 en A81 vastgesteld die bij leven zijn

ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend (letsel

H en M; 2 huidperforaties) en scherprandig klievend geweld (circa 23

huidklievingen) zoals kan worden opgeleverd door snijden en/of steken met 1 of

meerdere scherprandige voorwerpen zoals bijvoorbeeld (een) mes(sen). In relatie

met meerdere letsels aan de hals rechts (letsel I) waren de rechterhalsader en

rechterhalsslagader gekliefd waardoor fors bloedverlies is ontstaan. De bevindingen

sub A6 en B4 passen bij fors bloedverlies. In relatie met letsel H aan de hals rechts

was de mond/keelholte bereikt en bevond zich bloed in de luchtwegen. Het

overlijden wordt dan ook verklaard door fors bloedverlies en longfunctiestoornissen

als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en scherprandig

klievend geweld.

Tevens werden bij sectie de letsels sub A10 (letsels A, B2, C, D, E3), A11 en A13 en bij radiologisch onderzoek een breuk van de rechteroogkas vastgesteld die bij leven zijn ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig stomp botsend, mogelijk kantig (huidverscheuringen) geweld zoals door slaan, stompen, stoten, tegen voorwerpen aankomen, schoppen, trappen al dan niet in combinatie met vallen, kunnen worden veroorzaakt. De breuk van de rechteroogkas wijst erop dat deze geweldsinwerking heftig is geweest. In relatie hiermee is enige bloedophoping onder het harde hersenvlies ontstaan (sub B3). Indirect kunnen de letsels aan het hoofd een bijdrage aan het overlijden hebben geleverd: de letsels aan het hoofd kunnen gepaard zijn gegaan met bewustzijnsstoornissen, waardoor het reactievermogen af kan zijn genomen met een minder goede reactie op overig geweld.

Bij sectie werden de letsels aan de mond sub A16 vastgesteld. Deze kunnen eveneens door een stomp botsende geweldsinwerking zijn ontstaan, zoals beschreven.

Bij sectie waren letsels aan beide hoorntjes aan het strottenhoofd sub A6. Deze zijn bij leven ontstaan als gevolg van (samen)drukkend en/of stomp botsend geweld op de hals. Indien dit gepaard is gegaan met blokkade van de luchtwegen dan kan deze geweldsinwerking een bijdrage aan het overlijden hebben geleverd. Tevens werd bij radiologisch onderzoek mogelijk een breuk gezien van het onderste rechter hoorntje van het strottenhoofd sub C3, bijlage 7.

De tamelijk scherprandige huidklievingen aan het hoofd sub A9 zijn bij leven

ontstaan en kunnen als gevolg van bovenstaand mechanisch perforerend,

scherprandig klievend geweld zijn ontstaan.

Met name aan de hals sub A14 waren vele krasvormige huidbeschadigingen. Deze zijn bij leven ontstaan door (zich) stoten tegen of met een puntig of scherprandig voorwerp. Plaatselijk was er een specifiek patroon (parallel gelegen oppervlakkige huidbeschadigingen), dat kan passen bij een getand of gekarteld scherprandig

voorwerp.

De tamelijk scherprandige letsels aan de borstkas links (letsel N) zijn ontstaan door

inwerking van scherprandig of puntig perforerend, snijdend geweld. Opvallend was dat drie letsels vrij horizontaal op één lijn gelegen waren. Deze letsels kunnen door meerdere geweldsinwerkingen zijn ontstaan met één voorwerp met een puntig of deels scherprandig aspect of uitsteeksel.

Conclusie: Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het overlijden verklaard door verwikkelingen als gevolg van bij leven opgelopen meervoudig uitwendig mechanisch perforerend en scherprandig klievend geweld aan de hals.

3. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.01.06.097, d.d. 10 februari 2016, opgemaakt door drs. ing. D. Boon op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 161 e.v. (map 3) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van de gerechtelijk deskundige, zakelijk weergegeven:

Te onderzoeken: bloedsporen en/of bloedspoorpatronen aangetroffen in de hal en de woonkamer met open keuken en slaapkamer van een gelijkvloers appartement op de begane grond aan de [straatnaam] te [pleegplaats].

Op de volgende locaties en oppervlakken zijn in de entree/hal bloedsporen als

gevolg van een uitgeoefende kracht aangetroffen: linker stijl voordeur, wanden links en rechts van de voordeur, wand bij radiator, douchedeur. In de woonkamer zijn zowel in de zitkamer als op locaties bij de keuken en het open slaapvertrek op de volgende oppervlakken verschillende bloedsporen aangetroffen: vloer zitkamer, bank, spiegel boven bank, zwarte fauteuil, wand links van tv(-meubel), wand tussen entree/hal en slaapvertrek, hoek scheidingswandje woonkamer/keuken, op de achterdeur. Op de wanden links (< 65 cm hoog) en rechts (< 110 cm hoog) van de tussendeur naar de entree/hal zijn verschillende, afzonderlijk van elkaar liggende cirkel- tot ovaalvormige, schuin neerwaarts gerichte bloedspatten met een relatief kleine diameter en onvermengd uiterlijk aangetroffen. Deze bloedspatten zijn te classificeren als bloedsporen als gevolg van een uitgeoefende kracht. Op alle overige opgesomde locaties en/of oppervlakken in de woonkamer zijn bloedsporen

met een (deels) (uit)geveegd uiterlijk aangetroffen: veegspoorpatronen van/met bloed.

Op de drie wanden rond het tweepersoonsbed (links, rechts en achterwand) zijn

cirkel- tot ovaalvormige bloedspatten met een relatief kleine diameter (circa 1-3 mm) tot een hoogte van ongeveer 150 cm aangetroffen, met één uitschieter op ongeveer 200 cm hoogte links op de achterwand. Soortgelijke bloedspatten zijn aangetroffen op en onder de cv-ketel links van het bed. De relatief kleine bloedspatjes op de achterwand en op de wand links zijn

waarschijnlijker wanneer deze zijn ontstaan als gevolg van een uitgeoefende kracht dan dat ze zijn ontstaan als gevolg van een passief mechanisme, maar kunnen niet verder worden geclassificeerd dan als bloedsporen als gevolg van een uitgeoefende kracht. Uit het slaapvertrek zijn bemonsteringen ten behoeve van DNA-onderzoek genomen van bloedspatten met onvermengd uiterlijk op de wanden en de cv-ketel.4

4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.01.06.097, d.d. 23 maart 2016, opgemaakt door dr. A.J. Kal op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 433 e.v. (map 4) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van de gerechtelijk deskundige, zakelijk weergegeven:

In de volgende bemonsteringen is bloed aangetroffen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van [slachtoffer] met matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard:

AAGU0553NL voordeur

AAGU0558NL vloer hal

AAGU0572NL muur boven hoofdeinde bed

AAGU0573NL muur links van bed

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.01.06.097, d.d. 13 december 2016, opgemaakt door ing. D. Boon, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, als los stuk bij het dossier gevoegd, voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige, zakelijk weergegeven:

Uit analyse van de bloedsporen en bloedspoorpatronen in de slaapruimte van de woning aan de [straatnaam] te [pleegplaats], zijn de aangetroffen bloedsporen in de slaapruimte waarschijnlijker5 wanneer hypothese 1 (bloedsporen zijn ontstaan door gewelddadige handelingen tegen het slachtoffer in de slaapruimte) waar is dan wanneer hypothese 2 (bloedsporen zijn ontstaan door bijvoorbeeld weggeslingerd bloed of overgedragen bloed omdat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard ernstig bebloed de slaapruimte te hebben betreden) waar is.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 5 februari 2016, opgenomen op pagina 152 e.v. (map 3) van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Bij nader onderzoek van de aanwezige vingerafdrukken op een houten balkje welke op een muurtje tussen de keuken en woon/slaapkamer was aangebracht, constateerden wij dat op de bovenzijde van het balkje sporen zichtbaar waren. Wij zagen in ieder geval een tweetal

vingerafdrukken. Ook zagen wij een spoor welke zeer waarschijnlijk een afdruk was van een deel van een hand, wij zagen duidelijk afdrukken van vingers. De twee vingerafdrukken werden hoogstwaarschijnlijk geplaatst door een persoon met bloed aan zijn of haar vingers.

De sporen werden afzonderlijk voorzien van een SIN:

SIN: AAFZ0676NL Bemonstering bloed "afdruk van deel van een hand/vingers" op balkje

SIN: AAFZ0675NL Bemonstering "dacty" op balkje

7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.01.06.097, d.d. 15 februari 2016, opgemaakt door dr. A.J. Kal op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 426 e.v. (map 4) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van de gerechtelijk deskundige, zakelijk weergegeven:

In de volgende bemonstering is bloed aangetroffen:

- AAFZ0675NL#01 - bemonstering bloed "dacty" op balkje

- AAFZ0676NL#01 - bemonstering bloed "veeg van hand" op balkje

SIN AAFZ0675NL#01 Celmateriaal kan afkomstig zijn van [slachtoffer].

SIN AAFZ0676NL#01 Celmateriaal kan afkomstig zijn van [slachtoffer]; matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard.

8. Een rapport afkomstig van Politie Landelijke Eenheid, Dienst IPOL, FI-d/Dactyloscopie, zaaknummer 2016.01.06.097, d.d. 4 maart 2016, opgemaakt door [naam] (expert D, beheerder Havank), opgenomen op pagina 527 e.v. (map 4) van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van [naam], zakelijk weergegeven:

Vergelijkend onderzoek van het spoor (op de gebruikte afbeelding aangeduid met proces-verbaalnummer) BVH 2016-001478 met de afdruk van de rechtermiddelvinger voorkomend

op de vingerafdrukkenblad ten name van [slachtoffer]6, heeft geleid tot individualisatie. Uit onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen het spoor en de afbeelding van de rechtermiddelvinger. Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachtingen wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig persoon is verwaarloosbaar klein.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2016, opgenomen op pagina 340 e.v. (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Verbalisant hoorde dat [naam] op 4 januari 2016 in een telefoongesprek hem vertelde dat de vermiste [slachtoffer] zou zijn vermoord. De persoon die ermee te maken had zou heten [medeverdachte]. Later op het politiebureau vertelde [naam] aan verbalisanten dat [medeverdachte] aan hem had verteld dat hij bang was dat [verdachte] zijn vriendin zou gaan praten, maar dat [verdachte] haar handen net zo vies zou hebben als die van hem.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 januari 2016, opgenomen op pagina 350 e.v. (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Tijdens een gesprek op het politiebureau op 5 januari 2016 vertelde [naam] ons dat hij wist wie de vermiste jongen had vermoord. Deze jongen zou [medeverdachte] genaamd zijn. [medeverdachte] had verteld dat zijn vriendin ook betrokken was bij de moord op [slachtoffer]. [medeverdachte] had verteld dat zijn vriendin na een ruzie met [slachtoffer] met een stalen pijp op [slachtoffer] zijn hoofd geslagen had waardoor er een gat in [slachtoffer] zijn hoofd was ontstaan. Vervolgens zou [medeverdachte] de keel van [slachtoffer] hebben doorgesneden om het af te maken.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor (mede)verdachte d.d. 13 januari 2016, opgenomen op pagina 95 e.v. (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], zakelijk weergegeven:

Dat ik iemand heb gestoken, klopt, heb ik. Dat ik iemand heb doodgemaakt, heb ik.
Op 1 januari 2016 was [slachtoffer] in mijn woning aan de [straatnaam] te [pleegplaats]. Er werd geslagen heen en weer. [verdachte] had de buis, een stofzuigerstang en begon op hem in te slaan. [verdachte] raakte [slachtoffer] aan de achterkant. Van de kruin tot het schouderblad. Op den duur had hij te veel klappen van mij gehad en zakte hij in elkaar. Ik bleef slaan, ik bleef slaan. Als je eenmaal slaat blijf je slaan. Toen zijn we in de hal terecht gekomen. Ik heb hem gestoken.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 januari 2016, opgenomen op pagina 180 e.v. (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik had de stofzuigerstang met twee handen vast en ik heb hem hard geslagen. Ik heb vaak geslagen, dat weet ik wel. Ik weet dat ik die stang zelf in de hand heb gehad. Ik heb hem zelf geslagen. Ik heb hem op het hoofd geraakt, dat weet ik zeker. Toen [medeverdachte] het bed in kwam zei hij tegen mij: ”Ik heb hem van hier tot daar opengesneden.” Opmerking verbalisant: Verdachte gaat met haar handpalm langs haar hals, van rechts naar links.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bevinding reconstructie7

d.d. 18 april 2016, opgenomen op pagina 625 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Verdachte zegt: “[medeverdachte] werd hartstikke boos en toen zijn ze aan het vechten gegaan met z'n tweeën. Echt slaan, schoppen, van alles. Het ging er heel heftig aan toe.”

Verdachte vertelt dat ze nog weet dat [medeverdachte] op de bovenarmen van [slachtoffer] zat en dat [slachtoffer] geen kant op kon. Ze zegt dat [medeverdachte] [slachtoffer] aldoor slaat in het gezicht. Verdachte zegt dat ze niks van [slachtoffer] zag maar van [medeverdachte] zag ze dat zijn arm heen en weer ging. Verdachte vertelt dat [medeverdachte] op een gegeven moment verder naar boven is gaan zitten op de bovenarmen van [slachtoffer]. Ze weet nog dat dat het moment was dat [medeverdachte] haar om een mes heeft gevraagd. Verdachte zegt dat ze naar de gang liep en daar zag dat [medeverdachte] op de bovenarmen van [slachtoffer] zat. Dit was voordat zij het mes pakte. Verdachte vertelt: “[medeverdachte] zei: “Pak een mes”. Ik liep gewoon naar de keuken en pakte een mes. Ik was er ook al vanuit gegaan dat [medeverdachte] hem er wat mee aan zou doen. En toen heb ik in de gang dat mes aan hem gegeven. Een paar seconden later hoorde ik dit geluid (opmerking verbalisant: verdachte heeft haar rechterhand tot vuist gebald en slaat hier een aantal keren mee in haar linkerhand). Steekgeluiden, dat hoorde ik.”

De rechtbank overweegt het navolgende.

De rechtbank stelt voorop dat zij het door de raadsvrouw op de terechtzitting van 2 juni 2017 geopperde scenario niet aannemelijk acht, nu verdachte zelf hierover op geen enkel moment, ook niet ter terechtzitting, heeft verklaard en dit scenario bovendien strijdig is met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er in de woning van medeverdachte [medeverdachte] een vechtpartij heeft plaatsgevonden, waarbij door verdachte meerdere malen met een stofzuigerstang op het hoofd van [slachtoffer] is geslagen en door medeverdachte [medeverdachte] meerdere malen met een door verdachte aangereikt mes, is gestoken en gesneden in de hals van [slachtoffer].

Over het moment waarop verdachte met de stofzuigerstang heeft geslagen verklaren medeverdachte [medeverdachte] en verdachte niet gelijkluidend. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat dit is gebeurd tijdens het gevecht in de woningkamer vlak voor de kerstboom, terwijl verdachte heeft verklaard dat zij heeft geslagen nadat medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer] had gestoken en hem vanuit de hal naar de woonkamer had gesleept8.

Op grond van hetgeen [naam] en [naam] aan de politie hebben verteld over wat zij van medeverdachte [medeverdachte] vóór zijn aanhouding hebben gehoord, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in ieder geval vóórdat medeverdachte [medeverdachte] de fatale verwondingen met het mes heeft toegebracht met de stofzuigerstang heeft geslagen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat medeverdachte [medeverdachte] de uitlatingen tegen [naam] en [naam] heeft gedaan in voor hem vertrouwde omgevingen (bij zijn vader respectievelijk een goede vriend thuis) op momenten dat hij raad vroeg over het wegwerken van bewijs. Dit zijn uitlatingen geweest die hemzelf eveneens zeer belasten en niet valt in te zien waarom hij dat op die momenten zou verklaren indien dat niet conform de waarheid was. Dat [slachtoffer] bij leven met de stofzuigerstang is geslagen kan naar het oordeel van de rechtbank ook worden afgeleid uit de resultaten van het forensisch onderzoek. Zo blijkt uit het sectierapport dat (nagenoeg) alle verwondingen aan het hoofd, ook die op de kruin en het achterhoofd, bij leven zijn ontstaan. Verder kan het niet anders, gelet op de aangetroffen vingerafdruk van [slachtoffer] in zijn eigen bloed op het lage tussenmuurtje bij de keuken, dan dat [slachtoffer] al behoorlijk wat bloed verloor vóórdat hij in de hal belandde waar het fatale letsel is toegebracht. Daarbij genomen de veelheid aan bloedsporen van [slachtoffer], met name in het open slaapgedeelte, en de conclusies van de bloedspoorpatroonanalyse, moet er op dat moment al veel geweld zijn gebruikt tegen [slachtoffer], waarbij de rechtbank het niet aannemelijk acht dat dit enkel uit door medeverdachte [medeverdachte] uitgedeelde vuistslagen en stompen heeft bestaan. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte al in de woonkamer, in het bijzonder in (het gedeelte tussen de keuken en) het open slaapgedeelte, meerdere malen hard met de stofzuigerstang heeft geslagen.

De rechtbank stelt op grond van het sectierapport vast dat [slachtoffer] om het leven is gebracht door het steken dan wel snijden in de hals, waardoor er fors bloedverlies en longfunctiestoornissen zijn opgetreden. Uit de bewijsmiddelen blijkt weliswaar dat medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die de messteken en -sneden heeft toegebracht, maar voor de bewezenverklaring dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de levensberovende handeling, is niet noodzakelijk dat bewezen wordt dat verdachte de handeling waarmee [slachtoffer] uiteindelijk om het leven is gebracht zelf heeft verricht. Voor een dergelijke bewezenverklaring volstaat dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten, waarbij de bijdrage van verdachte aan de levensberoving van voldoende gewicht moet zijn geweest om te kunnen spreken van medeplegen. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat zowel medeverdachte [medeverdachte] als verdachte, voordat [slachtoffer] in de hal op de grond is beland, geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend, medeverdachte [medeverdachte] met de blote vuisten en verdachte met een stofzuigerstang. De rechtbank acht het op grond van voornoemd sectierapport en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] dat [slachtoffer] op een gegeven moment teveel klappen had gehad, aannemelijk dat het letsel dat hierdoor aan het hoofd van [slachtoffer] is toegebracht, gepaard is gegaan met bewustzijnsstoornissen, waardoor [slachtoffer] minder goed heeft kunnen reageren op overig tegen hem uitgeoefend geweld. In zoverre heeft verdachte reeds in gezamenlijke uitvoering met medeverdachte [medeverdachte] een indirecte bijdrage geleverd aan het overlijden van [slachtoffer]. Verder is van belang dat op het moment dat [slachtoffer] in de gang naar de grond is gewerkt en zodanig door medeverdachte [medeverdachte] onder controle is gehouden dat hij niet meer in staat was zich te verdedigen, verdachte het mes heeft aangereikt, waarmee medeverdachte [medeverdachte] de levensberovende handeling heeft verricht. Vastgesteld kan derhalve worden dat verdachten gelijktijdig en in elkaars nabijheid handelingen hebben verricht die er uiteindelijk toe hebben geleid dat [slachtoffer] is komen te overlijden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering en waarbij de door verdachte geleverde bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de bewijsmiddelen tevens kan worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval is relevant dat verdachte het mes heeft aangereikt aan medeverdachte [medeverdachte], terwijl zij wist dat door medeverdachte [medeverdachte] en haarzelf al veel geweld tegen [slachtoffer] was uitgeoefend en dat [slachtoffer], die inmiddels op de vloer lag, volgens haar eigen verklaring, geen kant meer op kon. Door onder deze omstandigheden op verzoek een mes aan te reiken heeft verdachte zich blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat medeverdachte [medeverdachte] dat mes als wapen tegen [slachtoffer] zou gebruiken en [slachtoffer] daarbij, zeker nu hij zich niet meer kon verweren, dodelijk zou verwonden. Gelet op haar eigen verklaring dat zij er ook wel van uitging dat medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer] wat zou gaan aandoen met het mes, was zij zich ook bewust van die aanmerkelijke kans en heeft zij die kans ook welbewust aanvaard. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de psychische gesteldheid van verdachte doet hierbij verder niet ter zake.

Aan verdachte is ook ten laste gelegd dat zij met voorbedachte raad heeft gehandeld. Op grond van de verklaringen van verdachte kan echter niet wettig worden bewezen dat verdachte reeds van tevoren daadwerkelijk het plan heeft opgevat om [slachtoffer] van het leven te beroven. Voorts blijkt uit de voorhanden zijnde stukken onvoldoende in welk tijdsbestek één en ander zich heeft afgespeeld en wat precies de volgorde van de handelingen is geweest. Derhalve kan niet worden vastgesteld of er voor verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het genomen of het te nemen besluit en na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord.

De rechtbank acht gelet op vorenstaande het medeplegen van doodslag bewezen.

Gelet op het sectierapport is er geen bewijs dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van het in de grond begraven. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit deel van het ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 1 januari 2016 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk
[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader met dat opzet

- meermalen met kracht met een metalen buis op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, en

- op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en

- samendrukkend geweld op de hals van die [slachtoffer] uitgeoefend, en

- meermalen met een mes in de hals van die [slachtoffer] gestoken en gesneden ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair Medeplegen van doodslag.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat daarom ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, zelfs wanneer de rechtbank uit zou gaan van de voor verdachte meest belastende verklaring, verdachte [slachtoffer] enkel met de stofzuigerstang heeft geslagen om medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten. Verdachte was genoodzaakt iets te doen, omdat de vechtpartij heftig was en niets doen geen optie was. Daarbij komt dat medeverdachte [medeverdachte] als eerste door [slachtoffer] is aangevallen en later verdachte zelf ook. Volgens de raadsvrouw heeft verdachte niet gelijk het zwaarste middel in gezet, maar heeft zij eerst geprobeerd om [slachtoffer] van medeverdachte [medeverdachte] af te trekken. Toen dit niet hielp en het vechten gewoon doorging, heeft verdachte [slachtoffer] eerst een paar keer met de stofzuigerstang op de rug en daarna pas op zijn hoofd geslagen. Toen dit ook niet hielp, en medeverdachte in de gang om een mes riep, heeft verdachte hem het mes gegeven. Naar de mening van de raadsvrouw voldoet de verdediging van verdachte dan ook aan de subsidiariteitseis en was de keuze en opbouw van de diverse verdedigingsmiddelen tevens proportioneel. Het letsel dat verdachte heeft opgelopen past ook bij het zich verweren tegen een aanranding.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] gericht tegen verdachten en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van verdachten omtrent de aanleiding van de geweldshandelingen zijn zodanig inconsistent, onvolledig en onduidelijk dat deze niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Het geweld jegens [slachtoffer] heeft blijkens de bloedspatpatroonanalyse van het NFI ook plaatsgevonden in de slaapkamer en niet alleen in de woonkamer en de hal van de woning zoals verdachten verklaren. Voorts heeft [slachtoffer] fors letsel opgelopen en ontbreekt blijkens de letselverklaringen enig ernstig letsel bij verdachten, waarbij het opvallend is dat bij medeverdachte [medeverdachte] aan de torso geen letsel is geconstateerd. Dit past niet bij de verklaringen van verdachten dat [slachtoffer] de agressor is geweest. Ook strookt het ontbreken van enig letsel aan de linkerhand van [slachtoffer] niet met de verklaringen van verdachten dat [slachtoffer] behoorlijke klappen heeft uitgedeeld. Tevens blijkt uit het dossier dat de voordeur van binnenuit is ingetrapt door [slachtoffer]. Dit duidt er op dat [slachtoffer] verdachten probeerde te ontvluchten. Het door verdachten uitgeoefende geweld was derhalve meer aanvallend, waardoor er geen beroep op noodweer kan worden gedaan.

Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van verdachten drie situaties kunnen worden gedestilleerd, te weten het eerste moment waarop [slachtoffer] in de woonkamer de eerste klap heeft gegeven, het tweede moment waarop [slachtoffer] tijdens de worsteling met medeverdachte [medeverdachte] verdachte een klap, trap of elleboogstoot heeft gegeven en het derde moment waarop [slachtoffer] in de hal ligt en medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer] met een mes steekt. De officier van justitie is van mening dat gedurende deze drie momenten - als er al sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en op enig moment van verdediging - de verdediging niet noodzakelijk en geboden was.

Het oordeel van de rechtbank

Aan een verdachte die - kort gezegd - heeft gehandeld ter verdediging, kan onder omstandigheden een beroep toekomen op de in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafuitsluitingsgrond noodweer. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, zal moeten worden onderzocht of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten en bij de beoordeling van het beroep kunnen de nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn.9 Verdachte dient daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan aannemelijk is te achten dat het begane feit was geboden door de noodzakelijk verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.10

Verdachte heeft wat dit betreft verklaard dat haar partner medeverdachte [medeverdachte] in zijn eigen woning werd aangevallen, dat op enig moment ook geweld tegen haar is uitgeoefend en dat zij enkel met de stofzuigerstang heeft geslagen en het mes heeft aangereikt om medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten.

Zoals de rechtbank reeds bij de bewijsoverwegingen vooraf heeft opgemerkt, moeten de verklaringen die door verdachte zijn afgelegd in een bepaalde context worden gezien. De rechtbank heeft reeds overwogen dat zij de latere verklaringen van verdachte niet anders kan zien dan als een poging om de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] te bevestigen dan wel om haar verhaal passend te krijgen aan de bevindingen van het onderzoek. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank in dit kader dat verdachte, nadat zij heeft kennis genomen van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en met hem - in het PBC - uitgebreid over de verklaringen heeft kunnen praten, haar verklaring heeft bijgesteld en op 27 juni 2016 opeens "nieuwe" herinneringen heeft. Het slaan met de stofzuigerstang is dan plotsklaps om medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten en is gebeurd op het moment dat medeverdachte [medeverdachte] ook beschrijft, terwijl hij met [slachtoffer] in gevecht is. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat, door aldus te verklaren, is getracht een noodweersituatie voor zichzelf en ook voor medeverdachte [medeverdachte] te creëren. Verdachte heeft in haar verhoor van 7 januari 2016 verklaard dat ze [slachtoffer] van medeverdachte heeft afgetrokken, terwijl verdachte in de verhoren van 13 en 14 januari 2016 over het moment waarop verdachte medeverdachte [medeverdachte] moest ontzetten heeft verklaard dat zij [slachtoffer] van achter heeft beetgepakt in een soort klem in een poging hem van verdachte af te trekken, waarna [slachtoffer] zich zou hebben omgedraaid. Zij heeft daarbij verklaard zich niet te kunnen herinneren wat er vervolgens is gebeurd, maar dat zij van medeverdachte [medeverdachte] heeft gehoord dat zij twee keer geslagen en een keer geschopt is door [slachtoffer].11 Bij de reconstructie heeft verdachte verklaard dat op het moment waarop zij probeerde [slachtoffer] van medeverdachte [medeverdachte] af te trekken, medeverdachte [medeverdachte] een beetje voorover stond en [slachtoffer] hem aan de achterkant vasthad.12 Daargelaten de wijze waarop verdachte zou hebben geprobeerd medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten, valt op dat de positie waarin verdachte [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte] daarbij ten opzichte van elkaar plaatst, niet overeenkomt met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte]. Hij heeft op 13 januari 2016 verklaard dat verdachte met een stofzuigerbuis sloeg op het moment waarop [slachtoffer] bovenop op hem lag en op hem begon in te beuken. [slachtoffer] zou verdachte op dat moment een 'klap op de bek' hebben gegeven, hetgeen medeverdachte [medeverdachte] bij de reconstructie zo heeft omschreven dat [slachtoffer] zijn elleboog achteruit haalde en hiermee verdachte op haar gezicht raakte.13

Vergelijking van de verklaringen van verdachten leert verder dat verdachten niet gelijkluidend verklaren over de plaats waar medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer] zich bevonden op het moment dat [slachtoffer] volgens hen de eerste klap aan medeverdachte [medeverdachte] heeft uitgedeeld. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] op de bank ging zitten en medeverdachte [medeverdachte] stond en dat medeverdachte [medeverdachte] heel agressief iets heeft gezegd, waarop [slachtoffer] opstond en medeverdachte [medeverdachte] aanvloog.14 Bij de reconstructie heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] op de bank zat en dat verdachte op het moment dat [slachtoffer] de eerste klap gaf licht gebogen voorover stond.15 Medeverdachte [medeverdachte] heeft echter verklaard dat híj op de bank en [slachtoffer] op een stoel zat en dat [slachtoffer] hem een klap heeft gegeven nadat ze tegelijk opstonden16 dan wel nadat [slachtoffer] in navolging van hem ging staan.17 In feite omschrijven verdachten hiermee ieder een andere gang van zaken, zowel wat betreft het begin van de vechtpartij als wat betreft het moment waarop verdachte erbij betrokken raakte. Hoewel beide verdachten dus hebben verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] de eerste klap kreeg en verdachte hem op enig moment moest ontzetten, ondersteunt de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] de verklaring van verdachte op dit punt (juist) niet.

Daar komt bij dat de door verdachte gestelde gang van zaken wat betreft het door [slachtoffer] op medeverdachte [medeverdachte] uitgeoefende geweld ook niet wordt ondersteund door het objectieve forensische bewijs. Uit de over medeverdachte [medeverdachte] opgemaakte letselrapportage blijkt dat bij hem enkel noemenswaardig letsel aan zijn oog en kaak is geconstateerd en in het geheel niet op zijn torso,18 hetgeen wel te verwachten valt als het zo is, zoals verdachte heeft verklaard, dat [slachtoffer] de bovenliggende partij was en doorlopend de aanval zocht. Aan het lichaam van [slachtoffer] is daarentegen op heel veel plekken, over zijn hele lichaam, letsel geconstateerd, wat erop duidt dat juist op hem veel geweld is toegepast, waarbij op het hoofd - gezien de breuk in de oogkas - en de halsstreek extreem geweld is uitgeoefend. Dat verdachte op haar hoofd zou zijn geslagen dan wel geraakt door [slachtoffer] wordt daarnaast niet onderbouwd door de over haar opgemaakte letselrapportage.19 Op basis van deze bevindingen is het veel aannemelijker dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] tijdens de vechtpartij de aanvallende partij zijn geweest. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat bij [slachtoffer] geen snijwonden op zijn handen zijn aangetroffen, hetgeen er op duidt dat [slachtoffer] op het moment dat medeverdachte [medeverdachte] in het bezit was van het mes, zich niet meer heeft kunnen verdedigen. Dit strookt ook met de verklaring van verdachte, inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte] op de bovenarmen van [slachtoffer] zat toen zij het mes aanreikte. Dat [slachtoffer] in de gang - op het moment waarop verdachte het mes aan medeverdachte [medeverdachte] heeft aangereikt - de aanvallende partij was, acht de rechtbank dan ook zonder meer ongeloofwaardig.

Gelet op de wijze waarop de verklaringen van verdachte tot stand zijn gekomen, de verschillen in de verklaringen van verdachten omtrent de eerste klap alsmede het moment van ontzetten en het hiervoor genoemde forensisch bewijs, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] medeverdachte [medeverdachte] in zijn woning heeft aangevallen en de overhand heeft gehad in het gevecht dat volgde. Dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte] en/of verdachte, waartegen verdediging door verdachte noodzakelijk en geboden was, is derhalve niet gebleken. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte niet proportioneel heeft gehandeld, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt en om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Als ook het beroep op noodweerexces niet slaagt, dient verdachte volgens de raadsvrouw te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens (psychische) overmacht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte plotseling in een bijzonder stressvolle situatie verkeerde, waarmee zij met haar (persoonlijkheids)problematiek niet goed raad wist. Verdachte kon niet anders dan slaan met een stang op het hoofd van [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte] een mes geven op het moment dat hij daar in een panieksituatie om schreeuwde.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen beroep kan worden gedaan op noodweerexces, nu geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en noodzaak tot verdediging. Ook het beroep op psychische overmacht moet worden verworpen, omdat niet gebleken is van een van buiten komende drang, waartegen weerstand redelijkerwijs niet kon worden gevergd.

Oordeel van de rechtbank

Noodweerexces kan aan de orde zijn indien in een noodweersituatie de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Daarvoor is allereerst vereist dat vastgesteld kan worden dat sprake is (geweest) van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Zoals hiervoor is overwogen acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweerexces dient derhalve te worden verworpen.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan een verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en behoeft te bieden. Nu bij de bespreking van het beroep op noodweer niet gebleken is dat van een dergelijke drang sprake is geweest, kan het beroep op psychische overmacht om die reden evenmin slagen. Ook is niet gebleken dat sprake is van een op andere wijze ontstane van buiten komende drang.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering straf en/of maatregel.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het medeplegen van doodslag een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De officier van justitie heeft hierbij onder meer de ernst van het strafbare feit en de wijze waarop het slachtoffer is aangetroffen betrokken. De gevolgen voor de nabestaanden zijn diepingrijpend en nog dagelijks voelbaar. Daarnaast heeft de officier van justitie de houding van verdachte in aanmerking genomen, alsmede de persoon van verdachte. Verdachte dient verminderd toerekeningsvatbaar te worden verklaard. De officier van justitie acht de kans op recidive zeer groot en heeft zich op het standpunt gesteld dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van oordeel dat, wanneer de rechtbank aan een strafoplegging toe mocht komen, rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte nauwelijks veroordelingen op haar strafblad heeft staan. Daarnaast heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte zeer gemotiveerd is voor een behandeling. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is niet aangewezen, gelet op de wachttijd die hiervoor geldt, maar in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zou verdachte meteen kunnen worden geplaatst. Een gevangenisstraf naast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zou vertraging van de behandeling betekenen, terwijl verdachte op dit moment zeer gemotiveerd is. De raadsvrouw heeft voorts opgemerkt dat behandeling, gelet op de problematiek bij verdachte, veel tijd zal gaan vergen. Een lange gevangenisstraf wordt dan ook contra geïndiceerd geacht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. De trieste conclusie is dat nooit helemaal duidelijk zal zijn wat er precies is gebeurd. Vast staat wel dat op 1 januari 2016 [slachtoffer], die toen nog maar 28 jaar oud was, mede door toedoen van verdachte, op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. [slachtoffer] is daarna op een respectloze wijze in een kuil, die in eerste instantie niet diep genoeg was, om welke reden er een tweede kuil is gemaakt, in de tuin van medeverdachte [medeverdachte] begraven. Terwijl verdachte bezig was om de sporen van dit afschuwelijke delict te verwijderen, waren buiten familie, vrienden, kennissen en hulpdiensten naarstig op zoek naar [slachtoffer].

Het wegvallen van [slachtoffer] heeft voor een onmetelijk verdriet en onherstelbaar gemis in het leven van de nabestaanden gezorgd, hetgeen op de terechtzitting ook door meerdere nabestaanden op een indringende wijze is verwoord. De nabestaanden hebben door het handelen van verdachte onnodig lang in onzekerheid verkeerd over het lot van [slachtoffer] en zijn geconfronteerd met de gruwelijke wijze waarop hij om het leven is gebracht en met de oneerbiedige wijze waarop hij was begraven. De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer zwaar aan.

Medeplegen van doodslag behoort tot de meest ernstige strafbare feiten, waarop de wetgever hoge straffen heeft gesteld. Het meest wezenlijke recht van iemand, namelijk het recht te mogen leven, is door verdachte op grove wijze geschonden.

De rechtbank heeft tevens de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen. Wat betreft het strafblad van verdachte heeft de verdediging terecht opgemerkt dat verdachte slechts eenmaal eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Hierbij is echter wel relevant te vermelden dat het een veroordeling betrof voor een openlijke geweldpleging, waarbij ook medeverdachte [medeverdachte] betrokken was.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het pro Justitia rapport d.d. 15 juni 2016, opgemaakt door G.M. Jansen, GZ-psycholoog en J. Marx, psychiater, van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in als conclusie dat er bij verdachte zowel sprake is van een ziekelijk stoornis, te weten grote verslavingsgevoeligheid en cognitieve stoornissen, als van een gebrekkige ontwikkeling, inhoudende het functioneren op zwakbegaafd niveau. Deze problematiek wordt gekenmerkt door een vroeg begin, langdurig beloop en duurzaam patroon, zodat er volgens de deskundigen voldoende gronden zijn voor de conclusie dat deze eveneens aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde. Door de deskundigen is evenwel geen verband aangetoond tussen de beschreven problematiek en het ten laste gelegde feit, waardoor er geen gronden zijn om te adviseren tot een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid en geen uitspraak kan worden gedaan over de kans op recidive.

Op verzoek van de raadsvrouw van verdachte is er een contra-expertise verricht. In het kader hiervan is door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus en drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog gerapporteerd. Deze deskundigen hebben naast de door het Pieter Baan Centrum vastgestelde psychische stoornissen, ook een posttraumatisch stressstoornis en een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld, waarbij de persoonlijkheidsstoornis door dr. Van Os is gediagnosticeerd als een gemengde persoonlijkheidsstoornis met trekken van een borderline en antisociale persoonlijkheidsstoornis en door drs. Van Heteren als een borderline persoonlijkheidsstoornis. Beide deskundigen hebben geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, nu de psychische stoornissen van verdachte haar gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde zodanig hebben beïnvloed dat het ten laste gelegde daaruit kan worden verklaard. Het risico op een geweldsdelict wordt door deze deskundigen groot geacht, indien verdachte niet wordt behandeld voor en wordt begeleid in verband met de combinatie van haar stoornissen. Belangrijkste risicofactoren zijn de alcoholverslaving, de verstandelijke beperking, de onderliggende zwakke persoonlijkheidsstructuur met haar trauma’s en haar ongelukkige partnerkeuze. De deskundigen hebben vanwege de complexiteit, ernst en hardnekkigheid van de stoornissen een klinische behandeling geadviseerd in het kader van een maatregel van terbeschikkingstelling. De complexiteit van de stoornissen vraagt om een langdurig klinisch traject, waarbinnen verdachte zich als persoon kan ontwikkelen en haar trauma’s kan verwerken zonder het risico van terugval in het gebruik van middelen en doorkruising van het behandeltraject door de huidige partnerrelatie met de medeverdachte. Geadviseerd wordt de behandeling te laten plaatsvinden in een TBS kliniek die recht doet aan de beperkingen van verdachte op het gebied van haar verstandelijke vermogens, waarbij drs. Van Heteren nadrukkelijk Hoeve Boschoord heeft geadviseerd.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de onderbouwing van de rapporten, de toedracht van de feiten en de persoon van verdachte, met voormelde conclusies uit de rapporten van
dr. Van Os en drs. Van Heteren, en maakt die tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Gelet op voornoemde inhoud van de rapporten zal de rechtbank aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen met verpleging van overheidswege. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke maatregel is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, het feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel, nu naar het oordeel van de rechtbank het recidivegevaar hoog is.

De rechtbank is verder van oordeel dat naast de maatregel van terbeschikkingstelling aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte is rekening gehouden met hetgeen hiervoor is overwogen. Daarnaast wordt als strafverlagend meegewogen de omstandigheid dat het feit verdachte in verminderde mate wordt toegerekend en de verwachte lange duur van behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling, waardoor verdachte lange tijd in zijn vrijheid zal zijn beperkt. Desalniettemin is gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit alleen een gevangenisstraf van lange duur passend en geboden.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van na te melden duur, alsmede gelasten dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en daarbij bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank beslist, overeenkomstig de door de officier van justitie ter terechtzitting van

2 juni 2017 overgelegde beslaglijst, ten aanzien van de onder verdachte in beslaggenomen goederen als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

KVI nummer 2827644: een zwarte jas, een zwart shirt, een spijkerkleurige broek, een grijs topje/hemdje, zwarte laarzen/snowboots, een zwarte sjaal; en

KVI nummer 2830503: een zwarte computer Sandisk Micro

moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

KVI 2859475: drie sleutels, een portemonnee, mobiele telefoon ( Samsung zwart); en

KVI 3033582 en 3143460: 5 euro biljet, fietssleutel, 10 cafémunten en kleingeld; en

KVI 3143460: schoenen (uit kruipruimte)

moeten worden teruggegeven aan de nabestaanden nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

(KVI nummer 2827644) zwarte jas, zwarte shirt, spijkerkleurige broek, grijze topje/hemdje, zwarte laarzen/snowboots, zwarte sjaal; en

(KVI nummer 2830503) zwarte computer Sandisk Micro.

Gelast de teruggave aan de nabestaanden van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

(KVI 2859475) drie sleutels, portemonnee, mobiele telefoon (Samsung zwart); en

(KVI 3033582 en 3143460) 5 euro biljet, fietssleutel, 10 cafémunten en kleingeld; en

(KVI 3143460) schoenen (uit kruipruimte).

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. M. Haisma, rechters, bijgestaan door mr. E.A.B. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Er wordt hier steeds verwezen naar de resultaten van het deskundigenrapport opgenomen op pagina 483 e.v. van map 4.

2 Letsel B: Aan de kruin, in een gebied van circa 3 x 2 cm, was rode huidverkleuring door onderhuidse bloeduitstorting met een streepvormige oppervlakkige huidbeschadiging met een lengte van circa 1,5 cm, bovenop het hoofd, iets links van het midden was een Y-vormige huidverscheuring van circa 2 x 1 cm met onderhuidse bloeduitstorting en aan het hoofd linkszijwaarts, kruinwaarts van het oor, waren twee ruwrandige oppervlakkige huidverscheuringen van maximaal circa 0,7 cm, zie bijlage 1 voornoemd.

3 Letsel E: Achter op het hoofd in een gebied van circa 8 x 4 cm was een rode vlekkige verkleuring door bloeduitstorting, zie bijlage 1 voornoemd.

4 Opgenomen in de Sporenlijst, als bijlage 1 bij dit rapport gevoegd: SIN AAGU0553 Bemonstering (ws) bloedspatten op binnenzijde voordeur, SIN AAGU0558 Bemonstering (ws) bloed op betonnen vloer in entree/hal, in hoek bij douchedeur en woonkamerdeur, SIN AAGU0572 Bemonstering (ws) bloedspat rechts op muur achter en boven het hoofdeinde van het bed, SIN AAGU0573 Bemonstering (ws) langgerekte bloedspat op de muur links van het bed, in de hoek bij het hoofdeinde.

5 Deze conclusie wordt bevestigd in het deskundigenrapport van Loci Forensics Consulting d.d. 13 mei 2017, opgemaakt door M.J.P. Eversdijk naar aanleiding van een in contra-expertise verricht onderzoek naar bloedspatpatronen, als los stuk bij het dossier gevoegd.

6 Dactyloscopisch signalement afgenomen van de handen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 7 januari 2016, zie proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaal nr. PL0100-2016001478 op pagina 248 (map 3).

7 Op woensdag 3 februari 2016 werd aan de [straatnaam] b te [pleegplaats] een reconstructie gehouden in verband met het niet natuurlijk overlijden van [slachtoffer] op 1 januari 2016. Dit betreft een uitwerking van verbalisant van het opgenomen beeldmateriaal.

8 Proces verbaal van verhoor van medeverdachte [verdachte] d.d. 7 januari 2016 p. 169 e.v. (map 1)

9 ECLI:NL:HR:2016:456.

10 Zie o.a. ECLI: NL: GHSHE;2015;3198.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 7 januari 2016, pagina 171 en proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 13 januari 2016, pagina 220 (map 2).

12 Proces-verbaal bevinding reconstructie op 3 februari 2016 d.d. 18 april 2016, pagina 628 (map 2).

13 Voornoemd proces-verbaal bevinding reconstructie, pagina 635 (map 2).

14 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 7 januari 2016, pagina 174 (map 1).

15 Voornoemd proces-verbaal bevinding reconstructie, pagina 628 (map 2).

16 Proces verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 13 januari 2016, pagina 101 e.v. (map 1).

17 Voornoemd proces-verbaal bevinding reconstructie, pagina 634 (map 2).

18 Letselrapportage betreffende medeverdachte [medeverdachte] d.d. 6 januari 2016, pagina 126 (map1).

19 Letselrapportage betreffende verdachte d.d. 6 januari 2016, pagina 320 (map1).