Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2318

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
05-05-2019
Zaaknummer
C/17/143391 / HA ZA 15-245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijheid.

Onrechtmatig handelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/739
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/143391 / HA ZA 15-245

Vonnis van 28 juni 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseressen,

advocaat mr. H.W. ten Katen te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. W.M. Sturms te Leeuwarden.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] en gezamenlijk [eiseressen] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 11 november 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de akte aan de zijde van [eiseressen] ;

  • -

    de antwoordakte aan de zijde van [gedaagden]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben een geregistreerd partnerschap gesloten.

2.2. [gedaagde sub 2] exploiteert de eenmanszaak [de eenmanszaak] (hierna te noemen: [de eenmanszaak] ). Daarnaast is hij bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [BV gedaagde 2] (hierna te noemen: [BV gedaagde 2] ).

2.3. [gedaagde sub 1] was bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. gedaagde sub 1] (hierna te noemen: [B.V. gedaagde sub 1] ) tot aan het moment van de ontbinding van deze vennootschap.

2.4. In 2004 vormde [BV gedaagde 2] met de heer [naam 1] en de heer I. [Naam 2] (hierna te noemen: [Naam 2] ) een consortium. Dit consortium heeft in hetzelfde jaar de scheepswerf Kladovo te Kladovo (Servië) (hierna te noemen: de scheepswerf) gekocht van de Servische overheid, die op dat moment door middel van de Servische vennootschap Rhein Donau Yard a.d. (hierna te noemen: Rhein Donau Yard) eigenaar was van de scheepswerf. [BV gedaagde 2] verwierf ongeveer 80% van de aandelen in Rhein Donau Yard. [Naam 2] was bestuurder en minderheidsaandeelhouder van Rhein Donau Yard.

2.5. Om voor een Nederlandse overheidssubsidie in aanmerking te komen, is de Servische vennootschap Rhine Danube d.o.o. (hierna te noemen: Rhine Danube) opgericht. Volgens de subsidievereisten moest een deel van de activa van Rhein Donau Yard in de scheepswerf op naam worden gesteld van Rhine Danube, die de economische eigendom van de betreffende activa verkreeg en daarmee de feitelijke beschikking over de scheepswerf kreeg.

2.6. In 2006 is een deel van de grond van de scheepswerf aan [B.V. gedaagde sub 1] overgedragen.

[B.V. gedaagde sub 1] heeft op deze grond een hal en kranen gerealiseerd.

2.7. Medio 2006 heeft [eiseres sub 1] - waarvan de heren [bestuurder 1 eiseres sub 1] en [bestuurder 2 eiseres sub 1] (hierna te noemen: [bestuurders eiseres sub 1] ) bestuurder en aandeelhouder zijn - aan Rhein Donau Yard opdracht gegeven tot het bouwen van een casco-schip. De Cypriotische vennootschap Decast Ltd. (hierna te noemen: Decast), waarvan [Naam 2] op dat moment bestuurder en grootaandeelhouder was, fungeerde in de betreffende overeenkomst als investeerder voor de materialen en andere gerelateerde kosten voor de bouw van het casco.

2.8. Omdat [eiseres sub 1] voor de nakoming van de opdracht tot het verrichten van scheepsbouwwerkzaamheden en voor de financiering daarvan zekerheid wenste, zijn alle activa in de scheepswerf - met uitzondering van de activa die aan [B.V. gedaagde sub 1] en Rhine Danube toebehoorden - en 86,52% van de aandelen in Rhine Danube ter garantie gesteld aan de in 2006 opgerichte vennootschap Rhein Donau d.o.o. (hierna te noemen: Rhein Donau). Decast en [eiseres sub 1] bezaten op dat moment 10% respectievelijk 90% van de aandelen in Rhein Donau. De zekerheden zijn door [eiseres sub 1] uitgewonnen waardoor de hiervoor genoemde activa en aandelen in handen zijn gekomen van Rhein Donau.

2.9. Vanwege dreigende problemen rond de bouw van haar schepen heeft (in ieder geval) [eiseres sub 1] besloten tot de aankoop van de scheepswerf.

2.10. Hieronder volgt een schematische weergave, zoals opgenomen in productie 5 bij dagvaarding, van de transactie met betrekking tot de onderhavige scheepswerf:

[Afbeelding verwijderd]

2.11. [bestuurders eiseres sub 1] enerzijds en [gedaagde sub 2] anderzijds hebben overeenstemming bereikt over de koop van de scheepswerf door [eiseressen] , althans aan haar gelieerde vennootschappen, en hebben hun afspraken vastgelegd in de (handgeschreven) overeenkomst van 4 december 2007, welke overeenkomst door partijen is aangeduid als raamovereenkomst. De overeenkomst is ondertekend door [bestuurders eiseres sub 1] en [gedaagde sub 2] . In de overeenkomst is het volgende - voor zover van belang - aangegeven:

"Betreft: Kladovo Scheepswerf

Koopprijs € 3.650.000

Betaling 1/3/08 € 650.000,-

1/5/08 € 3.000.000,-

4 december bij niet betaling 10% rente vanaf vermelde datum

In koopprijs:

alle bezittingen volgens tekening

incl. [B.V. gedaagde sub 1]

incl. Outfitting / RD ad / RD doo

incl. PSI

incl. Hotel acc.

incl. [BV gedaagde 2] B.V.

excl. - douane kade

- tax free kade

- rodenstaal € 105.000,-

- scheidslijn vanaf weg (…)

= incl [Bedrijf 1] afwikk.

= incl. rodenstaal (…)

Regie vanaf "direct" (overleg in week 14/12/07)"

2.12. Op 11 december 2007 heeft een (nadere) bespreking plaatsgevonden over de scheepswerf, waarbij [gedaagde sub 2] , [bestuurders eiseres sub 1] , [Naam 2] en de heer [naam 9] (hierna te noemen: [naam 9] ) aanwezig waren. [naam 9] was zzp-er en in dezen als office-manager door [eiseressen] aangesteld. In de notulen van deze bespreking, die voor akkoord zijn ondertekend door [gedaagde sub 2] , [bestuurders eiseres sub 1] en [Naam 2] , is - voor zover van belang - het volgende vastgelegd:

"1) Op 4 december 2007 is tussen partijen overeengekomen dat [gedaagde sub 2] zijn volledige aandeel ( [B.V. gedaagde sub 1] BV, Rhine Donau Yard a.d., Rhine Donau d.o.o., Rhine Danube d.o.o., PSI, slaapaccommodatie, [BV gedaagde 2] BV) in de werf verkoopt aan [eiseres sub 1] voor een bedrag van € 3.650.000,00. [eiseres sub 1] heeft de werf bezichtigd op 12 december 2007 en accepteert de werf in huidige omstandigheden/conditie. De betalingsafspraak is om voor of op 1 maart 2008 een bedrag van € 650.000,00 te betalen en voor of op 1 mei 2008 het resterende bedrag van € 3.000.000,00 te betalen. Indien er niet betaald is/wordt is vanaf 1 mei een rente verschuldigd van 10% op jaarbasis.

(…)

2) De onderwerpen die aan de orde zijn geweest en besproken:

 [gedaagde sub 2] en [eiseres sub 1] hebben [Naam 2] geïnformeerd over de verkoop van [gedaagde sub 2]

’s aandeel in de scheepswerf Kladovo zoals beschreven is op in de met de hand geschreven overeenkomst van 4 december 2007 te [woonplaats] .

 (…)

 Ter verduidelijking voor alle partijen is met behulp van de landkaart (bijlage 1) van de

scheepswerf Kladavo nogmaals besproken en aangegeven welke delen van de scheepswerf in de overdracht van [gedaagde sub 2] ’s aandeel zitten.

3) Afspraken “management” overdracht van [gedaagde sub 2] aan [eiseres sub 1] voor de periode vanaf heden tot aan de volledige betaling van de koopprijs op 1 mei 2008.

 Overal waar "werf" vermeld staat wordt bedoeld het aandeel van [gedaagde sub 2] ( [B.V. gedaagde sub 1] , Rhine Donau Yard a.d., Rhine Donau d.o.o., Rhine Danube d.o.o., afwikkeling PSI, slaapaccommodatie, [BV gedaagde 2] BV) welke overgedragen gaat worden aan [eiseres sub 1] ( [eiseres sub 1] )

 De situatie per 4 december 2007 wordt in kaart gebracht (actie Radu) voor wat betreft de medewerkers, de banksaldi, vorderingen, schulden en overzicht uitgaven.

 Tussen partijen is overeengekomen dat [gedaagde sub 2] zich vanaf heden op de achtergrond blijft en geen actieve aansturing en (in)directe opdrachten meer geeft aan de werf en/of de medewerkers van de werf. Dit houdt ook in dat [gedaagde sub 2] in deze periode de werf niet meer officieel en on-officieel vertegenwoordigd en geen relaties met derden en/of overeenkomsten namens de werf aangaat zonder het schriftelijke akkoord van [eiseres sub 1] .

 (…)

 [eiseres sub 1] zal zich vanaf heden bezig houden met de actieve aansturing van de werf met de bedoeling de werf draaiende te houden. Dit is inclusief het oplossen van de huidige betalingsachterstand tot 4 december 2007. (…)

 [gedaagde sub 2] zegt zijn volledige medewerking toe om de acties te realiseren voor de overdracht. Dit is inzicht geven in de huidige situatie tot en met de realisatie van de nieuwe situatie, incl. volledige overdracht, [gedaagde sub 2] verklaart [eiseres sub 1] volledig te hebben geïnformeerd zonder achterhoudingen welke van invloed kunnen zijn op de financiële positie van de werf en/of eventuele andere (negatieve) effecten.

 Uiteindelijk wordt een contract opgesteld voor de verkoop en overdracht van [gedaagde sub 2] ’s aandeel aan [eiseres sub 1] waarbij de handmatig geschreven overeenkomst, het gespreksverslag van 4 december 2007 in [woonplaats] en dit gespreksverslag cq. "management" overeenkomst deel uit maakt van het contract.

 (…)

 De gedeeltes die niet in de verkoopovereenkomst tussen [gedaagde sub 2] en [eiseres sub 1] zijn genoemd ter overname, worden door de huidige eigenaren voor hun rekening en risico beheert, zie ook punt 1) van dit verslag. De directe en indirecte kosten voor deze gedeeltes zijn vanaf 4 december 2007 zijn voor rekening van de huidige eigenaren.

 (…)."

2.13. Op 19 juni 2008 heeft een bespreking over de scheepswerf plaatsgevonden, waarbij [gedaagde sub 2] , [bestuurder 2 eiseres sub 1] , [Naam 2] en [naam 9] aanwezig waren. In het verslag van deze bespreking, dat voor akkoord is ondertekend door [bestuurder 2 eiseres sub 1] namens [eiseres sub 1] en door [gedaagde sub 2] namens [BV gedaagde 2] en [B.V. gedaagde sub 1] , is - voor zover van belang - het volgende vastgelegd:

"00. Introduction

To make the next steps to finalise the open issues of agreement based on the documents "selling/buying agreement on 4th of December 2007 in [woonplaats] , the minutes of the meeting on

4th of December 2007, the minutes of 11th of December 2007 in Kladovo and the on 12th of December 2007 signed map for the assets we have this meeting in Kladovo, Serbia on 19th of June 2008 between parties Mr. [gedaagde sub 2] en [bestuurder 2 eiseres sub 1] and whiteness's Mr. [Naam 2] and

[naam 9]

01 Rhine Danube d.o.o. (Outfitting)

Present situation shareholders:

 [Bedrijf 1] 0,01%

 [BV gedaagde 2] B.V. 4,48%

 [BV gedaagde 2] B.V. (buyer Almag a.d. shares) 0,01%

 [Naam 2] 4,73%

 Rhein-Donau d.o.o. 90,77%

1. [Bedrijf 1] shall transfer their shares in Rhine Danube d.o.o. to [gedaagde sub 2] and [gedaagde sub 2] shall transfer entirely these shares to Rhein Donau d.o.o. of [Bedrijf 1] shall transfer directly their shares in Rhine Danube d.o.o. to Rhein-Donau d.o.o. The amount which will be paid for this share transaction is part of the net selling/buying price. (…)

2. [BV gedaagde 2] B.V. shall transfer its shares in Rhine Danube d.o.o. entirely to Rhein-Donau d.o.o. The amount which will be paid for this share transaction is part of the net selling/ buying price Action and responsible [gedaagde sub 2]

(…)

02. Rhein-Donau d.o.o

Present situation shareholders:

 Decast 10,00%

 [eiseres sub 1] 90,00%

(…)

03. [B.V. gedaagde sub 1]

Present situation:

[B.V. gedaagde sub 1] is 100 % owner of the slipway and some other parts (the involved parcel numbers of Cadaster will be put in later) of the formally shipyard and [gedaagde sub 2]

is authorized to make agreements for selling the assets of [B.V. gedaagde sub 1] . to

[eiseres sub 1]

1. the transferring (selling-buying) of the agreed assets of [B.V. gedaagde sub 1] will be sell

following on the name of [eiseres sub 1] . or other company named by

[eiseres sub 1] beforehand. Action and responsible [gedaagde sub 2] (…).

04. Debts of Rhein Donau a.d.

The parties agreed the debts of Rhein Donau a.d. for the amount of about 960.000,00 EURO with a view to the perform the Selling (transferring)-buying contract with the following conditions:

1. [gedaagde sub 2] shall cover the amount of 320.000,00 EURO by deducting the selling price with the amount accordingly. (…)

2. [eiseres sub 1] shall cover the amount of about 640.000,00 EURO by paying the debts consequently as well as the Selling (transferring)-buying contract to be performed. (…)

05 Selling price

Selling price 3.650.000,00 EURO

Déduction taxes 50.000,00 -/- EURO

Rhein Donau a.d. debts 320.000,00 -/- EURO

Total net selling/buying price 3.280.000,00 EURO

(…)"

2.14.

Op 5 februari 2009 hebben [B.V. gedaagde sub 1] en [de eenmanszaak] een akte opgesteld waarin is vermeld dat [B.V. gedaagde sub 1] een bedrag van € 1.940.000,000 van [de eenmanszaak] heeft geleend. Voorts is een akte opgesteld waarin is vermeld dat [B.V. gedaagde sub 1] op 5 februari 2009 een bedrag van

€ 1.150.000,00 van [BV gedaagde 2] heeft geleend. In de betreffende overeenkomsten is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"Article 1

The contracting parties have reached an agreement that the Creditor (lees: [de eenmanszaak] respectievelijk [BV gedaagde 2] , aanvulling rechtbank) will approve a loan to the Debtor (lees: [B.V. gedaagde sub 1] , aanvulling rechtbank) for clearing of liabilities from the past and give financial aid amounting to EUR (…)

(…)

Article 4

As a means to secure the loan, the Debtor will give the first mortgage on the land and all facilities to the Creditor, located on address Djerdapski put bb, Kladovo, Republic of Serbia under cadastre sheet nr (…)."

2.15.

In een bijlage bij een e-mailbericht van [gedaagde sub 2] , gedateerd 11 juni 2009, waar de namen van [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 2] onderaan staan vermeld, is het volgende - voor zover van belang - aangegeven:

"VOLGORDE VAN OVERDRACHT

Mits toestemming wordt verleend in de aandeelhouders vergadering van 19 juni 2009 van RHEIN DONAU YARD AD om de eigendommen in het kadaster te registreren op naam van RHEIN DONAU doo, word gelijk hierna het verkoop contract getekend bij de rechtbank tussen RHINE DANUBE doo en ARINI CONSTRUCTION doo, waarna de eigendommen volgens overeenkomst tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 2] gelijk op de juiste naam van RHEIN DONAU doo en ARINI CONSTRUCTION doo in het kadaster wordt geregistreerd, tevens worden de eigendommen van ARINI CONSTRUCTION doo geregistreerd bij Agency of Registration.

Tegelijk word er een contract getekend bij de rechtbank om de aandelen van [BV gedaagde 2] in RHINE DANUBE doo over te dragen naar [eiseres sub 2] en deze hierna te registreren bij AGENCY of REGISTRATION.

Tevens word er een contract getekend bij de rechtbank tussen [B.V. gedaagde sub 1] en [eiseres sub 3] ( [eiseres sub 1] waar [B.V. gedaagde sub 1] zijn eigendommen overdraagt volgens contract getekend 4 dec 2007 tussen partijen, waarna deze worden geregistreerd bij AGENCY of REGISTRATION en tevens ingeschreven op naam van de nieuwe eigenaar bij het kadaster.

(…)

Nadat de hierboven genoemde stappen zijn gezet en er is betaald worden z.s.m. de aandelen via officiële weg van [BV gedaagde 2] in RHEIN DONAU YARD AD over gedragen naar een partij van de [eiseres sub 1] en of over gedragen via overname in het consortium contract. Zie verder bij RHEIN DONAU YARD AD over dit onderwerp!"

2.16.

Op 12 juni 2009 heeft [gedaagde sub 1] aan de heer [medewerker gedaagde sub 2] (hierna te noemen: [medewerker gedaagde sub 2] ) een volmacht verstrekt om namens haar en [B.V. gedaagde sub 1] de koopovereenkomst met [eiseres sub 3] te ondertekenen en alle (juridische) handelingen in het kader van deze zaak te verrichten. [medewerker gedaagde sub 2] is mecanicien en was in 2008 door [gedaagde sub 2] - met een proefperiode van een half jaar - aangesteld voor, zoals [gedaagde sub 2] blijkens de verklaring die hij op 24 april 2015 in een hierna nader te noemen strafprocedure tegen [medewerker gedaagde sub 2] heeft afgelegd, het doen van "alles en niets".

2.17.

Voor de betaling van de koopsom van de scheepswerf is op 31 juli 2009 een letter of credit (hierna te noemen: L/C) gesteld voor een bedrag van € 3.453.126,75. [eiseres sub 1] heeft daartoe bij de bank een aanvraag gedaan. Als koper en verkoper zijn [eiseres sub 3] respectievelijk [B.V. gedaagde sub 1] aangewezen. In de L/C is het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"Narrative

(…)

+ For field 46A the following docs to be added:

1. (…)

10. Extract [B.V. gedaagde sub 1] / [eiseres sub 3] by the cadaster"

2.18.

Op 5 augustus 2009 heeft [B.V. gedaagde sub 1] ten behoeve van Rederij [gedaagde sub 2] en [BV gedaagde 2] twee hypotheken bij de rechtbank te Kladovo (Servië) geregistreerd en vervolgens ingeschreven in het kadaster in Servië. De hypotheken zijn verstrekt op (delen van) de scheepswerf, die op dat moment in eigendom waren bij [B.V. gedaagde sub 1] . Aan de hypotheken liggen de twee akten van geldlening van 5 februari 2009 ten grondslag.

2.19.

Op 25 september 2009 is tussen [B.V. gedaagde sub 1] - vertegenwoordigd door [medewerker gedaagde sub 2] - en [eiseres sub 3] - vertegenwoordigd door [Naam 3] - een schriftelijke koopovereenkomst (getiteld "real estate sale purchase agreement") ter zake van de scheepswerf tot stand gekomen. Op 14 en 15 oktober 2009 zijn aanvullingen op de koopovereenkomst (Annex 1 en Annex 2), die betrekking hebben op de omschrijving van de onroerende zaken, ondertekend door [medewerker gedaagde sub 2] enerzijds en [bestuurder 2 eiseres sub 1] respectievelijk [naam 9] anderzijds. In de hiervoor bedoelde akte van 25 september 2009 is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"Article 3

Seller (lees: [B.V. gedaagde sub 1] , aanvulling rechtbank) is selling and the Buyer (lees: [eiseres sub 3] , aanvulling rechtbank) is buying real estate described in Article 1 hereof for the total purchase price of EUR 470.000,00 (…).

Article 6

Seller guarantees to the Buyer that the real estate which are the subject tot this agreement do not have inscribed or not inscribed encumbrances, that the real estate is not subject to court or any other proceedings as well and that there are no any other limitations of encumbrances that would be the basis for limitation or disabling the Buyer in his ownership right.

In a case that, after concluding of this agreement, appears that there are encumbrances or limitations, and if the Buyer's ownership title is challenged for the reasons arising from the Seller's title, the Seller is obliged to remove any such hindrances, encumbrances and limitations at its own expense, within the shortest period possible and at the Buyer's first call (Protection from eviction)."

2.20.

Op 5 oktober 2009 heeft [gedaagde sub 1] in haar hoedanigheid van directeur van [B.V. gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 3] een factuur ten bedrage van € 470.000,00 vanwege de overname van de scheepswerf in Kladovo (grond en gebouwen) gezonden.

2.21.

Op 5 oktober 2009 heeft [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van directeur van [BV gedaagde 2] aan [eiseres sub 1] een factuur ten bedrage van € 1.600.000,00 vanwege de overname van de scheepswerf in Kladovo (grond en gebouwen) gezonden.

2.22.

Op 5 oktober 2009 heeft [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van directeur van [BV gedaagde 2] aan [eiseres sub 2] een factuur ten bedrage van € 177.269,27 vanwege de overname van 7,21% aandelen van [BV gedaagde 2] in Rhine Danube gezonden.

2.23.

Op 5 oktober 2009 heeft [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van directeur van [de eenmanszaak] aan [eiseres sub 1] een factuur ten bedrage van € 1.205.857,48 vanwege de overname van de scheepswerf in Kladovo (grond en gebouwen) gezonden.

2.24.

Op 17 november 2009 heeft [gedaagde sub 2] namens [BV gedaagde 2] ingestemd met de registratie van het eigendomsrecht van [eiseres sub 3] op nader genoemde onroerende zaken, die toebehoorden aan [B.V. gedaagde sub 1] . In het toestemmingsdocument, dat door [gedaagde sub 2] is ondertekend, is het volgende

- voor zover van belang - bepaald:

"I, [gedaagde sub 2] , as the founder and director of [BV gedaagde 2] , (…) and as the mortgage creditor whose right of pledge mortgage has been entered as burden into Real Property Lists No. 3703 and 755, Cadastral Commune Kladovo on the property of debtor “ [B.V. gedaagde sub 1] , and on the basis of pledge statement No. 1564/2009, dated 04 August 2009, certified at Municipal Court in Kladovo, hereby give the following CONSENT"

2.25.

Op 10 december 2009 heeft het Servische kadaster naar aanleiding van het verzoek van [eiseres sub 3] daartoe de eigendomsoverdracht van de onderhavige onroerende zaken van [B.V. gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 3] toegestaan en heeft zij het eigendomsrecht ten gunste van [eiseres sub 3] ingeschreven.
[Naam 3] heeft namens [eiseres sub 3] dit document ondertekend. [Naam 3] heeft aanvankelijk ontkend dat de handtekening onder dit document van hem afkomstig is. Echter, naar aanleiding van een grafologisch onderzoek, waarover [Naam 4] op 12 november 2014 een rapport heeft uitgebracht en dat [Naam 3] is voorgehouden in het kader van het verhoor in de hierna nader te noemen strafprocedure tegen [medewerker gedaagde sub 2] , heeft [Naam 3] erkend dat de handtekening op het document van het Servische kadaster van hem is.

2.26.

Op 16 december 2009 hebben [gedaagde sub 2] en [medewerker gedaagde sub 2] in het kader van de uitbetaling van de L/C diverse documenten aan [bestuurders eiseres sub 1] overhandigd, waaronder de vastgoedlijsten van de gronden en gebouwen van [B.V. gedaagde sub 1] .

2.27.

Op 18 december 2009 hebben [eiseres sub 1] [bestuurders eiseres sub 1] aan de bank opdracht gegeven om de L/C ten bedrage van € 3.453.126,75 aan [B.V. gedaagde sub 1] uit te betalen. In het betreffende faxbericht van [eiseres sub 1] aan de bank is - voor zover van belang - het volgende aangegeven:

"Hierbij verklaren wij dat wij de gevraagde documenten 1 t/m 11 vermeld onder nummer 46a van Letter of Credit onder Documentary Credit Number (…) hebben ontvangen en dat deze volledig en naar tevredenheid zijn."

2.28.

Op 24 december 2009 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat [B.V. gedaagde sub 1] met ingang van 21 december 2009 is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van die datum. Met ingang van 21 december 2009 is [gedaagde sub 2] bewaarder van boeken en bescheiden van [B.V. gedaagde sub 1] .

2.29.

Bij (gelijkluidende) brieven van 4 februari 2010 heeft [Naam 3] namens [eiseres sub 3] aan [gedaagde sub 1] respectievelijk aan [gedaagde sub 2] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Op 18 december 2009 hebben wij, in samenspraak met uw zaakgelastigde de heer [gedaagde sub 2] , de door [eiseres sub 3] gestelde Letter of Credit vrijgegeven en aan [B.V. gedaagde sub 1] een bedrag van € 3.453.126,75 overgemaakt ter vereffening en algehele en finale kwijting. Zoals overeengekomen betreft dit bedrag van € 3.453.126,75 de betalingen voor de ontvangen facturen van [B.V. gedaagde sub 1] van € 470.000,00 (factuur 001-2009), van [BV gedaagde 2] van

€ 177.269,27 (factuur 001-2009), € 1.600.000,00 (factuur 001-2009 (voor de 2e keer gebruikt)) en van [de eenmanszaak] van € 1.205857,48 waarmee wij volledig aan onze betalingsverplichtingen hebben voldaan.

Aanleiding voor het betalen van de overeengekomen koopsom zijn de door uw zaakgelastigde heren [gedaagde sub 2] en [medewerker gedaagde sub 2] overhandigde "originele" documenten.

In afwijking van het Real Estate sale-purchase agreement d.d. 25 september 2009, artikel 6, hebben wij nu geconstateerd dat er één of meerdere hypotheekrechten rusten op de gronden en gebouwen welke in eigendom waren van [B.V. gedaagde sub 1] Het betreffen hypotheken ten gunste van [BV gedaagde 2] , van welke B.V. [Naam 10] bestuurder is, en [de eenmanszaak] .

[B.V. gedaagde sub 1] heeft zich verbonden om vrij van hypotheken te leveren. Dat is helaas niet geschiedt. [B.V. gedaagde sub 1] is hiermee toerekenbaar tekort geschoten."

2.30.

Bij brief van 18 maart 2010 heeft mr. Ten Katen, de advocaat van [eiseressen] , namens [eiseressen] aan [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [de eenmanszaak] , [BV gedaagde 2] en [B.V. gedaagde sub 1] gesommeerd de hypotheken, die [B.V. gedaagde sub 1] aan [de eenmanszaak] [BV gedaagde 2] Beheer heeft gegeven, door te halen.

2.31.

[eiseressen] heeft in januari 2010 geconstateerd dat bij het Servische kadaster twee verschillende vastgoedlijsten met betrekking tot de onderhavige onroerende zaken in omloop waren. Op de ene vastgoedlijst werden de hypotheken wel en op de andere niet vermeld. Uit technisch onderzoek is gebleken dat de vastgoedlijst, waarop de hypotheken niet zijn vermeld, een vervalsing betreft.

2.32.

De constatering van [eiseressen] dat op de onderhavige onroerende zaken hypotheken zijn gevestigd, heeft zowel in Nederland als in Servië tot verschillende procedures geleid. In Servië heeft dit geleid tot civiele procedures, waarin de nietigheid van de betreffende hypotheken centraal stond, en tot een strafrechtelijke procedure tegen [medewerker gedaagde sub 2] wegens hypotheekfraude. In het kader van laatstgenoemde procedure hebben in Servië diverse getuigenverhoren plaatsgevonden. In Nederland hebben eveneens diverse civiele procedures plaatsgevonden, waarvan voor de onderhavige zaak van belang is het voorlopig getuigenverhoor, dat ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank heeft plaatsgevonden. In het hiernavolgende zullen laatstbedoelde verklaringen

- voor zover van belang - worden opgenomen en zullen voor zover nog nodig voor de onderhavige zaak in aanvulling daarop de verklaringen, zoals die door de betrokkenen in Servië zijn afgelegd, worden weergegeven.

2.33.

Op 9 augustus 2011 is [naam 9] als getuige gehoord door de rechter-commissaris van de basisrechtbank te Negotin (Servië) in de strafzaak tegen [medewerker gedaagde sub 2] . Blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor heeft [naam 9] het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Voor ons was het van belang dat het eigendom onbelast zou worden overgedragen. Dat was voor ons het belangrijkste. Mijn bedrijf heeft als voorwaarde gesteld dat het eigendom onbelast zou zijn voordat tot uitbetaling van de koopprijs zou worden overgegaan, alsmede dat mijn bedrijf zou worden ingeschreven als eigenaar van het aangekochte voor uitbetaling van de koopprijs. Voor ons was het erg belangrijk dat we eigendom kochten dat geheel vrij van lasten was en daarom wilden we voorafgaand aan de betaling een bewijs van eigendom hebben. (…). In januari 2011 hebben we een uittreksel bij het kadaster opgevraagd en toen we dat uittreksel kregen zagen we dat er een hypotheek op ingeschreven was. (…).

Op de volgende vraag wie, wanneer heeft beweert dat het eigendom onbelast is heeft de getuige geantwoord dat [medewerker gedaagde sub 2] dat beweerde, tijdens het opmaken van de overeenkomsten is daar concreet over gesproken, en tijdens de besprekingen beweerden dat zowel [gedaagde sub 2] als [medewerker gedaagde sub 2] ."

2.34.

Op 19 september 2013 is [Naam 3] als getuige gehoord door de basisrechtbank te Negotin (Servië) in de strafzaak tegen [medewerker gedaagde sub 2] . Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting heeft [Naam 3] het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Op de vraag van de gevolmachtigde van de benadeelde (…) of tijdens de onderhandelingen over

de overeenkomst het bestaan van de hypotheek is besproken of is gezegd dat er geen hypotheek bestaat. (Bedoeld worden de besprekingen gevoerd tussen enerzijds [gedaagde sub 2] en [medewerker gedaagde sub 2] en [naam 9] en de getuige anderzijds), antwoord de getuige dat nooit is gesproken over hypotheken of iets dergelijks.

(…)

Vastgesteld wordt dat de verdediging de getuige ter inzage een kopie overlegd van een uittreksel van de Kadastrale dienst vastgoed Kladovo, en op de vraag of desbetreffend uittreksel is voorzien van een handtekening van de getuige, antwoord de getuige dat dat niet zijn handtekening is. Na inzage van de officiële notitie van de Kadastrale dienst vastgoed Kladovo van 16.12.2009, waarvan kopie overlegd aan de rechtbank, antwoord de getuige dat daarop diens handtekening staat, maar dat deze zich niet kan herinneren waar hij deze heeft ondertekend. De getuige herhaalt dat hij nooit bij het kadaster is geweest en voegt daaraan toe dat deze twee documenten zijn voorzien van een stempel van zijn firma, althans dat hij meent dat het daarbij gaat om een van zijn firma.

(…)

Op de vraag van advocaat (…) welke overeenkomst de getuige heeft ondertekend op 16.12.2009,

antwoord de getuige een overeenkomst te hebben ondertekend waarmee hij een scheepswerf heeft gekocht zonder hypotheek en vrij van schulden. Deze overeenkomst is ter verificatie afgegeven aan advocaat Aca Nastasijevic, [Naam 2] , de broer van de getuige en [naam 9] .

(…)

Op de vraag van plaatsvervangend OvJ parket Negotin antwoord de getuige dat de handtekening op de heden voorgelegde exploot niet zijn handtekening is."

2.35.

Op 1 april 2014 heeft [gedaagde sub 1] in het kader van het voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Ik was op papier directeur van [B.V. gedaagde sub 1] (hierna [B.V. gedaagde sub 1] ). Mijn man deed alles. Ik weet niet met wat voor activiteiten [B.V. gedaagde sub 1] zich bezig hield dat moet u aan mijn man vragen.

(…)

U houdt mij deze vragenlijst nu voor en hierop heb ik het volgende te zeggen:

1. Ik weet niet wat voor [B.V. gedaagde sub 1] de reden was tot het verlenen van een hypotheek op de onroerende zaken. Ik heb mij daar eigenlijk nooit mee bemoeid. Ik ben ook nooit in Servië geweest en ik heb de heren [bestuurders eiseres sub 1] ook nooit eerder ontmoet.

2. Ik weet niet precies waarvoor de hypotheek gevestigd is. Mijn man regelde alles voor [B.V. gedaagde sub 1] .

3. U vraagt mij naar overeenkomsten van geldlening tussen [B.V. gedaagde sub 1] en [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] Beheer. Ik geloof dat ik daar wel iets voor getekend heb, maar hoe het precies in elkaar zit weet ik niet precies. Mijn man legde wel eens stukken aan mij voor. Welke tekst en uitleg daarbij gegeven werd weet ik niet meer.

4. Ik weet niet waar de geleende gelden voor bedoeld waren.

5. Ik weet ook niet hoe het met de betaling of terugbetaling is gelopen. Ik heb mij hier nooit mee bemoeid. Ik heb nooit stukken gezien waaruit blijkt dat geld bij [B.V. gedaagde sub 1] is ontvangen, dan wel dat de geldleningen zijn terugbetaald.

6. Ik weet niet of ten tijde van de levering omstreeks 18 december 2009 de geldleningen nog openstonden, noch of deze al waren terugbetaald. Zoals gezegd weer ik er helemaal niets van af.

7. Wat betreft de ontbinding van [B.V. gedaagde sub 1] per 24 december 2009 verklaar ik dat alle besluiten door mijn zijn genomen. Ik denk dat hij daarover wel een keer iets tegen mij gezegd heeft. Of er baten dan wel lasten waren op dat moment, daar weet ik helemaal niets van af.

8. (…).

9. Ik weet niets over de vraag of [eiseressen] . is geïnformeerd over de hypotheken. Ik heb [gedaagde sub 2] hier nooit iets over horen vertellen. Ik weet niet welke stukken aan [eiseressen] . overhandigd zijn met het oog op de betaling van de koopprijs.

10. Ik heb geen opdracht gegeven tot het vestigen van de onderhavige hypotheken. Ik weet niet of [gedaagde sub 2] dat gedaan heeft.

11. Ik weet niet wie opdracht heeft gegeven aan [medewerker gedaagde sub 2] tot het opstellen van de overeenkomst inzake de [B.V. gedaagde sub 1] -gronden. Ik weet überhaupt niet of hij zo'n opdracht heeft gekregen.

12. (…).

13. Ik weet niet wat er met de koopprijs is gebeurd. Ik heb geen bankafschriften gezien. Ik weet ook niet of de gelden zijn doorbetaald.

14. (…).

15. Ik heb er geen verklaring voor waarom door [B.V. gedaagde sub 1] een hypotheek is gevestigd en daarnaast een contract is getekend dat er "vrij en onbelast" geleverd zou worden.

16. Ik weet niet waarom [gedaagde sub 2] (al dan niet als bestuurder van [BV gedaagde 2] ) de hypotheken niet heeft doorgehaald. Ik heb het met hem niet daarover gehad.

(…)

Toen [B.V. gedaagde sub 1] werd ontbonden en uitgeschreven was ik aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap. [gedaagde sub 2] nam alle zaken waar. Ik heb gezegd dat hij namens [B.V. gedaagde sub 1] mocht optreden. Ik weet niet of ik een schriftelijke volmacht heb ondertekend, naar volgens mij niet. Ik herinner mij niet of ik formulieren ten behoeve van de uitschrijving uit de Kamer van Koophandel heb getekend. Het is al lang geleden en ik heb me er nooit mee bemoeid. Ik weet niet of [gedaagde sub 2] een algemene volmacht had of dat ik per te verrichten handeling toestemming moest geven aan hem om op treden. Ik weet niet hoeveel en hoe vaak ik stukken tekende. Ik zou geen aantal durven te noemen. Ik weet niet of ik ook derden heb toegestaan om namens [B.V. gedaagde sub 1] op te treden, voor zover ik weet heb ik nooit zoiets tegen

anderen gezegd.

Ik ken [medewerker gedaagde sub 2] alleen van naam en niet persoonlijk. (…).

Ik weet niets af van onderhandelingen over de aankoop en de verkoop van de werf. Ik was er zelf niet bij betrokken. Ik weet niet wie wel. Ik heb nooit gehoord of gezien dat [gedaagde sub 2] zich als eigenaar van [B.V. gedaagde sub 1] of als eigenaar van de grond en gebouwen heeft gepresenteerd.

Ik heb zoals gezegd wel eens stukken ondertekend, maar specifieke stukken herinner ik mij niet meer. U laat mij de twee geldleningsovereenkomsten zien (…). Ik herken deze stukken niet. Er staan geen

handtekeningen op. Als mijn handtekening er op zou staan, dan zou ik dat herkennen en dat zou dan betekenen dat ik getekend heb.

Ik weet niet hoe [B.V. gedaagde sub 1] de betaling van de koopprijs in ontvangst heeft genomen en ik weet ook niet welke bewijzen er bestaan.

Ik weet niet of [B.V. gedaagde sub 1] iets verschuldigd was aan [de eenmanszaak] , dan wel [BV gedaagde 2] Beheer in de periode van 5 februari 2009 tot 24 december 2009 of daarna.

Mr. Ten Katen laat mij de Real Estate Sale - purchase agreement (…) zien. (…) Ik weet niets af van dit contract, dus ik kan niet verklaren dat er hierin niets is opgenomen over de onderhavige hypotheken. Ik weet niet waarom de hypotheken gevestigd zijn kort voor deze transactie.

Ik heb geen kennis van de jaarrekeningen van [B.V. gedaagde sub 1] . Ik heb me daar nooit mee bemoeid. [gedaagde sub 2] nam alle zaken waar en dat vond ik prima.

(…)

[B.V. gedaagde sub 1] stond op mijn naam, omdat [gedaagde sub 2] mij dat vroeg en dat vond ik goed. Ik heb daar verder geen vragen bij gesteld. Ik heb alles getekend wat mij gevraagd werd om te tekenen."

2.36.

[gedaagde sub 2] is in het kader van het voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank op 1 april 2014 en 15 mei 2014 gehoord. Op 1 april 2014 heeft hij het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Ik ben ook bij [B.V. gedaagde sub 1] (hierna [B.V. gedaagde sub 1] ) betrokken geweest. Het is de vennootschap van mijn vrouw, maar ik was gemachtigd om namens [B.V. gedaagde sub 1] op te treden. De uitvoering van de bestuurlijke taken was dus aan mij overgelaten. Waar nodig deed ik dingen in samenspraak met mijn vrouw. [B.V. gedaagde sub 1] was eigenaar van de helft van de werf in Kladovo. In Nederland deed [B.V. gedaagde sub 1] eigenlijk niets, maar in Servië wel. Deze activiteiten zagen met name op het bouwen en renoveren van onroerend goed. Er is grootschalig geïnvesteerd op de grond van [B.V. gedaagde sub 1] . [B.V. gedaagde sub 1] werd gefinancierd door mijn eenmanszaak en [BV gedaagde 2] . Dit waren de enige financiers in de periode van 2004 tot en met 2007. (…). Het klopt dat in de Real estate sale-purchase agreement staat dat de onroerende zaken zonder hypotheken moeten worden overgedragen. Dit contract is opgemaakt door de werf zelf. Daarmee bedoel ik onder andere [eiseressen] . en mijzelf. Het contract is door advocaten opgesteld. De concepten van deze contracten heb ik steeds samen met [eiseressen] . doorgelopen en besproken. Op een gegeven moment waren wij daarover akkoord. (…). [medewerker gedaagde sub 2] had een volmacht gekregen om namens [B.V. gedaagde sub 1] te ondertekenen. Ook had hij een volmacht om de hypotheken te verwijderen zodra aan alle contractuele voorwaarden was voldaan. De overeenkomst van 4 december 2007 en alles wat

daarna afgesproken werd moest en moet dus eerst helemaal zijn uitgevoerd. [medewerker gedaagde sub 2] heeft deze volmacht gekregen omdat ik in die tijd niet vaak meer in Servië kwam en het niet helemaal duidelijk was wanneer de overeenkomsten getekend zouden kunnen worden. Mijn vrouw heeft hiervoor een schriftelijke volmacht getekend. Ik kan mij niet herinneren dat ik dit stuk heb gezien, maar dat moet haast wel zo zijn.

Vrij snel nadat wij het contract van 4 december 2007 hebben ondertekend heb ik mijn aandelen in Rhine Danube doo overgedragen en ook de werf had toen vrij eenvoudig overgedragen kunnen worden. Dat laatste liep toch stuk, omdat [eiseressen] . steeds weer andere condities ging stellen. Het was ongeveer zomer 2009 toen ik voor mijn gevoel schaakmat stond. [eiseressen] . maakte al die tijd gratis gebruik van de werf en zij gaven een boodschap af in de trant van: Je kunt ons toch niet van de werf afschoppen. Op dat moment heb ik besloten om de investeringen van mijn eenmanszaak en [BV gedaagde 2] veilig te stellen. Dat heb ik gedaan door hypotheken op de onroerende zaken te vestigen. Deze hypotheken zijn gebaseerd op leningen die mijn eenmanszaak en [BV gedaagde 2] in het verleden aan [B.V. gedaagde sub 1] hebben gedaan. Ik denk dat er voor wel meer dan 4 miljoen op de werf is geïnvesteerd door mijn eenmanszaak en [BV gedaagde 2] . (…)

U laat mij de overgelegde geldleningsovereenkomsten zien (…). De bedragen die hierin genoemd worden hebben betrekking op investeringen die in het verleden al waren gedaan. Zo is er een grote productiehal gebouwd, een grote kraan, er is gerenoveerd op de werf en infrastructuur aangelegd. (…) Er stond niet eerder iets hierover op papier. (…) De bedragen in deze twee contracten zijn een optelsom van enkele investeringen die zijn gedaan, met name de dingen die ik zojuist noemde, zoals de productiehal etc. De bedragen dekken niet de volledige investeringen die gedaan zijn, dat betreft een veel groter bedrag. [B.V. gedaagde sub 1] heeft de twee geldleningen nooit aan mijn eenmanszaak of [BV gedaagde 2] terugbetaald. Die bedragen stonden dus ten volle open omstreeks het moment dat de

onroerende zaken aan [eiseres sub 3] overgedragen werden.

(…)

[eiseressen] . was bekend met het bestaan en vestiging van de hypotheken in kwestie. Ik heb daarover gesproken met [naam 9] . Ook de advocaten en mensen op de werf wisten hiervan. Dit is ook bij de advocaten aan de orde geweest tijdens een controle waarbij in ieder geval [Naam 2] , ene [Naam 6] , [naam 9] en de advocaat van de werf die zich Aca noemde. Deze advocaat zat op verzoek van [eiseressen] erbij om de papieren te controleren. (…) Deze mensen waren allemaal op de hoogte van het bestaan van de hypotheken. (…) Op dat moment wist [naam 9] al van het bestaan van de hypotheken, want dat had ik hem al eerder verteld. U vraagt mij hoe het kan dat de hypotheken pas maanden na het tekenen van de geldleningsovereenkomsten zijn gevestigd. Ik had al die tijd nog de goede hoop dat [eiseressen] na zou komen. Na de zomer 2009 bleek dat ze zich weer terugtrokken en toen heb ik de werf met deze hypotheken geblokkeerd. Ik wilde ze hierdoor van de werf af krijgen. U wijst mij erop dat het stuk dat ik aan [naam 9] heb overhandigd anders lijkt te zijn dan het stuk dat volgens [eiseressen] . is overhandigd (…). In mijn stuk zitten bij bijlage G 10 pagina's en bij die van [eiseressen] . maar 1. Die laatste bijlage, met 1 pagina, is volgens mij vals. Er is een sticker meegekopieerd, er staat ook een streep op die kopie. Deze sticker had ik geplakt op het pakketje dat ik aan [naam 9] heb overhandigd, maar die moet [eiseressen] . dan op een andere stapel hebben geplakt. Ik ben er zeker van dat het stuk dat ik heb gegeven 10 pagina’s van de betreffende bijlage had.

(…)

[eiseressen] . hebben voor akkoord getekend voor de hypotheken. (…). De handtekening op het

eerste blad is van [bestuurder 1 eiseres sub 1] en ook op de vierde bladzijde met de tabel.

(…) Mijn vrouw heeft nooit met [medewerker gedaagde sub 2] of [eiseressen] gesproken. Zij vond het prima als het maar rechtmatig gebeurde. Bij de geldleningen en de hypotheken is zij betrokken geweest, maar meer ook niet. Alleen dingen waarvoor een handtekening nodig was heeft zij voor getekend. Zij wist als het goed is waarvoor zij tekende, want dat legde ik haar uit.

De koopprijs die door [B.V. gedaagde sub 1] is ontvangen is hierna herverdeeld tussen mijn eenmanszaak en

[BV gedaagde 2] (…) Daarmee zijn investeringen afgelost, maar dit betroffen andere bedragen dan de bedragen die in de geldleningsovereenkomsten staan. Deze twee leningen staan dus nog steeds open. (…)."

Op 15 mei 2014 heeft [gedaagde sub 2] het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Het klopt dat de investeringen op de grond in Servië door [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] in het kader van een subsidietraject zijn gedaan. [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] hebben ongeveer

4 miljoen euro exclusief rente en kosten er in gestopt en daar overheen kwam nog 1 miljoen euro aan subsidie. (…). Bovenop die 4 miljoen euro hebben [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] ook nog andere investeringen gedaan. Aan leningen op [B.V. gedaagde sub 1] staat ongeveer 3 miljoen euro uit.

(…)

De werf kwam terecht in [B.V. gedaagde sub 1] en daarmee is de vordering van [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] verschoven van de werf naar [B.V. gedaagde sub 1] . Zo is deze vordering op [B.V. gedaagde sub 1] ontstaan. Ik weet niet hoe dit in de boeken is geregistreerd. Zoals ik al eerder heb verklaard was de boekhouding in Servië een grote chaos. (…)

Wat betreft de investeringen op de [B.V. gedaagde sub 1] -gronden door [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] zijn alleen contracten opgesteld die ik u de vorige keer heb overhandigd. Het betreft de formalisering van eerder gemaakte afspraken. Er werd wel steeds bijgehouden wat en hoeveel er geïnvesteerd werd, zowel in de jaarstukken als door mijzelf. (…)

Ik heb na de hypotheekvestiging maar voor de overdracht aan [naam 9] gemeld dat er hypotheken waren gevestigd. Het bleef onduidelijk of [eiseressen] . zou gaan presteren. [naam 9] heeft er mee ingestemd dat de hypotheken er op zouden blijven. Ik heb [naam 9] in Kladovo, tijdens een onderonsje dat verteld. De advocaat van de hele werf, Aca, wist er ook van. Hij was niet bij dat gesprek maar hij heeft dat in het kadaster kunnen zien. [gedaagde sub 1] was in de hypotheekvestiging gekend.

Over de Real Estate sale-purchase agreement verklaar ik als volgt. (…). Het klopt dat volgens dit contract vrij van hypotheken geleverd moest worden maar dat was geen voorwaarde van de letter of credit. Er is dus niet tegenstrijdigs aan. Het moet in het totaal bezien worden. De hypotheken worden gehandhaafd omdat [eiseressen] . niet presteert. (…) De letter of credit is pas na het tekenen van de koopovereenkomst geaccepteerd. Ik weet niet waarom de bepaling over het leveren vrij van hypotheken is aangepast, ook niet in de latere addenda. In elk geval wist [naam 9] van de hoed en de rand. (…) [naam 9] was voor mij de woordvoerder. Ik sprak [bestuurder 1 eiseres sub 1] en [bestuurder 2 eiseres sub 1] bijna niet. Ik heb hen niet verteld van de hypotheken. [eiseressen] heeft alle documenten gecontroleerd en naar de ING verklaard dat alles naar tevredenheid was ontvangen. De bewijsstukken waaronder de vastgoedlijsten en daar was niemand anders bij. (…) Ik ben maar een leek, dus ik weet niet of er op de facturen is betaald. Ik weet niet of de leningen in de jaarstukken van [de eenmanszaak] of [BV gedaagde 2] zijn verwerkt. (…) Ik had mondelinge toestemming om namens [B.V. gedaagde sub 1] op te treden. (…)"

2.37.

Op 15 mei 2014 heeft [naam 9] in het kader van het voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Op vragen van mr. Ten Katen en uw aanvullende vragen naar aanleiding daarvan antwoord ik als volgt. Ik was ten tijde van de verkoop niet bekend met het bestaan van hypotheken ten gunste van [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] . Ik was ook niet bekend met de twee leningen, sterker nog van [de eenmanszaak] had ik nog nooit eerder gehoord. Ook was ik ten tijde van de levering niet bekend met deze hypotheken en leningen.

Op 16 december 2009 is er een bijeenkomst geweest aan de directeurstafel van de werf, op dat moment [Naam 2] . Aanwezig waren: [Naam 2] , [bestuurder 2 eiseres sub 1] , [bestuurder 2 eiseres sub 1] , [gedaagde sub 2] , en ik dacht ook [medewerker gedaagde sub 2] en ik. Tijdens deze bijeenkomst is een stapel documenten overgelegd. Het betrof de bijlagen die in de letter of credit waren genoemd, waaronder extracten van het kadaster. Op die extracten stonden geen hypotheken vermeld. Op elk document zat een handgeschreven sticker. Ik heb er geen verklaring voor dat er twee vastgoedlijsten met dezelfde datum in omloop zijn. Op het extract dat wij ontvangen hebben was slechts bij de bewuste bijlage 1 bladzijde bijgevoegd en zeker geen 10 bladzijden. Ik heb die handgeschreven sticker niet op een andere stapel geplakt en voor zover ik weet de heren [bestuurders eiseres sub 1] ook niet. Wij hebben gekeken of alles er bij zat en het aantal bijlagen klopte.

Ik was deels bij de onderhandelingen betrokken. Ik was er in elk geval op 4 december 2007 bij want het geschreven stuk (…) is door mij geschreven. (…). Er is gedurende twee jaar veel gebeurd. In die tijd was ik er deels bij wel bij, en soms ook niet als er dingen afgesproken werden. [eiseressen] had van meet af aan al de eis neergelegd dat het onroerend goed vrij van hypotheken zou worden geleverd, dat komt ook naar voren in de correspondentie van begin 2008. [gedaagde sub 2] heeft daar vervolgens aan mee gewerkt. De conceptovereenkomsten zijn van beide zijden akkoord bevonden. [eiseressen] . en ik hadden niet zelf gecontroleerd of er hypotheken op het onroerend goed zaten. Wij waren vrij naïef en hebben vertrouwd op de stukken die wij van [gedaagde sub 2] hadden gekregen. (…) [gedaagde sub 2] heeft mij nooit verteld over hypotheken."

2.38.

Op 21 augustus 2014 heeft de heer [Naam 7] voormalig directeur van de scheepswerf (hierna te noemen: [Naam 7] , in het kader van het voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Ik ben in dienst bij Rhine Danube doo als manager onderhoud en daarvoor heb ik ook nog andere functies gehad. Ik ben bekend met de transactie van de werf in Kladovo. Ik heb de koopovereenkomst met twee bijlagen gezien en daarin stond dat de onroerende zaken vrij van hypotheken zouden worden geleverd. Ik ben er ook mee bekend dat er na de overdracht wel hypotheken bleken te zijn. Ik ben in het begin betrokken geweest bij de transactie, met name om dingen te definiëren. (…). Ik heb mij destijds niet bezig gehouden met hypotheken. Met de problematiek ben ik pas achteraf bekend geworden. (…). U houdt mij voor dat er sprake is van een letter of credit. Daar ben ik mee bekend, maar ik weet niet hoe alles precies is gegaan. (…) Het was mijn taak om te controleren of de eigendommen uit het contract ook op die lijsten waren opgenomen en dat was het geval. Op die lijsten stonden geen hypotheken vermeld. (…) Ik heb later, op 26 januari 2010, lijsten uit het Kadaster opgevraagd. Daar stonden wel hypotheken op. (…) Ik ken [gedaagde sub 1] niet. Ik ken [gedaagde sub 2] en [medewerker gedaagde sub 2] wel. [gedaagde sub 2] en [medewerker gedaagde sub 2] hebben mij voor de overdracht nooit verteld dat er hypotheken gevestigd waren."

2.39.

Op 24 april 2015 is [gedaagde sub 2] als getuige door de basisrechtbank te Negotin (Servië) gehoord in de strafzaak tegen [medewerker gedaagde sub 2] . Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting heeft [gedaagde sub 2] het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Daarvan (lees: van de leenovereenkomsten en hypotheken, aanvulling rechtbank) waren ze (lees: [eiseres sub 1] , aanvulling rechtbank) op de hoogte. Ik heb [naam 9] tweede helft 2009 mondeling laten weten dat de roerende goederen belast blijven met hypotheken totdat de [eiseres sub 1] hun contractuele afspraken van 04.12.2007 nakomen.

(…)

Op de vraag van de advocaat van de aangeklaagde (…) welke verplichtingen de getuige na

ondertekening van de overeenkomst had ten aanzien van de [eiseres sub 1] , verklaart de getuige

volgende:

In principe geen, behalve dat ik de hypotheken zou royeren op het moment dat zij hun verplichtingen waren nagekomen.

(…)

BESCHIKKING

(…)

Geconstateerd wordt dat plaatsvervangend OvJ van het parket Negotin en de advocaat van de benadeelde fotokopieën voorleggen onder verwijzing naar de originele versie in het zaakdossier: De originele versie van vastgoedlijst nummer 3755 KG Kladovo, uitgegeven door het SKN Kladovo, is voorzien van dossier nummer 952-1/09-1840 en bevat een “G” lijst met 13 pagina’s, exclusief voorblad, terwijl op het nu voorgelegde voorblad wordt geconstateerd dat de “G” lijst 10 pagina’s bevat, en dat de aangeklaagde eerder beweerde deze te hebben ontvangen van het SKN Kladovo, ter gelegenheid waarvan hij dit exemplaar voor zichzelf heeft behouden en de andere twee exemplaren, die hij op 16.12.2009 heeft ontvangen, heeft overhandigd aan de getuige [gedaagde sub 2] . Met betrekking tot de kopieversie van vastgoedlijst 3755 KG Kladovo, die aan de rechtbank is overlegd door de benadeelde, is uit grafologich onderzoek gebleken dat het voorblad met de letter “G” een vervalsing is waarop staat dat deze één pagina bevat en nog vier verdere pagina’s, terwijl de

"G" lijst enkel één pagina bevat."

2.40.

Bij vonnis van 7 mei 2015 heeft de "Commercial Court of Zajecar" de vorderingen van [eiseres sub 3] tot vaststelling dat de door [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] ten laste van [B.V. gedaagde sub 1] gevestigde hypotheken nietig en zonder rechtsgevolg zijn als ongegrond afgewezen. In hoger beroep heeft de Servische appelrechter onder toepassing van Nederlands recht daarentegen geoordeeld dat de geldleningen, tot zekerheid waarvan bedoelde hypotheken zijn gevestigd, non-existent zijn. Op 2 juni 2016 hebben Rederij [gedaagde sub 2] en [BV gedaagde 2] ten aanzien van deze uitspraak een zogenoemd revisieverzoek ingediend bij de rechtbank te Zajecar.

2.41.

Bij vonnis van 8 juni 2016 heeft de basisrechtbank te Negotin (Servië) [medewerker gedaagde sub 2] veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en tot betaling van een geldboete ten bedrage van 300.000,00 RSD (Servische Dinar). De basisrechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat [medewerker gedaagde sub 2] door de inschrijving van de onderhavige twee hypotheekrechten en vervolgens de ondertekening van een koopovereenkomst waarmee de koper een levering van registergoederen vrij van lasten werd gegarandeerd de vertegenwoordigers van [eiseres sub 3] onterecht heeft voorgehouden althans heeft misleid inzake het niet rusten van lasten op de betreffende registergoederen. Voorts heeft de basisrechtbank overwogen dat [medewerker gedaagde sub 2] :

"vervolgens eigendomslijst 755 van 16-12-2009 en eigendomslijst 3755 van 16-12-2009 heeft opgevraagd en gebruikt, voorzien van valse inhoud, namelijk zonder vermelding van lasten rustende op de registergoederen die tevens voorwerp zijn van voornoemde Koopovereenkomst en vervolgens heeft overhandigd aan [gedaagde sub 2] , die deze weer heeft overhandigd aan [naam 9] , dit met de bedoeling de vertegenwoordigers van benadeelde handelsonderneming verder te misleiden tot betaling van de koopsom, waarna de bevoegden namens de firma [eiseres sub 3] met zetel te Nederland, na ontvangst van voornoemde eigendomslijsten, in de veronderstelling verkerende dat op de aan te kopen registeren goederen geen lasten rusten, ten nadele van deze firma de koopsom ten bedrage van 470.00,00 EUR hebben betaald, als gevolg waarvan beklaagde [medewerker gedaagde sub 2] de firma ISB I Company B.V. uit Nederland heeft benadeeld voor een bedrag van 45.197.785,00 RSD (…)"

2.42.

Aan de besloten vennootschap PS Marine Coatings B.V. te Alblasserdam (hierna te noemen: Marine Coatings) is bij brief van 20 december 2007 namens de minister van Buitenlandse Zaken een subsidie toegekend voor de bouw van een "environmentally sound Serbian marine coating en painting service". De Nederlandse staat heeft toegezegd onder de geldende voorwaarden maximaal een bedrag van € 598.134,00, zijnde 50% van het budget van het project, te zullen betalen. De startdatum voor de implementatie van het project is

1 januari 2008 en de datum waarop het project gereed moet zijn is 31 december 2008. De "spin-off phase" heeft een duur van twee jaren en zal aanvangen op 1 januari 2010 en eindigen op 31 december 2011. Met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam BV X] is overeengekomen dat zij participeert in het betreffende project en dat zij in dat kader een minimale investering van

€ 598.134,00 garandeert in de daartoe opgerichte joint venture, waarvan onder meer Marine Coatings deel uitmaakt.

2.43.

Op 17 september 2015 is [Naam 7] als getuige door de basisrechtbank te Negotin (Servië) gehoord in de strafzaak tegen [medewerker gedaagde sub 2] . Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting heeft [Naam 7] het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Op de vraag van de rechter of de getuige iets bekend is over een subsidie die de [eiseres sub 1] zouden krijgen van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken, antwoord de getuige: daar weet ik niets van, ik weet dat de bouw van een verfhal was gepland en wel op de grond die [eiseres sub 1] van [gedaagde sub 2] hadden gekocht, maar dat [Naam 2] daarop tegen was. Het ging om een grote investering zonder garanties voor de rendabelheid van de investering, als gevolg waarvan is besloten de hal niet te bouwen. Dat had verder niets met de hypotheken te maken. Ik kan mij niet herinneren wanneer dat besluit was genomen. Het plan om de hal te bouwen en het besluit om daar vanaf te zien kwam van de gebroeders de Jonge, en wel voor het sluiten van onderhavige koopovereenkomst, hetgeen ik weet omdat mij was gevraagd de investeringsmogelijkheden - en kosten te berekenen, alsmede de aanschafprijs van de nodige installaties, toen men er vervolgens helemaal van afzag.

Op de vraag van de advocaat van benadeelde of de getuige betrokken was bij de onderhandelingen met het Ministerie van Economische zaken in relatie tot de het ontvangen en/of afzien van subsidiegelden, althans de bouw van de hal, antwoord de getuige: daar weet ik niets van.

(…)

Op de vraag van de rechter wanneer [eiseres sub 1] de verfhal wilden bouwen, antwoord de getuige dat dat was voor het sluiten van onderhavige koopovereenkomst, omdat zij daarvoor twee jaar lang de leiding hadden over de scheepswerf met nakoming van alle financiële verplichtingen, hoewel ik niet direct betrokken was met de leiding van de scheepswerf, althans, ik ben van mening dat degene die de rekeningen betaald ook de leiding heeft. Over de subsidie weet ik niets, enkel dat is gesproken over de bouw van een hal waar later weer vanaf is gezien omdat e.e.a. niet rendabel zou zijn, althans [Naam 2] had geconcludeerd dat het niet rendabel zou zijn. Ik geloof dat verhaal speelde voor het sluiten van onderhavige overeenkomst.

Op de vraag aan de getuige, die voor de [eiseres sub 1] is blijven werken, of van de bouw van de hal is afgezien i.v.m. de hypotheken, antwoord de getuige: zoiets dergelijks heb ik niet gehoord.

Op de vraag van plv. OvJ Negotin waarop de getuige zijn kennis stoelt over de bouw van de hal en het afzien daarvan, antwoord de getuige: op een bepaald moment ben ik op zoek gegaan naar aanbiedingen, toen [Naam 2] mij vertelde e.e.a. niet meer nodig was omdat men er vanwege gebrek aan rentabiliteit van af had gezien.

Op de vraag van de rechter of [Naam 2] de getuige een andere redenen had gegeven voor het afzien van de bouw van de hal, antwoord de getuige: nee hij haalde slechts het gebrek aan rentabiliteit aan als reden."

2.44.

Op 26 november 2015 is [Naam 2] als getuige door de basisrechtbank te Negotin (Servië) gehoord in de strafzaak tegen [medewerker gedaagde sub 2] . Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting heeft [Naam 2] het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Ik was directeur bij de firma Rhine Danube d.o.o. in de periode na het ontslag van [naam 5] , terwijl ik juli 2011 zelf ontslag heb genomen. Bij de firma Rhein Donau was ik eveneens directeur en had verder wat aandelen in de firma Rhine Danube d.o.o. Voorts was ik ook lid van het consortium a.s. tezamen met [gedaagde sub 2] en [naam 1] , via welk consortium de scheepswerf is gekocht.

(…)

Op de vraag van de rechter waarom geen hal is gebouwd voor verfwerkzaamheden waarvoor de [eiseres sub 1] een subsidie zouden krijgen uit Nederland, antwoord de getuige:

Ik was tegen de bouw van een hal voor verfwerkzaamheden, want dat was volgens mij niet winstgevend. Ik heb namelijk geen haalbaarheidsanalyse gezien of professionele stukken daarover en wist iets over 50% subsidie. Echter, naast de 50% aan subsidiegelden zou de hal met nog eens 50% aanvullende gelden gefinancierd moeten worden, hetgeen mij niet haalbaar leek.

Op de vraag van de rechter of [eiseres sub 1] die subsidie hebben ontvangen, antwoord de getuige dat hij dat niet weet, maar ik kan mij herinneren dat ze subsidiegelden hebben ontvangen voor twee hefkranen.

Op de vraag van de rechter of [eiseres sub 1] en [naam 9] zich bij de getuige hadden beklaagd over het mislopen van de subsidiegelden voor de bouw van de hal door de perikelen rodnom de hypotheek, antwoord de getuige:

Daar heb ik niets over gehoord. Althans zij hebben zich bij mij niet beklaagd over het feit dat ze vanwege de hypotheek subsidiegelden waren misgelopen. Zij waren boos op mij omdat ik op financiële gronden tegen de bouw van de hal was."

3. De vorderingen

3.1.

[eiseressen] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , gezamenlijk en ieder voor zich, onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseressen] dientengevolge heeft geleden en zal lijden;

  2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, wanneer de een betaalt de ander zal zijn gekweten, veroordeelt tot betaling aan [eiseressen] van een bedrag van € 598.134,00 aan schadevergoeding in verband met misgelopen overheidssubsidie;

  3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, wanneer de een betaalt de ander zal zijn gekweten, veroordeelt in de schade die [eiseressen] lijdt in verband met (het handhaven en/of uitwinnen van) de hypothecaire inschrijving, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, wanneer de een betaalt de ander zal zijn gekweten, veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagden] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling daarvan

Toepasselijk recht

4.1.

Alvorens aan de standpunten van partijen en een inhoudelijke beoordeling van het geschil toe te komen, stelt de rechtbank vast dat het geschil, gelet op het feit dat het voortvloeit uit en verband houdt met een overname van een scheepswerf in Servië, internationale aspecten heeft. Servië is geen lid van de Europese Unie en derhalve geen partij bij de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van

11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).

4.2.

De vraag welk recht van toepassing is, dient te worden beantwoord aan de hand van de door [eiseressen] aangevoerde grondslag van haar vorderingen. De rechtbank stelt vast dat de grondslag van de vorderingen is gelegen in onrechtmatig handelen jegens [eiseressen] door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] is in haar hoedanigheid van statutair bestuurder van [B.V. gedaagde sub 1] aangesproken, zodat ingevolge artikel 10:119, aanhef en onder e BW in samenhang met artikel 10:118 BW Nederlands recht van toepassing is.

4.3.

Voor [gedaagde sub 2] geldt dat hij vanwege zijn beweerdelijk onrechtmatig handelen jegens [eiseressen] in persoon aansprakelijk is gesteld. Omdat daarvoor in Boek 10 BW een inhoudelijke bepaling ontbreekt, heeft de wetgever voor die gevallen in artikel
10:159 BW verwezen naar 'Rome II'. In artikel 10:159 BW is bepaald dat op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van 'Rome II' en de terzake geldende verdragen vallen en die als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, de bepalingen van de verordening 'Rome II' van overeenkomstige toepassing zijn. Rome II is van toepassing geworden per

11 januari 2009 en gold derhalve op het moment van de aan [gedaagde sub 2] verweten onrechtmatige daad in de tweede helft van het jaar 2009. Ingevolge artikel 4, lid 1 van 'Rome II' is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Aangezien het in de onderhavige procedure gaat om vennootschappen naar Nederlands recht, die zich in Nederland hebben gevestigd, moet de schade geacht worden te zijn geleden in Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is.

4.4.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen moeten worden beoordeeld naar Nederlands recht.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

De vaststaande feiten - voor zover van belang voor de inhoudelijke beoordeling - laten zich als volgt samenvatten. Vaststaat dat de raamovereenkomst van 4 december 2007 en de afspraken die tijdens nadere besprekingen over de scheepswerf op 11 december 2007 en 19 juni 2008 zijn gemaakt, de basis hebben gevormd voor de nadere overeenkomst van 25 september 2009. Op 25 september 2009 hebben [B.V. gedaagde sub 1] en [eiseres sub 3] een akte getekend, waarbij is overeengekomen dat [B.V. gedaagde sub 1] de scheepswerf vrij en onbelast met hypotheken aan [eiseres sub 3] levert. In artikel 6 van deze overeenkomst is daaromtrent bepaald:

"Seller guarantees to the Buyer that the real estate which are the subject tot this agreement do not have inscribed or not inscribed encumbrances, that the real estate is not subject to court or any other proceedings as well and that there are no any other limitations of encumbrances that would be the basis for limitation or disabling the Buyer in his ownership right.

Op 5 augustus 2009 had [B.V. gedaagde sub 1] echter ten behoeve van Rederij [gedaagde sub 2] en [BV gedaagde 2] twee hypotheken, die zijn gevestigd op (delen van) onroerende zaken die aan de scheepswerf toebehoren, geregistreerd en ingeschreven. Servische rechters hebben vastgesteld dat ten tijde van de overdracht van de scheepswerf twee verschillende vastgoedlijsten met daarbij horende G-lijsten in omloop zijn geweest, waarvan de kopieversie blijkens grafologisch onderzoek een vervalsing bleek te zijn van de originele versie, en dat op basis van deze vervalste eigendomslijst - waarop de hypotheken niet zijn vermeld - [eiseres sub 3] is overgegaan tot betaling van de koopsom ten bedrage van € 470.000,00. Voor het misleiden van (de vertegenwoordigers van) [eiseres sub 3] heeft de Servische strafrechter van de rechtbank te Negotin [medewerker gedaagde sub 2] onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf. De Servische civiele rechter heeft in appel geoordeeld dat de leningen tot zekerheid waarvan de hypotheken zijn gevestigd, non-existent zijn. De rechtbank neemt bij haar verdere beoordeling in aanmerking dat de uitspraak van de Servische strafrechter weliswaar geen dwingend bewijs kan opleveren, maar dat aan dit vonnis wel vrije bewijskracht toekomt ten aanzien van de gang van zaken rondom de overdracht van de met hypotheken belaste onroerende zaken. Voor wat betreft het vonnis van de Servische appelrechter ten aanzien van de nietigheid van de hypotheken heeft te gelden dat dit vonnis niet tussen partijen is gewezen, maar dat er als gevolg van dit vonnis in goederenrechtelijk opzicht wel van uitgegaan moet worden dat de hypotheken nietig zijn, hetgeen tussen partijen overigens ook niet in geschil is.

4.6.

[eiseressen] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] jegens haar in strijd hebben gehandeld met de op hen rustende zorgvuldigheids-verplichting door haar niet juist en volledig te informeren over dan wel te waarschuwen voor het feit dat de onroerende zaken, in weerwil van de met [B.V. gedaagde sub 1] gemaakte afspraken, belast waren met hypotheken, althans dat zij hieraan actief medewerking hebben verleend door de als hypotheekhouder benodigde toestemming te verlenen bij het leveren van de onroerende zaken met daarop de inschrijving van het recht van hypotheek. Verder heeft [eiseressen] zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde sub 1] als statutair bestuurder van [B.V. gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in persoon en in hoedanigheid van feitelijk bestuurder van [B.V. gedaagde sub 1] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseressen] , omdat de scheepswerf niet vrij van hypotheken is geleverd. [gedaagden] heeft primair een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseressen] gemaakt en subsidiair is sprake van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [eiseressen] heeft voorts gesteld dat het handelen van [gedaagden] niet alleen onzorgvuldig is jegens [eiseres sub 3] als de overnemende partij maar ook jegens [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] . Volgens [eiseressen] heeft zij de koopprijs betaald voor de grond en gebouwen van de scheepswerf respectievelijk de aandelen van [BV gedaagde 2] in Rhine Danube en zou zij van [eiseres sub 3] het eerste recht van hypotheek verkrijgen. Nu [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] dat niet hebben verkregen, hebben zij, aldus [eiseressen] , geen zekerheid voor hun vordering op [eiseres sub 3] .

4.7.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] houdt in dat [eiseressen] in haar vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat haar vorderingen dienen te worden afgewezen vanwege het in strijd met de waarheid als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verklaren door [Naam 3] aangaande zijn handtekening onder Servische kadasterdocumenten (zie r.o. 2.25). Volgens [gedaagden] heeft [eiseressen] in de onderhavige procedure bewust een eigen handtekening van R. de Jonge betwist, terwijl hij in de strafprocedure tegen [medewerker gedaagde sub 2] onder ede heeft verklaard dat de handtekening van hem is. Gelet daarop moet er, aldus [gedaagden] , zoveel twijfel bij de rest van de stellingen van [eiseressen] rijzen dat daarop geen recht kan worden gedaan. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

4.8.

Volgens artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De strekking van artikel 21 Rv is dat de rechter niet op het verkeerde been mag worden gezet door het aanvoeren van onjuiste feitelijke en onvolledige stellingen. De rechtbank stelt vast dat [Naam 3] blijkens zijn verklaring, die hij ten overstaan van de Servische rechter op 19 september 2013 heeft afgelegd (en zoals weergegeven in r.o. 2.34), aanvankelijk heeft verklaard dat de handtekening op de kadasterdocumenten niet van hem is, maar dat hij, nadat hem een officiële aantekening van het kadaster van 16 december 2009 is getoond, nadien heeft verklaard dat de handtekening daarop zijn persoonlijke handtekening is en dat de stempels op de documenten van zijn bedrijf afkomstig zijn. Dat [bestuurder 1 eiseres sub 1] in de onderhavige procedure heeft betwist dat de handtekening op het betreffende document van hem afkomstig is, is weliswaar in strijd met zijn onder ede afgelegde verklaring, maar dit leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat daarmee op voorhand ook de overige stellingen van [eiseressen] in twijfel moeten worden getrokken. Het aldus informeren van de rechtbank rechtvaardigt dan ook niet de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid van [eiseressen] dan wel afwijzing van haar vorderingen. De rechtbank zal het beroep van [gedaagden] op schending van artikel 21 Rv derhalve passeren. Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

ten aanzien van [gedaagde sub 2]

4.9.

Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens haar gehandeld door te bewerkstelligen dat met hypotheken belaste onroerende zaken van [B.V. gedaagde sub 1] aan haar geleverd werden, terwijl hij wist dan wel behoorde te weten dat de onroerende zaken vrij en onbelast geleverd dienden te worden. [gedaagde sub 2] heeft, aldus [eiseressen] , verzuimd haar te informeren over de hypotheken en heeft toestemming verleend voor het leveren van de onroerende zaken met daarop de inschrijving van het recht van hypotheek. [gedaagde sub 2] heeft bovendien met [medewerker gedaagde sub 2] vervalste kadastrale uittreksels aan [eiseres sub 3] overhandigd waarop de hypotheken niet stonden vermeld. Omdat [medewerker gedaagde sub 2] handelde in opdracht van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] komt zijn handelen volgens [eiseressen] voor rekening en risico van hen. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde sub 2] de onroerende zaken bovendien bewust én zonder rechtsgrond belast met hypotheken. Er bestaan namelijk geen schulden vanwege door Rederij [gedaagde sub 2] en [BV gedaagde 2] ten behoeve van door [B.V. gedaagde sub 1] gedane investeringen.

4.10.

[gedaagde sub 2] heeft betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen] Voorts heeft hij betwist dat hij feitelijk bestuurder van [B.V. gedaagde sub 1] is geweest en dat hij als privépersoon aansprakelijk is. Volgens [gedaagde sub 2] was alleen aan [medewerker gedaagde sub 2] - en niet aan hem - een volmacht verleend om de overdracht van de scheepswerf te regelen en voerde hij enkel het toezicht uit op het beheer van [B.V. gedaagde sub 1] . Verder heeft [gedaagde sub 2] aangevoerd dat aan de hypotheken leningsovereenkomsten ten grondslag lagen vanwege door Rederij [gedaagde sub 2] en [BV gedaagde 2] ten behoeve van [B.V. gedaagde sub 1] gedane investeringen, waaronder een kraan en een productiehal. Volgens [gedaagde sub 2] heeft hij [naam 9] als gevolmachtigd medewerker van [eiseressen] in september 2009 geïnformeerd over het bestaan van de hypotheken en deze mededeling aan [naam 9] dient te worden gekwalificeerd als een mededeling aan [eiseressen] was bekend met de door hem gedane mededeling dat de hypotheken zouden worden doorgehaald zodra [eiseressen] aan haar verplichtingen uit de raamovereenkomst zou hebben voldaan. [gedaagde sub 2] heeft betwist dat hij kadastrale uittreksels heeft aangeleverd waaruit blijkt dat is geleverd zonder ingeschreven hypotheken en dat hij [eiseressen] daarmee op het verkeerde been heeft gezet. [eiseressen] heeft volgens [gedaagde sub 2] bij het Servische kadaster getekend voor ontvangst van het overschrijvingsbesluit en vervolgens afgezien van beroep bij het kadaster.

4.11.

Voor zover de rechtbank het verweer van [gedaagde sub 2] aldus dient te begrijpen dat [eiseressen] wist van het bestaan van de hypotheken, of dat de wetenschap van [naam 9] aan [eiseressen] dient te worden toegerekend, zodat [eiseressen] [B.V. gedaagde sub 1] niet meer kon houden aan de in de akte vastgelegde afspraak om de onroerende zaken onbelast te leveren, wordt dit verweer door de rechtbank verworpen. Nog daargelaten of [naam 9] als gevolmachtigde van [eiseressen] heeft te gelden, heeft [gedaagde sub 2] weliswaar als getuige verklaard dat hij aan [naam 9] heeft verteld over de hypotheken, maar heeft [naam 9] - die in dit geding niet als partijgetuige kan worden aangemerkt - dit als getuige weersproken. [naam 9] heeft op 9 augustus 2011 onder ede - kort gezegd - hierover verklaard dat [medewerker gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] voorafgaand aan het opmaken van de akte hebben verklaard dat de eigendom van [B.V. gedaagde sub 1] onbelast zou zijn. Op 15 mei 2014 heeft [naam 9] voorts nog onder ede verklaard dat hij, ook ten tijde van de levering, niet bekend was met de twee leningen en hypotheken en dat [gedaagde sub 2] hem nooit heeft verteld over het bestaan hiervan. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de hiervoor genoemde verklaringen van [naam 9] te twijfelen. Nu [gedaagde sub 2] - na de gemotiveerde betwisting door [eiseressen] - geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan en ook niet heeft vermeld in hoeverre de al gehoorde getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan, terwijl er al een voorlopig getuigenverhoor is geweest, verwerpt de rechtbank het verweer van [gedaagde sub 2] .

4.12.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande en mede gelet op de op 15 mei 2014 door [gedaagde sub 2] zelf afgelegde verklaring dat hij [bestuurders eiseres sub 1] niet rechtstreeks heeft geïnformeerd over het bestaan van de hypotheken, van oordeel dat bij de verdere beoordeling van het geschil als uitgangspunt heeft te gelden dat [eiseressen] voor of tijdens de ondertekening van de op 25 september 2009 ondertekende akte niet bekend was met het bestaan van de hypotheken en dat hij niet, al dan niet stilzwijgend, met een belaste levering van de onroerende zaken heeft ingestemd. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat aan de woorden " Wessel Lambertus [gedaagde sub 2] (…) as the mortgage creditor" in het toestemmingsdocument van 17 november 2009 niet de betekenis kan worden gehecht, die [gedaagden] daaraan wenst toe te kennen. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde [eiseressen] op grond van enkel die bewoordingen niet bedacht te zijn op het bestaan van hypotheken, omdat [B.V. gedaagde sub 1] en [eiseres sub 3] expliciet waren overeengekomen dat de scheepswerf onbelast zou worden geleverd. De rechtbank is van oordeel dat van een aanvaarding van een met een hypotheekrecht belaste levering door [eiseressen] derhalve geen sprake kan zijn.

4.13.

Bij de verdere beoordeling van de vraag of [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld stelt de rechtbank vast dat [gedaagde sub 2] bewust en in strijd met de tussen de bij de koopovereenkomst betrokken partijen gemaakte afspraken kort voor het sluiten van de schriftelijke koopovereenkomst van 25 september 2009 ten gunste van zijn eigen vennootschappen [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] hypotheken heeft gevestigd op de aan [B.V. gedaagde sub 1] toebehorende onroerende zaken. [gedaagde sub 2] heeft hierover zelf onder ede verklaard dat hij in de zomer van 2009 de investeringen van [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] in een hal en kranen op de grond van [B.V. gedaagde sub 1] "veilig wilde stellen" door hypotheken op de onroerende zaken te vestigen, die gebaseerd zijn op leningen die genoemde vennootschappen in het verleden aan [B.V. gedaagde sub 1] zouden hebben verstrekt. Op grond van het voorgaande dient te worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] de op [B.V. gedaagde sub 1] rustende verplichting om de onroerende zaken onbelast te leveren willens en wetens heeft geschonden. Voor zover [gedaagde sub 2] bedoeld heeft te stellen dat de verplichting om onbelast te leveren gelet op de inhoud van de L/C is komen te vervallen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De L/C ziet alleen op de afwikkeling van de betaling van de onroerende zaken en kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet worden beschouwd als een wijziging van de eerder gemaakte afspraken. Daar komt bij dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de aan [B.V. gedaagde sub 1] verstrekte geldleningen, waarop de hypotheken zijn gebaseerd, daadwerkelijk bestaan. De rechtbank overweegt in dit verband dat de Servische appelrechter inmiddels heeft geoordeeld dat de geldleningen non-existent zijn. Voorts overweegt de rechtbank dat [gedaagde sub 2] in de onderhavige procedure weliswaar een door hem opgestelde opsomming van door [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] in [B.V. gedaagde sub 1] gedane investeringen heeft overgelegd, maar dat een door een accountant goedgekeurd boekhoudkundig rapport, waarin de investeringen als geldleningen zijn opgenomen, ontbreekt. Daarbij dient tevens in aanmerking te worden genomen dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, uit de overgelegde jaarstukken niet van deze investeringen blijkt.

4.14.

Voorts oordeelt de rechtbank als volgt. Het op aangeven van de accountant opheffen van [B.V. gedaagde sub 1] , waaraan [gedaagde sub 2] uitvoering heeft gegeven, op 21 december 2009 - binnen enkele dagen nadat aan [B.V. gedaagde sub 1] de koopsom ten bedrage van in totaal € 3.453.126,75 door [eiseres sub 1] aan [B.V. gedaagde sub 1] is overgemaakt en dit bedrag aan de verschillende vennootschappen toebehorend aan [gedaagde sub 2] is doorgeboekt - acht de rechtbank eveneens onrechtmatig, omdat daarmee iedere verhaalsmogelijkheid op [B.V. gedaagde sub 1] aan [eiseressen] is ontnomen. De rechtbank komt tot de slotsom dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] , al dan niet in samenwerking met [medewerker gedaagde sub 2] , de verplichting heeft geschonden om de betreffende onroerende zaken onbelast te leveren middels het vestigen van een tweetal op niet bestaande geldleningen gebaseerd zijnde hypotheken.

4.15.

De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde sub 2] dat hij bevoegd was om de verplichting tot doorhaling van de hypotheken op te schorten omdat [eiseressen] beweerdelijk haar verplichtingen jegens [BV gedaagde 2] en [de eenmanszaak] niet zou zijn nagekomen. Voor zover er aan de zijde van [eiseressen] al sprake zou zijn van een tekortkoming in de nakoming in de door [gedaagde sub 2] bedoelde zin, heeft te gelden dat het niet ongedaan willen maken van een eerst bewust door [gedaagde sub 2] gecreëerde wanprestatie aan de zijde van [B.V. gedaagde sub 1] vervolgens niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op een opschortingsrecht. De regeling van opschortingsrechten in Boek 6 BW is niet voor deze situatie bedoeld. Daar komt bij dat dit beroep bovendien wordt gedaan door een partij die niet betrokken is geweest bij het aangaan van de verplichting om hypotheekvrij te leveren.

4.16.

Op grond van de voorgaande omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 2] jegens [eiseressen] onrechtmatig heeft gehandeld.

ten aanzien van [gedaagde sub 1]

4.17.

Ten aanzien van het door [eiseressen] gestelde onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 1] overweegt de rechtbank het volgende. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens haar gehandeld door als statutair bestuurder van [B.V. gedaagde sub 1] de levering van onroerende zaken, die met een hypotheek zijn belast, mogelijk te maken en [eiseressen] daartegen niet te behoeden. [gedaagde sub 1] heeft de bedrijfsvoering volledig overgelaten aan [gedaagde sub 2] en heeft daartoe volmachten aan [gedaagde sub 2] en [medewerker gedaagde sub 2] verstrekt. Zij heeft [gedaagde sub 2] en/of [medewerker gedaagde sub 2] op naam van [B.V. gedaagde sub 1] gefingeerde geldleningen laten aangaan met [BV gedaagde 2] en Rederij [gedaagde sub 2] en heeft toegelaten dat [B.V. gedaagde sub 1] vervolgens hypothecaire zekerheid daarvoor heeft verstrekt. Daarnaast heeft [B.V. gedaagde sub 1] medewerking verleend aan het doorbetalen van de koopsom aan met [gedaagde sub 2] gelieerde vennootschappen, waarna [B.V. gedaagde sub 1] is ontbonden, terwijl [gedaagde sub 1] wist dan wel behoorde te weten dat [B.V. gedaagde sub 1] door deze handelwijze geen verhaal meer bood, aldus nog steeds [eiseressen]

4.18.

[gedaagde sub 1] heeft betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen] Volgens [gedaagde sub 1] zijn de hypotheken gevestigd toen [B.V. gedaagde sub 1] juridisch eigenaar was van (delen van) de scheepswerf en was [eiseressen] daarmee bekend dan wel had zij daarmee bekend kunnen zijn als zij niet tekortgeschoten was in haar onderzoeksplicht. Verder kan haar niet verweten worden dat zij [eiseressen] niet heeft behoed voor levering zonder voorafgaande doorhaling van de hypotheken en dat [B.V. gedaagde sub 1] de kooppenningen heeft gevorderd, omdat [eiseressen] , aldus [gedaagde sub 1] , zelf heeft verklaard dat de documentatie klopte en dat de bank kon uitbetalen. Daar komt volgens [gedaagde sub 1] bij dat de overeenkomst nog niet definitief is afgewikkeld en dat [BV gedaagde 2] en [de eenmanszaak] hun medewerking aan opheffing van de hypotheken kunnen opschorten zolang [eiseressen] in (schuldeisers)verzuim is door haar verplichtingen uit de raamovereenkomst niet uit te voeren. Van onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake, aldus [gedaagde sub 1] .

4.19.

De rechtbank stelt bij de beoordeling ter zake van het handelen en de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] het volgende voorop. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap, die een onrechtmatige daad heeft gepleegd of tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis, is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (zie onder meer HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel),

HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen), HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 en HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:484). Van een dergelijk ernstig verwijt zal in het onderhavige geval sprake zijn als komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [B.V. gedaagde sub 1] tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.20.

[gedaagde sub 1] was destijds formeel bestuurder (en enig aandeelhouder) van [B.V. gedaagde sub 1] . Blijkens haar verklaring en die van [gedaagde sub 2] was zij niet rechtstreeks betrokken bij de dagelijkse gang van zaken binnen [B.V. gedaagde sub 1] en in het bijzonder niet bij de totstandkoming van de onderhavige koopovereenkomst en de vestiging van de hypotheken. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit echter niet af aan haar verantwoordelijkheid als bestuurder van [B.V. gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft in haar hoedanigheid van bestuurder de bedrijfsvoering van [B.V. gedaagde sub 1] overgelaten aan [gedaagde sub 2] en zich niet dan wel onvoldoende laten informeren over de gang van zaken binnen [B.V. gedaagde sub 1] . Zo heeft zij toegestaan dan wel laten gebeuren dat er hypotheken zijn gevestigd op (delen van de) scheepswerf zonder dat is komen vast te staan dat de daaraan ten grondslag gelegde geldleningen bestaan. Voorts heeft zij toegestaan dan wel laten gebeuren dat [B.V. gedaagde sub 1] vervolgens niet voldeed aan haar verplichting om de scheepswerf onbelast te leveren en dat aan [eiseressen] iedere verhaalsmogelijkheid op [B.V. gedaagde sub 1] is ontnomen door de opheffing van [B.V. gedaagde sub 1] kort nadat de koopsom ten bedrage van in totaal € 3.453.126,75 door [eiseres sub 1] is overgemaakt en dit bedrag aan de verschillende vennootschappen toebehorend aan [gedaagde sub 2] is doorgeboekt. Als formeel bestuurder moet zij naar het oordeel van de rechtbank verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van [B.V. gedaagde sub 1] . Zij heeft in haar hoedanigheid van bestuurder van [B.V. gedaagde sub 1] niet de verantwoordelijkheid genomen die van haar verwacht had mogen worden en heeft toegestaan dat door deze handelwijze benadeling van [eiseressen] heeft kunnen plaatsvinden. Daarmee heeft zij ernstig verwijtbaar gehandeld. De verweren van [gedaagde sub 1] die zien op de bekendheid van [eiseressen] met de hypotheken en het kunnen opschorten van die hypotheken stranden op dezelfde gronden als ten aanzien van [gedaagde sub 2] is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat ook het handelen van [gedaagde sub 1] jegens [eiseressen] onrechtmatig is.

4.21.

De slotsom luidt dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beiden onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij daarom aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseressen] heeft geleden en zal lijden. Ten aanzien van deze schade overweegt de rechtbank het volgende.

ten aanzien van [gedaagden] (de schade)

4.22.

[eiseressen] heeft gesteld schade te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagden] , bestaande uit het mislopen van een overheidssubsidie ten bedrage van € 598.134,00 vanwege het niet kunnen bouwen van een schilderloods op de verhypothekeerde grond van de scheepswerf. Daarnaast heeft zij schade geleden, omdat zij nieuwbouw niet kon financieren vanwege de ingeschreven hypotheken. Volgens [eiseressen] heeft zij geen mogelijkheden om de scheepswerf als onderpand aan te wenden voor het verkrijgen van een financiering en wordt de exploitatie van de werf door het handhaven van de inschrijving van de hypotheken geblokkeerd. Voorts zal zij schade lijden in het geval [de eenmanszaak] en [BV gedaagde 2] hun hypotheekrechten zullen uitoefenen.

4.23.

[gedaagden] heeft de door [eiseressen] gestelde schade betwist. Volgens [gedaagden] blijkt uit de door haar overgelegde verklaringen van [Naam 7] en [Naam 2] zoals weergegeven in r.o. 2.43 en 2.44, dat de plannen voor de nieuw te bouwen schilderloods reeds waren verlaten voordat de [B.V. gedaagde sub 1] -gronden werden aangekocht, zodat van een mislopen van een overheidssubsidie ten gevolge van de gevestigde hypotheken geen sprake is geweest. Verder kunnen [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] geen schade vorderen, omdat enkel [eiseres sub 3] als overnemende partij kan vorderen dat vrij van hypotheek wordt geleverd. Voorts heeft [gedaagden] aangevoerd dat [eiseressen] haar schade onvoldoende heeft onderbouwd en dat haar stellingen daaromtrent te algemeen en te vaag zijn. Dat [eiseressen] gehinderd werd in de exploitatie van de scheepswerf is, aldus [gedaagden] , niet gebleken, gezien het feit dat [eiseressen] de verkregen opdrachten tot het bouwen van casco's van binnenvaartschepen heeft kunnen uitvoeren. Daar komt bij dat de Servische appelrechter het hoger beroep van [eiseressen] tot nietigverklaring van de hypotheken gegrond heeft verklaard en de hypotheken nietig heeft verklaard, zodat [eiseressen] inmiddels heeft gekregen wat zij op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst moest krijgen, namelijk de onbelaste eigendom van de scheepswerf. Volgens [gedaagden] heeft [eiseressen] geen schade geleden, lijdt zij thans geen schade en ontbreekt het haar aan belang bij de onderhavige procedure. Voorts heeft [gedaagden] aangevoerd dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseressen] die aan schadevergoeding in de weg staat.

4.24.

Met betrekking tot de door [eiseressen] gestelde schade ter zake van de schilderloods overweegt de rechtbank het volgende. Op de voet van artikel 150 Rv ligt het op de weg van [eiseressen] om gemotiveerd te stellen en - bij voldoende gemotiveerde betwisting - te bewijzen dat zij bedoelde subsidie is misgelopen vanwege de op de onroerende zaak gevestigde hypotheken en het daardoor niet kunnen bouwen van de schilderloods. Uit de door [Naam 7] en [Naam 2] afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat de bouw van de schilderloods niet is doorgegaan vanwege economische en technische redenen en omdat de schilderloods niet winstgevend zou worden. [eiseressen] heeft haar stellingen op dit punt - na de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagden] - niet nader onderbouwd. Daarmee heeft [eiseressen] niet aan haar stelplicht voldaan. De rechtbank zal deze vordering dan ook als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

4.25.

De rechtbank acht het voor het overige aannemelijk dat [eiseressen] tenminste enige schade heeft geleden door de vestiging van de hypotheken en de handhaving daarvan. Dat de geldleningen, tot zekerheid waarvan de hypotheken zijn verstrekt, inmiddels nietig zijn verklaard door de Servische appelrechter, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat [eiseressen] daarmee, zoals [gedaagden] heeft betoogd, heeft gekregen wat zij wilde en derhalve geen schade heeft geleden. De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiseressen] in de periode tot de nietigverklaring (enige) schade heeft geleden doordat zij als gevolg van de hypotheken werd belemmerd in de exploitatie van de werf en in het verkrijgen van financieringen. Voor zover [gedaagden] bedoeld heeft het verweer te voeren dat de schade mede een gevolg is van eigen schuld aan de zijde van [eiseressen] wordt dit verweer verworpen. De rechtbank stelt vast dat de feiten die op dit punt zijn gesteld nauw verband houden met het beroep op het opschortingsrecht dat hiervoor is besproken en verworpen. Voor het overige zijn niet (duidelijk) feiten en/of omstandigheden gesteld die erop kunnen duiden dat de schade mede een gevolg is van eigen schuld aan de zijde van [eiseressen]

4.26.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat het feit dat in de akte van

25 september 2009 enkel [eiseres sub 3] - en niet ook [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] - als overnemende partij zijn genoemd, niet tot de conclusie leidt dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] niet als partij zijn te beschouwen en dat zij geen belang meer hebben bij het vrij van hypotheken leveren van de aan [B.V. gedaagde sub 1] in eigendom toebehorende onroerende zaken, die deel uitmaken van de scheepswerf. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de akte van 25 september 2009 deel uitmaakt van en samenhangt met een samenstel van rechtshandelingen waarbij alle partijen betrokken zijn. De belangen van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zijn gezien het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank zo nauw betrokken bij een behoorlijke uitvoering van de laatst gesloten overeenkomst van

25 september 2009 dat [gedaagden] ook jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en ook zij schade of ander nadeel kunnen hebben geleden ten gevolge van het handelen van [gedaagden] De rechtbank is van oordeel dat deze belangen voor [gedaagden] kenbaar waren of redelijkerwijs kenbaar hadden moeten zijn.

4.27.

[gedaagde sub 2] heeft op meerdere plaatsen in de processtukken gesteld dat hij schade heeft geleden door toedoen van [eiseressen] Hij heeft aangevoerd dat deze schade "zo nodig verrekend kan worden", maar hij heeft daaraan geen processuele gevolgen verbonden. De rechtbank passeert dit verweer om die reden dan ook.

4.28.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de gevraagde verklaring voor recht en de vordering, zoals opgenomen onder 1 en 3 van r.o. 3.1, toewijzen als nader in het dictum te bepalen. De vordering, zoals opgenomen onder 2 van r.o. 3.1., zal de rechtbank daarentegen afwijzen. Voor wat betreft onderdeel 3 overweegt de rechtbank dat zij deze vordering geheel (dat wil zeggen: inclusief het onderdeel "en/of uitwinnen") zal toewijzen, ook al is door de Servische appelrechter inmiddels beslist dat de hypotheken nietig zijn. Zoals bij de vaststaande feiten vermeld hebben [BV gedaagde 2] en [de eenmanszaak] op

2 juni 2016 tegen de hiervoor bedoelde beslissing een zogenoemd revisieverzoek ingediend. Op het moment dat vonnis werd gevraagd in deze zaak was nog niet bekend wat de uitkomst van die procedure is.

Proceskosten

4.29.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseressen] worden tot op heden vastgesteld op:

- dagvaarding € 77,84

- overige explootkosten 3,26

- griffierecht 3.275,00

- getuigenkosten nihil

- salaris advocaat

(verzoekschrift- en bodemprocedure) € 16.770,00 (6,5 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 20.126,10.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagden] , gezamenlijk en ieder voor zich, onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [eiseressen] dientengevolge heeft geleden en zal lijden;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de schade die [eiseressen] lijdt in verband met (het handhaven en/of uitwinnen van) de hypothecaire inschrijving, nader op te maken bij staat;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 20.126,10;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de beslissingen onder 5.2 en 5.3 betreft;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. J.A. Werkema en mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier

mr. S. Ambachtsheer.1

1 type: coll: 613.