Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2261

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
LEE 16/4776
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

PW. Terugvordering leenbijstand. De omvang van de leenschuld is rechtens onaantastbaar. De Wet vrijlating lijfrenteopbouw voorziet niet in mogelijkheid van (gedeeltelijke) kwijtschelding van leenbijstand. Geen ondubbelzinnige erkenning dat verweerder bij de vermogenstoets is uitgegaan van een onjuiste hoogte van de koopsompolis. Met de bekendmaking van het primaire besluit is de verjaring van de schuld gestuit. Voor zover verweerder zou hebben nagelaten kenbaar te maken op welke wijze en wanneer de schuld moest worden terugbetaald, kan dat niet leiden tot de conclusie dat terugbetaling niet meer mogelijk is. Dat zou anders zijn als verweerder zou hebben toegezegd van de vordering tot terugbetaling af te zien. Daarvan is niet gebleken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4776

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L. Doek).

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij de leenbijstand van € 8.702,00 moet terugbetalen.

Bij besluit van 17 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift, voorzien van bijlagen, ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser heeft in 1995 een ontvangen ontslagvergoeding ondergebracht in een koopsompolis, aangehouden bij (een rechtsvoorganger van) [naam bank] . De einddatum van deze koopsompolis is gesteld op 26 april 2015.

1.2.

Bij besluit van 22 maart 2005 is aan eiser met ingang van 5 februari 2005 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend naar de norm voor een alleenstaande en een gemeentelijke toeslag van 20%. Ten tijde van de verlening van bijstand was de grens voor het vrij te laten vermogen bepaald op een bedrag van € 5.105,00. Het vermogen van eiser is destijds vastgesteld op een bedrag van € 13.807,00, gelijk aan de waarde van de koopsompolis. Het oververmogen van eiser is bepaald op een bedrag van
€ 8.702,00. Dat bedrag is aan eiser in de vorm van leenbijstand verleend op grond van artikel 48, tweede lid, van de Wwb. Voor het meerdere is bijstand om niet verstrekt. Het (destijds, in 2005) tegen dit besluit ingediende bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

In januari 2012 heeft eiser na het overlijden van zijn vader een erfenis van € 9.000,00 ontvangen. Bij besluit van 16 december 2013 is het vermogen van eiser opnieuw vastgesteld, waarbij tevens rekening is gehouden met de waarde van de koopsompolis en de schuld van eiser in verband met de aan hem verleende leenbijstand.

1.4.

Bij brief van 23 januari 2015 heeft [naam bank] eiser geattendeerd op de einddatum van zijn lijfrenteverzekering (26 april 2015). Nadien heeft zij eiser geïnformeerd over de verschillende wijzen van uitkering. Uitkering van de lijfrente kan op drie wijzen:

a. (fiscaal ongunstige) uitkering in één keer;

b. in de vorm van een periodieke uitkering met ingang van de einddatum van de lijfrente (€ 416,58 per maand vanaf 26 april 2015 tot 26 april 2020, in totaal een bedrag van € 25.204,00);

c. in de vorm van een periodieke uitkering met ingang van de pensioendatum van eiser.

1.5.

Verweerder heeft aan eiser laten weten in verband met het vrijvallen van de lijfrente terugbetaling van de leenbijstand te verlangen en in het kader van een minnelijke regeling aan eiser twee opties in overweging gegeven. De eerste optie is dat de koopsompolis in één keer wordt uitbetaald en dat hiermee de schuld van € 8.702,00 in één keer wordt afgelost. De tweede optie is dat de koopsompolis per direct maandelijks wordt uitbetaald, zoals voorgesteld in de offerte van [naam bank] van 17 maart 2015. Bij een bruto uitkering van € 416,58 per maand (netto is dat ongeveer € 265,00), is de schuld na 33 maanden afgelost. Het restant van de lijfrente-uitkeringen (een bedrag van € 11.247,66) mag eiser behouden. Eiser is erop gewezen dat indien hij met geen van beide opties akkoord gaat, dan tot terugvordering van het bedrag van € 8.702,00 zal worden overgegaan. Eiser is met geen van deze voorstellen akkoord gegaan. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

1.6.

Ter gelegenheid van de hoorzitting heeft verweerder als derde optie voorgesteld: een betaling van een bedrag van € 7.000,00 ineens, waarbij de (waardevermeerdering van de) koopsompolis verder buiten beschouwing wordt gelaten.

1.7.

Ook met dit voorstel is eiser niet akkoord gegaan. Zijn (tegen)voorstellen, die erop neer komen dat verweerder met een substantieel lager bedrag en/of met een betaling in termijnen genoegen zal moeten nemen, zijn door verweerder afgewezen.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zijn schuld ter hoogte van het bedrag van € 8.702,00 in één keer kan aflossen omdat hij door de afloop van de koopsompolis op 26 april 2015, over voldoende middelen is komen te beschikken. In geval van leenbijstand is kwijtschelding van een restschuld niet mogelijk. Op grond van de door verweerder gehanteerde beleidsregels is de lening direct opeisbaar indien de middelen daarvoor beschikbaar komen. Eiser dient het bedrag aan leenbijstand van € 8.702,00 in één keer af te lossen.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Op de gronden die eiser daartoe aanvoert, wordt hieronder ingegaan.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 22 maart 2005 rechtens onaantastbaar is geworden. De inhoud van het besluit van 22 maart 2005 kan dus niet met vrucht door eiser in deze procedure opnieuw worden bestreden. Het bestaan en de omvang (het bedrag van € 8.702,00) van de aan eiser als geldlening verleende bijstand staan daarmee vast. De vraag die in dit geding aan de orde is, is of verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten tot terugvordering van de leenbijstand over te gaan.

4.2.

Artikel 51, tweede lid, van de Participatiewet (Pw) bepaalt, voor zover van belang, dat het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
In artikel 6.4 van de beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 die verweerder hanteert, is neergelegd dat de lening direct opeisbaar is als de middelen beschikbaar komen.
Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels terug- en invordering Wwb, IOAW en IOAZ gemeente Groningen 2013 is – samengevat – kwijtschelding of afzien van terugvordering uitgesloten voor vorderingen die het gevolg zijn van leenbijstand.

4.3.

Eiser voert ten eerste aan dat de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw van 21 november 2015 (Wet vrijlating lijfrenteopbouw) op zijn situatie van toepassing moet zijn.

4.3.1.

De Wet vrijlating lijfrenteopbouw, die in werking is getreden op 1 april 2016, brengt mee dat de waarde van een lijfrente als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel b van de Participatiewet, buiten beschouwing wordt gelaten bij de vaststelling van de middelen waarover betrokkene redelijkerwijs kan beschikken (‘de vermogenstoets’). Aangezien aan deze regeling geen terugwerkende kracht is toegekend, is zij niet van toepassing op die gevallen waarbij de vermogenstoets vóór 1 april 2016 heeft plaatsgevonden, zoals in het geval van eiser. Bij de vaststelling van het recht op bijstand in 2005 heeft verweerder dus op goede gronden rekening gehouden met de koopsompolis van eiser. Het besluit van 22 maart 2005 dat mede op deze vermogenstoets is gebaseerd, is inmiddels rechtens onaantastbaar.

4.3.2.

De Wet vrijlating lijfrenteopbouw voorziet niet in de mogelijkheid van (gedeeltelijke) kwijtschelding van leenbijstand. Voor een ruimere strekking van de wetgeving, inhoudende dat de leenbijstand (deels) niet behoeft te worden terugbetaald indien deze is verleend omdat in verband met een lijfrente het vermogen van betrokkene boven de vermogensgrens uitkomt, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.

4.3.3.

De eerste beroepsgrond faalt derhalve.

4.4.

Ten tweede voert eiser aan dat verweerder erkend heeft dat er fouten zijn gemaakt bij de berekening van de financiële situatie van eiser; expliciet zou zijn aangegeven dat de berekening van de schuld onjuist is.

4.4.1.

De gemachtigde van verweerder heeft in haar e-mail van 29 november 2016 aan de toenmalige gemachtigde van eiser, voor zover van belang, meegedeeld:

“Het gaat niet meer om de vermogensvaststelling, maar om een bedrag aan leenbijstand dat inmiddels vaststaat. Bij nader inzien hadden wij de leenbijstand niet moeten verstrekken in 2005; wij hadden van de heer [naam eiser] moeten verlangen dat hij de koopsompolis ging afkopen. […] De vraag of het bruto bedrag van € 13.807 correct is geweest is dus niet meer van belang.”

Een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke erkenning dat verweerder bij de vermogenstoets, zoals uitgevoerd in het kader van de aanvraag om een bijstandsuitkering in 2005, van een onjuiste hoogte van de waarde van de koopsompolis is uitgegaan, valt hierin niet te lezen. Ook als dat wel het geval zou zijn, ligt een voor een eiser gunstige beslissing niet voor de hand. Immers, zoals onder 4.1 is overwogen is het besluit van 22 maart 2005 waarbij de omvang van de leenschuld is vastgesteld, rechtens onaantastbaar geworden. Tegen een eventueel onjuiste vaststelling van deze omvang kan dus niet met succes in deze procedure worden opgekomen.
Daar komt bij dat, voor zover al sprake is geweest van een onjuiste toepassing van de regels omtrent leenbijstand, dat tot aanzienlijk financieel voordeel voor eiser heeft geleid. Met een (fiscaal ongunstige) gedwongen afkoop in 2005 zou eiser thans de uitkering uit de koopsompolis moeten missen. Daarnaast is ten gunste van eiser met de leenbijstand als schuld rekening gehouden bij de vermogensvaststelling naar aanleiding van de in januari 2012 ontvangen erfenis. Ook in dit licht bestaat geen enkele aanleiding ten gunste van eiser gevolgen te verbinden aan een vermeende erkenning van een fout door verweerder.

4.4.2.

Gelet op het voorgaande faalt deze beroepsgrond.

4.5.

Als derde beroepsgrond voert eiser aan dat verweerder volgens hem nooit kenbaar heeft gemaakt op welke wijze en wanneer hij het bedrag terug diende te betalen. De schuld zou zijn verjaard.

4.5.1.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AL1023, overwogen dat, voor zover hier van belang, leenbijstand moet worden aangemerkt als een overeenkomst naar burgerlijk recht en de verbintenis van de betrokkene om de ontvangen gelden terug te betalen gekwalificeerd dient te worden als een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot geven zoals bedoeld in artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor dergelijke verbintenissen geldt, op grond van artikel 3:307 van het BW, een verjaringstermijn van vijf jaar. De Centrale Raad van Beroep heeft zich bij deze rechtspraak aangesloten (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 11 april 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AW1290).

4.5.2.

Bij het besluit van 22 maart 2005 is het vermogen van eiser vastgesteld op de waarde van de koopsompolis van € 13.807,00. Voor zover dit bedrag de vermogensvrijlating te boven ging, is bijstand verleent in de vorm van leenbijstand. Het moet voor eiser duidelijk zijn geweest dat van opeisbaarheid van het leenbedrag pas sprake zou kunnen zijn vanaf het moment hij over de middelen zou komen te beschikken om de lening af te lossen. Op goede gronden beroept verweerder zich in dit verband op haar beleid zoals neergelegd in artikel 6.4 van de “Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004”. Daarin is bepaald dat de lening direct opeisbaar is als de middelen beschikbaar komen.

De verjaring is dan ook op zijn vroegst gaan lopen op het moment dat eiser aan verweerder heeft laten weten dat hij een erfenis ontving in verband met het overlijden van zijn vader in januari 2012.

Binnen de geldende verjaringstermijn van vijf jaar is de verjaring gestuit, namelijk bekendmaking van het primaire besluit van 16 februari 2016 aan eiser.

4.5.3.

De rechtbank merkt op dat de enkele omstandigheid dat bijstand is verleend in de vorm van een lening, impliceert dat deze op enig moment zal moeten worden terugbetaald. Voor zover verweerder al zou hebben nagelaten kenbaar te maken op welke wijze en wanneer hij de leenbijstand terug diende te betalen, kan die omstandigheid dan ook niet leiden tot de conclusie dat verweerder terugbetaling niet meer mag verlangen. Dat zou slechts anders kunnen zijn als verweerder zou hebben toegezegd van haar vordering tot terugbetaling af te zien. Van een dergelijke toezegging is echter niet gebleken.

4.5.4.

De derde beroepsgrond faalt eveneens.

5. Geconcludeerd moet worden dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en naar behoren is gemotiveerd. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. H. van der Werff en

mr. G.W.G. Wijnands, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.