Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2269

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
18/830291-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensensmokkel, waarbij hij een persoon behulpzaam is geweest bij de wederrechtelijke inreis in Nederland.

Verder heeft verdachte opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst (vals rijbewijs).

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk en een geldboete van € 1.000,00.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 197a
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830291-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.A. Boeve, advocaat te Putten. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 maart 2015 te Ter Apel, althans in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten België, immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader, voornoemde [slachtoffer] in een auto vanuit Oostende in België naar Ter Apel in Nederland vervoerd, terwijl verdachte en/of zijn mededader wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

2.

hij op of omstreeks 27 maart 2015 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, in elk geval in Nederland, opzettelijk een valselijk opgemaakt, en/of vervalst geschrift dat bestemd was

om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Georgisch rijbewijs, voorzien van het documentnummer [nummer], voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - het rijbewijs qua detaillering en gebruikte productietechnieken niet overeenkomt met een origineel door de autoriteiten van Georgië afgegeven rijbewijs van dit model en type en/of

- het rijbewijs een afwijkende reactie vertoont bij het aanstralen met een ultraviolette lichtbron ten opzichte van een origineel rijbewijs van dit model en/of

- het rijbewijs geheel is opgemaakt in een printtechniek terwijl een origineel Georgisch rijbewijs van dit model is opgemaakt in verschillende print- en druktechnieken en/of

- het optisch variabel beeld in het laminaat afwijkt van het origineel laminaat op een origineel Georgisch rijbewijs.

Beoordeling van het bewijs

Stanpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is te bewijzen dat de toegang van [slachtoffer] tot Nederland wederrechtelijk was. Verdachte heeft haar samen met de medeverdachte van België naar Nederland vervoerd en uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en de medeverdachte van die wederrechtelijkheid op de hoogte waren.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde geldt dat bij verdachte op zijn minst sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van een vervalst rijbewijs, gezien de omstandigheden waaronder hij het rijbewijs heeft gekregen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde kan niet worden bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van wetenschap of een vermoeden dat de toegang tot Nederland van [slachtoffer] illegaal was. Verdachte heeft gezien dat [slachtoffer] in het bezit was van een laissez passer en hij ging er vanuit dat een dergelijk document toegang geeft tot Nederland. Zijn verklaring wordt op hoofdlijnen bevestigd door [slachtoffer].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde kan niet worden bewezen dat verdachte wist dat het rijbewijs valselijk was opgemaakt of was vervalst. Verdachte heeft het rijbewijs van een bevoegde autoriteit gekregen. Hij is sergeant in het leger geweest en behoefde wellicht daarom niet het praktijkonderdeel van het rijexamen af te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 29 maart 2015, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL27NN/15-002359, d.d. 6 oktober 2015, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij zagen dat de verlichting van het voertuig (een grijze personenauto, Opel Vectra, met Belgisch kenteken [nummer]) dat wij langs de weg in Ter Apel aantroffen op 27 maart 2015, ingeschakeld was en dat de autosleutel in het contact aanwezig was. Wij zagen niemand bij het voertuig in de buurt. Vervolgens zagen wij twee manspersonen naar ons toe komen, een agent en een beveiligingsbeambte. Wij hoorden de politieagent zeggen dat drie personen bij de aanmeldbalie van het aanmeldcentrum zich hebben gemeld; twee mannen en één vrouw. Deze personen waren volgens de politie uit voornoemd voertuig gestapt. De agent had het vermoeden dat er sprake was van mensensmokkel. De ambtenaar van de vreemdelingenpolitie heeft de beide manspersonen aangewezen als zijnde de bestuurder en de bijrijder van voornoemd voertuig; [medeverdachte] en [verdachte]. De vrouw gaf middels een kopie van een Oekraïens paspoort op te zijn [slachtoffer]. Bij de aanmelding kon de vrouw geen enkel document ter inzage overleggen, waaruit haar identiteit, nationaliteit of verblijfrechtelijke status bleek. De vrouw gaf zelf aan de Oekraïense nationaliteit te bezitten en dat ze asiel wilde aanvragen.

2. De door verdachte op de terechtzitting van 12 juni 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb de man, [medeverdachte], en de vrouw, [slachtoffer], op 27 maart 2015 in de auto van België naar Ter Apel in Nederland gebracht omdat de vrouw daar asiel wilde aanvragen. Zij komt uit de Oekraïne.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 29 maart 2015, opgenomen op pagina 98 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (in vraag- en antwoordstijl):

(p.103) V: Wanneer heeft u [slachtoffer] voor het eerst ontmoet?

A: Ik heb haar voor het eerst 3 weken geleden gezien. Zij is toen naar België gekomen. Zij is toen samen met mij bij mijn vriend verbleven.

V: Was u zich ervan bewust dat u iemand zonder geldige documenten de grens over heeft gebracht?

A: Ja dat wist ik.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 28 maart 2015, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] (in vraag- en antwoordstijl):

V: Ben je in het bezit (geweest) van een geldig grensoverschrijdingdocument?

A: Ik had een Oekraïens binnenlands paspoort. Ik had in mijn paspoort geen visum voor Nederland.

(p.125) V: Wat was het reisdoel?

A: Nederland asiel aanvragen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 28 maart 2015, opgenomen op pagina 127 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] (in vraag- en antwoordstijl):

(p.129) V: Wat was de rol van de mannen die jou naar Ter Apel hebben gebracht?

A: Ze hebben me hulp aangeboden om mij asiel te laten aanvragen in Nederland.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2015, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

ONDERZOCHT DOCUMENT:

document : rijbewijs

nummer : [nummer]

reisdocument : nee

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

- dit rijbewijs kwam qua detaillering en gebruikte productietechnieken niet overeen met een origineel door de autoriteiten van Georgië afgegeven rijbewijs van dit model en type;

- dit rijbewijs vertoonde bij het aanstralen met een ultraviolette lichtbron met een golflengte van 365 nanometer aan de voor- en achterzijde een afwijkende reactie ten opzichte van een origineel door de autoriteiten van Georgië afgegeven rijbewijs van dit model;

- dit rijbewijs was geheel opgemaakt in een printtechniek terwijl een origineel Georgisch rijbewijs van dit model is opgemaakt in verschillende druk- en printtechnieken;

- het optisch variabel beeld in het laminaat wijkt af van het origineel laminaat op een rijbewijs van dit model afgegeven door de autoriteiten van Georgië.

Conclusie: Naar aanleiding van vorenstaande kon dezerzijds worden vastgesteld dat het een vals rijbewijs betrof."

2. De door verdachte op de terechtzitting van 12 juni 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb mijn rijbewijs in Georgië gekregen. Ik heb daarvoor niet het praktijkonderdeel van het rijexamen hoeven af te leggen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

In de Vreemdelingenwet (Vw) is bepaald in welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven. Artikel 8 Vw bepaalt dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft indien hij een verblijfstitel heeft dan wel in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, oftewel van de uitkomst van een rechtsmiddel daartegen.

Ten aanzien van de persoon die door verdachte en de medeverdachte is vervoerd is hiervan niet gebleken. Voor personen met de Oekraïense nationaliteit is voor toegang tot Nederland, naast een paspoort, een Schengenvisum vereist. [slachtoffer] heeft de Oekraïense nationaliteit, maar had deze documenten in Nederland niet in haar bezit. Dit betekent dat haar toegang tot Nederland wederrechtelijk is geweest.

De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen verder af dat verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang tot Nederland wederrechtelijk was.

Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] een laissez passer had en dat hij er vanuit ging dat zij daarmee rechtmatig in Nederland kon verblijven. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Deze verklaring vindt geen enkele ondersteuning in de verklaringen van de medeverdachte en [slachtoffer], noch in andere stukken van het dossier. Integendeel, de medeverdachte heeft verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] geen geldige documenten had en [slachtoffer] heeft verklaard dat zij een Oekraïens paspoort bij zich had zonder visum en heeft niet gesproken over een laissez passer.

Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] een laissez passer had gekregen en dat zij Spanje moest verlaten en met haar laissez passer terug moest naar Oekraïne. In dat geval zou een reis van Spanje naar de Oekraïne via België en Nederland niet voor de hand hebben gelegen en bij verdachte had dan het vermoeden moeten rijzen dat deze laissez passer in ieder geval geen recht op toegang tot Nederland gaf. Verdachte wist daarbij ook dat [slachtoffer] niet op weg was naar de Oekraïne, maar dat zij in Nederland asiel wilde aanvragen.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte, de medeverdachte en [slachtoffer] kennelijk aanleiding hebben gezien het verhaal te verzinnen om bij staande houding aan de autoriteiten te vertellen dat verdachte en de medeverdachte [slachtoffer] in Nederland hadden opgepikt toen zij haar zagen huilen op straat en haar vervolgens naar Ter Apel hadden gebracht1. Het doelbewust verzwijgen dat zij [slachtoffer] over de grens hadden gebracht valt niet te rijmen met de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat de toegang tot Nederland van [slachtoffer] wederrechtelijk was.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde bewezen, op grond van de omstandigheden waaronder verdachte het rijbewijs heeft gekregen, te weten zonder dat hij daarvoor het praktijkgedeelte van het rijexamen heeft hoeven af te leggen. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer dat verdachte mogelijk niet heeft hoeven af te rijden vanwege zijn vroegere functie van sergeant in het leger. Nu verdachte zelf bij de politie geen verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat hij geen praktijkexamen hoefde te doen, acht de rechtbank dit niet aannemelijk.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 maart 2015 te Ter Apel, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en doorreis door Nederland, immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader, voornoemde [slachtoffer] in een auto vanuit Oostende in België naar Ter Apel in Nederland vervoerd, terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

2.

hij op of omstreeks 27 maart 2015 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, opzettelijk een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Georgisch rijbewijs, voorzien van het documentnummer [nummer], voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - het rijbewijs qua detaillering en gebruikte productietechnieken niet overeenkomt met een origineel door de autoriteiten van Georgië afgegeven rijbewijs van dit model en type en

- het rijbewijs een afwijkende reactie vertoont bij het aanstralen met een ultraviolette lichtbron ten opzichte van een origineel rijbewijs van dit model en

- het rijbewijs geheel is opgemaakt in een printtechniek terwijl een origineel Georgisch rijbewijs van dit model is opgemaakt in verschillende print- en druktechnieken en

- het optisch variabel beeld in het laminaat afwijkt van het origineel laminaat op een origineel Georgisch rijbewijs.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Tezamen en in vereniging met één of meer anderen het een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk is.

2. Opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zal overgaan - bepleit een geheel voorwaardelijke straf dan wel een geldboete op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensensmokkel, waarbij hij een persoon behulpzaam is geweest bij de wederrechtelijke inreis in Nederland. Verdachte heeft daarmee het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist.

Verder is verdachte in het bezit geweest van een vals rijbewijs. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten beschaamd.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte gelet op de ouderdom van de zaak en op de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, (in Nederland) niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts is ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde niet gebleken dat verdachte heeft gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank zal - alles overwegende - een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van na te noemen duur opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen en 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 197a en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van € 50,00 per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2017.

Mr. De Wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring verdachte, p. 59, verklaring medeverdachte p. 95, verklaring [slachtoffer], p. 125.