Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2259

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
LEE 16/4192
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

WW. Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiseres kan haar WW-uitkering op grond van artikel 64, eerste lid, van Vo 883/2004 niet meenemen naar Duitsland, omdat niet aan het vereiste van volledige werkloosheid wordt voldaan. Eiseres is gedeeltelijk werkloos. Het woonplaatsvereiste is niet in strijd met artikel 21, eerste lid, en artikel 45 van de VWEU. Verwijzing naar de arresten De Cuyper (C-406/04) en Petersen (C-228/07). Rechtsongelijkheid doet zich niet voor, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Eiseres is niet te beschouwen als grensarbeider in de zin van artikel 65 van Vo 883/2004. De WW-uitkering is terecht per 4 april 2016 beëindigd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4192

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] ( [naam land] ), eiseres

(gemachtigde: J. Kremer),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: J.T. Wielinga).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 4 april 2016 beëindigd.

Bij besluit van 23 mei 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om met behoud van haar uitkering op grond van de WW werk te zoeken in [naam land] afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder voor de zitting een aantal stukken ingezonden, die in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft op 8 februari 2016 een aanvraag voor een uitkering op grond van de WW ingediend, omdat zij op dat moment geen werk meer had. Als laatste werkgevers heeft eiseres opgegeven [naam uitzendbureau] Bij besluit van 25 februari 2016 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 februari 2016 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Bij dit besluit heeft verweerder eiseres bericht dat als er niets aan haar situatie zou veranderen zij tot en met 31 december 2017 recht heeft op een WW-uitkering.

1.2.

Eiseres heeft op 25 februari 2016 in het kader van een beroep op WW een voortgangsgesprek gehad met de werkcoach waarbij aan haar de mededeling is gedaan, die ertoe strekt dat WW-uitkeringen kunnen worden geëxporteerd en dat eiseres voor meer informatie daarover is verwezen naar de website van het Uwv. Eiseres is op 4 april 2016 verhuisd naar [naam land] .

1.3.

Eiseres heeft volgens het klantencontactcentrum (KCC) van verweerder op 26 april 2016 telefonisch contact opgenomen met de vraag of haar wijzigingsformulier WW, waarin is aangegeven dat eiseres is verhuisd naar [naam land] , al binnen is. Op 20 mei 2016 heeft een medewerker van het KCC gebeld met eiseres over het feit dat zij per 4 april 2016 in [naam land] woont en een exportuitkering zou moeten aanvragen. Eiseres is meegedeeld dat zij via het KCC een exportuitkering moet aanvragen en dat het verder aan de Afdeling buitenland is om de aanvraag te beoordelen. Eiseres heeft daarop aangegeven dat zij dat begrijpt en actie zal ondernemen. Op 23 mei 2016 heeft een medewerker van het KCC opnieuw contact met eiseres opgenomen, waarbij haar is meegedeeld dat geen exportuitkering mogelijk is omdat de aanvraag te laat is gedaan en eiseres niet volledig werkloos is en dat eiseres niet kan worden aangemerkt als grensarbeider. In overleg met eiseres is het gesprek aangemerkt als een aanvraag om export van de WW-uitkering.

1.4.

Op 23 mei 2016 is eiseres bij [naam bedrijf] te Winschoten in dienst getreden en daarnaast op 6 juni 2016 bij [bedrijfsnaam] te Zuidlaren. Eiseres verdiende per 6 juni 2016 zodanig dat zij met ingang van deze datum geen WW-uitkering meer ontving.

1.5.

Verweerder heeft bij het primaire besluit 1 aan eiseres geen WW-uitkering verstrekt over de periode dat zij in het buitenland naar werk gaat zoeken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiseres gedeeltelijk werkloos is en naast haar uitkering nog werkt. Hierdoor voldoet eiseres niet aan alle voorwaarden om haar WW-uitkering te mogen exporteren.

1.6.

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aan eiseres toegekende WW-uitkering vanaf 4 april 2016 beëindigd op de grond dat zij per die datum in het buitenland verblijft.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het gesprek met de werkcoach van 25 februari 2016 niet kan worden opgemaakt dat er harde toezeggingen zijn gedaan dat eiseres bij de verhuizing naar [naam land] haar WW-uitkering mocht meenemen. Het had op de weg van eiseres gelegen om de website van het Uwv te raadplegen over de (on)mogelijkheden van export van haar WW-uitkering. Een WW-uitkering kan, behoudens enkele uitzonderingen, niet naar het buitenland worden meegenomen. Het Unierecht houdt niet in dat het vrij verkeer van personen en werknemers in de Europese Unie onbeperkt is. Voorwaarden en aanspraken op uitkeringen zijn per Europees land verschillend en de lidstaten moeten zich houden aan de verordeningen die door de Europese Unie zijn opgesteld. Artikel 64 van Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Vo 883/2004) stelt de eis dat export van de WW-uitkering om in een andere lidstaat naar werk te zoeken alleen mogelijk is bij volledige werkloosheid. Eiseres voldoet niet aan die eis. Het bepaalde in artikel 65 van Verordening 883/2004 is niet op de situatie van eiseres van toepassing omdat zij in Nederland al gedeeltelijk werkloos was en zij haar WW-uitkering wilde meenemen naar het buitenland, [naam land] .

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen zij in dat verband in de gronden van het beroep heeft aangevoerd, zal hieronder worden ingegaan.

4. Verweerder ziet in hetgeen in de gronden van beroep is aangevoerd geen aanleiding voor wijziging van het in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Aan de orde is allereerst de vraag of eiseres een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt.

5.2.

Eiseres voert in dat verband aan dat zij is afgegaan op een in het gesprek van

25 februari 2016 gedane toezegging door een werkcoach van verweerder dat zij haar WW-uitkering kan meenemen naar [naam land] .

5.3.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de werkcoach eiseres in het algemeen heeft gewezen op de mogelijkheid om een WW-uitkering naar [naam land] mee te nemen, waarbij eiseres is verwezen naar de website van het Uwv voor meer informatie. Voorts valt uit de telefoongesprekken met het KCC niet af te leiden dat er een harde toezegging aan eiseres is gedaan dat zij haar WW-uitkering bij verhuizing zou kunnen meenemen naar [naam land] , aldus verweerder ter zitting.

5.4.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3882) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Het is aan degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel om te bewijzen dat hem zulke toezeggingen zijn gedaan.

5.5.

Eiseres is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Voor dit oordeel is van belang dat uit het in beroep door verweerder ingezonden verslag van het gesprek van

25 februari 2016 met een werkcoach van verweerder, zoals opgenomen in de zogeheten

WZ-toelichting, niet kan worden opgemaakt dat een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging aan eiseres is gedaan dat zij na haar verhuizing naar [naam land] jaar haar WW-uitkering kan meenemen. Zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft overwogen, dient de in de WZ-toelichting van 25 februari 2016 opgenomen passage van de werkcoach dat eiseres de WW-uitkering mee kan verhuizen te worden geduid als een algemeen bestaande mogelijkheid om in een voorkomend geval, en indien aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan, een WW-uitkering te exporteren naar het buitenland. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de werkcoach eiseres heeft verwezen naar de website van het Uwv voor meer informatie over de mogelijkheden van het exporteren van een WW-uitkering naar het buitenland. In het licht van de door verweerder in het geding gebrachte WZ-toelichting heeft eiseres met het door haar aangevoerde niet aannemelijk gemaakt dat de werkcoach een expliciete toezegging heeft gedaan dat er na verhuizing naar [naam land] onverkort aanspraak zou blijven bestaan op de WW-uitkering. Daarbij verdient opmerking dat ook uit de gesprekken van het KCC niet blijkt dat een dergelijke uitdrukkelijke toezegging is gedaan, waaraan eiseres een gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zij bij verhuizing naar [naam land] haar aanvullende WW-uitkering zou mogen meenemen. Overigens geldt ten aanzien van de informatieverstrekking dat uit de aard van de functie van het KCC van verweerder voortvloeit dat de informatie die wordt verstrekt een algemeen karakter heeft omdat niet alle relevante aspecten van een mogelijk recht op (behoud van een) WW-uitkering in een telefonisch gesprek aan de orde kunnen komen (zie ECLI:NL:CRVB:2015:3009). In het betoog namens eiseres ter zitting dat zij zich geen zorgen hoefde te maken over haar WW-uitkering na verhuizing naar [naam land] kan geen aanknopingspunt worden gevonden dat verweerder jegens eiseres het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

6.1.

Vervolgens zijn aan de orde de vragen of verweerder terecht de WW-uitkering van eiseres heeft beëindigd per 4 april 2016 en of verweerder terecht heeft geweigerd aan eiseres een WW-uitkering te verstrekken over de periode dat zij werk gaat zoeken in [naam land] op de grond dat zij gedeeltelijk werkloos is. Voor beantwoording van die vragen is de volgende wet- en regelgeving van belang, zoals hieronder vanaf 6.4 zal worden uiteengezet

Het gaat in dit geding om de periode van 4 april 2016 tot 6 juni 2016.

6.2.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat de bezwaren niet inhoudelijk zijn beoordeeld, nu er alleen een formeel standpunt van verweerder is. Voorts voert eiseres aan dat voor het woonplaatsvereiste geen objectieve rechtvaardiging te vinden is en dat een weigering van een WW-uitkering een belemmering kan vormen van het vrij verkeer van werknemers. Een lidstaat mag op grond van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de toekenning van een WW-uitkering niet afhankelijk stellen van het woonplaatsvereiste. Eiseres beroept zich in dat verband op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van

18 juli 2006 (C-406/04, ECLI:EU:C:2006:491, De Cuyper) en van 11 september 2008

(C-228/07, ECLI:EU:C:2008:294, Petersen). Verder voert eiseres aan dat zij als grensarbeider dient te worden aangemerkt als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van

Vo 883/2004, zodat zij aanspraak blijft behouden op haar gedeeltelijke WW-uitkering. Eiseres is van mening dat in haar specifieke situatie op onevenredige wijze inbreuk wordt gemaakt op het recht zich vrij te bewegen binnen de Europese Unie.

6.3.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op hetgeen in bezwaar is aangevoerd en dat geen sprake is van een motiveringsgebrek. Voorts stelt verweerder dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan de Europese regelgeving. In dat verband heeft verweerder erop gewezen dat export van de WW-uitkering op grond van artikel 64, eerste lid, van Vo 883/2004 alleen mogelijk is bij volledige werkloosheid. Eiseres voldoet in de visie van verweerder niet aan dat vereiste, omdat zij gedeeltelijk werkloos is. Verweerder acht verder artikel 65 van Vo 883/2004 over de grensarbeider niet op eiseres van toepassing, omdat zij al gedeeltelijk werkloos was en een WW-uitkering ontving die zij wilde meenemen naar het buitenland.

6.4.

Met ingang van 1 mei 2010 geldt Vo 883/2004. Op grond van artikel 11, derde lid, onder a, van Vo 883/2004 geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat.

6.5.

Op grond van artikel 64, eerste lid, van Vo 883/2004 – voor zover hier van belang – behoudt de volledig werkloze die voldoet aan de bij de wetgeving van de bevoegde lidstaat gestelde voorwaarden om recht te hebben op uitkeringen die zich naar een andere lidstaat begeeft om daar werk te zoeken onder bepaalde voorwaarden en beperkingen het recht op werkloosheidsuitkering.

7.1.

De beroepsgrond van eiseres dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat verweerder onvoldoende op de bezwaren is ingegaan, volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat nagenoeg alle door eiseres aangevoerde bezwaren in het bestreden besluit zijn besproken en gemotiveerd zijn weerlegd. Daarmee is van strijd met het motiveringsbeginsel geen sprake. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

7.2.

Eiseres heeft geen werkzaamheden verricht in [naam land] , maar uitsluitend in Nederland. Op grond van artikel 11, derde lid, onder a, van Vo 883/2004 is dus het Nederlandse recht van toepassing. Het interne Nederlands recht geeft geen aanspraak op export van haar WW-uitkering aangezien artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW bepaalt dat de werknemer die in het buitenland woont, geen recht heeft op een WW-uitkering. Ook op grond van artikel 64, eerste lid, van Vo 883/2004 kan eiseres haar aanvullende WW-uitkering niet naar [naam land] meenemen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiseres niet valt onder het bereik van artikel 64, eerste lid, van Vo 883/2004, waarin is bepaald dat een werknemer volledig werkloos moet zijn om een WW-uitkering te kunnen exporteren. Daarmee is dus door de uniewetgever een expliciete beperking voor het kunnen exporteren van een WW-uitkering naar het buitenland in het EU-recht zelf opgenomen. Nu eiseres in de periode in geding niet volledig werkloos was en zij – zoals ter zitting namens eiseres is aangegeven – ook niet naar [naam land] is verhuisd met het oogmerk om daar werk te gaan zoeken, bestaat op grond van het eerste lid van artikel 64 van Vo 883/2004 niet de mogelijkheid voor eiseres om haar WW-uitkering mee te nemen naar [naam land] . Dat verweerder bij de weigering om eiseres een WW-uitkering toe te kennen er vanuit is gegaan dat eiseres op zoek was naar werk in [naam land] , berust op een feitelijke misvatting waar de rechtbank geen gevolgen aan zal verbinden.

7.3.

De beroepsgrond van eiseres dat voor het door verweerder gehanteerde woonplaatsvereiste in haar specifieke situatie geen objectieve rechtvaardiging is te vinden in artikel 21, eerste lid, van het VWEU, waarin het vrij verkeer en verblijf van Europese burgers op het grondgebied van de lidstaten is neergelegd, slaagt niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat door de uniewetgever in artikel 64, eerste lid, van Vo 883/2004 uitdrukkelijk is voorzien in het woonplaatsvereiste. Eiseres heeft dat ook niet betwist. Daar komt bij dat het de lidstaten op grond van artikel 64 van Vo 883/2004 vrij staat het recht op een WW-uitkering afhankelijk te maken van een woonplaatsvereiste (zoals het geval is in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW). Verder verdient opmerking dat het Hof in de arresten De Cuyper en Petersen heeft geoordeeld dat (de voorloper van) Vo 883/2004 niet verbiedt dat de wettelijke regeling van een lidstaat aan het recht op een werkloosheidsuitkering de voorwaarde verbindt dat de rechthebbende op het grondgebied van deze lidstaat verblijft. De rechtbank vindt voor haar oordeel steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4101). Daarmee levert het woonplaatsvereiste bij de beoordeling of het mogelijk is een WW-uitkering te exporteren naar het buitenland geen strijd op met artikel 21, eerste lid, van het VWEU. De omstandigheid dat eiseres vlak over de Nederlandse grens woont, kan aan het voorgaande niet afdoen. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan niet worden gezegd dat door het hanteren van het woonplaatsvereiste het vrij verkeer van werknemers voor eiseres op ongeoorloofde wijze wordt beperkt.

7.4.

Voor zover eiseres met haar beroep op artikel 45 van het VWEU heeft aangevoerd dat een lidstaat (Nederland) de toekenning van een WW-uitkering niet afhankelijk mag stellen van het woonplaatsvereiste in die lidstaat, overweegt de rechtbank als volgt. In het kader van de regeling van het vrij verkeer voor werknemers op het gebied van de sociale zekerheid is op grond van artikel 48 van het VWEU Vo 883/2004 vastgesteld. Op grond van artikel 7 van Vo 883/2004 kunnen – tenzij de verordening anders bepaalt – de uitkeringen verschuldigd op grond van de wetgeving van een of meer lidstaten of op grond van deze verordening, niet worden ingetrokken enkel en alleen op grond van het feit dat de rechthebbende in een andere lidstaat woont dan die waar zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is. Gelet op wat in artikel 64 van Vo 883/2004 is bepaald is de beperkte mogelijkheid om de WW-uitkering te exporteren door de uniewetgever voorzien. Daarmee is evenmin het recht op vrij verkeer van werknemers op ongeoorloofde wijze beperkt (zie arrest van het Hof van 18 juli 2006, C-406/04, De Cuyper).

7.5.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat, hoewel op grond van het arrest De Cuyper in de mogelijkheid tot controle een rechtvaardiging voor het woonplaatsvereiste kan worden gevonden, in haar geval effectieve controle hoe dan ook mogelijk is en dat het woonplaatsvereiste in haar geval niet zou mogen worden gesteld.

7.6.

De rechtbank wijst erop dat in punt 45 van het arrest De Cuyper het volgende is overwogen: “(…..) de doeltreffendheid van toezichtsregelingen, als die welke in casu zijn ingevoerd, die bedoeld zijn om controle uit te oefenen op de gezinssituatie van de betrokken werkloze en het eventuele bestaan van door de betrokkene niet aangegeven bronnen van inkomsten, [berust] in ruime mate hierop, dat de controle onverwacht is en ter plaatse kan worden verricht, daar de bevoegde diensten moeten kunnen nagaan of de door de werkloze verstrekte gegevens overeenstemmen met de werkelijkheid. In dit verband zij erop gewezen dat de specificiteit van het toezicht inzake werkloosheidsuitkeringen de invoering rechtvaardigt van beperkender regelingen dan bij de controle inzake andere uitkeringen.”

7.7.

Nu ervan kan worden uitgegaan dat verweerder niet bij machte is om onverwacht en ter plaatse (in [naam land] ) onderzoek te gaan verrichten, dient in die gegeven omstandigheid te worden vastgesteld dat het hanteren van het woonplaatsvereiste in dit geval voldoet aan het evenredigheidsvereiste. Daarmee is voor het hanteren van het woonplaatsvereiste een objectieve rechtvaardiging gegeven.

7.8.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van rechtsongelijkheid, nu zij haar aanvullende WW-uitkering alleen maar verliest omdat zij net over de grens in het buitenland is gaan wonen en zij gewoon beschikbaar is en blijft voor de Nederlandse arbeidsmarkt.

7.9.

De rechtbank begrijpt het door eiseres aangevoerde aldus dat zij er kennelijk van uitgaat dat een WW-uitkering binnen Europa zonder meer meegenomen moet kunnen worden. Die veronderstelling van eiseres is niet juist. Hiertoe is van belang het in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW verwoorde uitgangspunt van de werkloosheidswet dat geen export van een WW-uitkering kan plaatsvinden naar het buitenland. Ook op grond van Vo 883/2004 bestaat voor eiseres, zonder te voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden van de lidstaat, geen recht om haar WW-uitkering naar [naam land] te exporteren, in de zin dat zij deze blijft ontvangen ondanks haar verhuizing naar [naam land] . Zoals hiervoor onder 7.3 reeds is overwogen, verzet het Europese recht zich in algemene zin niet tegen het stellen van een woonplaatsvereiste als in de WW. De rechtbank stelt op grond van de feiten zoals die blijken uit het dossier en uit de verklaringen van eiseres vast dat zij niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan recht zou kunnen ontstaan op een WW-uitkering in het buitenland. Eiseres is – zoals ter zitting namens haar is verklaard – immers niet op zoek naar werk in [naam land] , maar is en blijft beschikbaar voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Bovendien is eiseres niet werkloos geworden toen zij woonde in een ander land dan Nederland. Zij woonde en werkte immers nog in Nederland toen zij gedeeltelijk werkloos werd. Gezien de in artikel 64, eerste lid, van Vo 883/2004 door de uniewetgever uitdrukkelijk opgenomen beperking voor het behoud van werkloosheidsuitkering bij het zich begeven naar een andere lidstaat, is er voldoende rechtvaardiging om voor het kunnen meenemen van een werkloosheidsuitkering het hier aan de orde zijnde onderscheid tussen een volledig werkloze en een gedeeltelijk werkloze gerechtvaardigd te achten. Van een door eiseres bedoelde ongerechtvaardigde rechtsongelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, ook niet omdat van gelijke gevallen geen sprake is. Het beroep van eiseres op rechtsongelijkheid slaagt niet.

7.10.

De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar beroepsgrond dat zij is te beschouwen als een grensarbeider als bedoeld in artikel 65 van Vo 883/2004. Hiertoe wordt overwogen dat eiseres al gedeeltelijk werkloos was en zij een aanvullende WW-uitkering had die zij wilde meenemen naar [naam land] . Artikel 65 van Vo 883/2004 dient zo te worden begrepen dat dit artikel enkel ziet op de situatie waarin iemand die in de periode voorafgaande aan de werkloosheid als grensarbeider is aan te merken. Die situatie doet zich in het geval van eiseres niet voor.

7.11.

Uit 6.1 tot en met 7.10 volgt dat verweerder terecht heeft besloten dat eiseres met ingang van 4 april 2016 geen recht meer heeft op een WW-uitkering omdat zij in de periode in geding in [naam land] woont. Gelet op al het voorgaande kan het bestreden besluit de toets in rechte doorstaan.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, mr. H. van der Werff en

mr. G.W.G. Wijnands, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.