Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2220

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
18/246045-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging tegen een buurvrouw.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer: 18/246045-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 16 februari 2016, te Assen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat oogmerk

die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een schep en/of vuist in

het gezicht heeft geslagen/ gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 16 februari 2016 te Assen

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [straatnaam], in elk geval

op of

aan een openbare weg,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer],

welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van die [slachtoffer] met

een schep en/of vuist.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) kan worden bewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] en dat zij, verdachte en medeverdachte, opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer]. De aanwezigheid van medeverdachte op het moment dat verdachte uithaalde met de schep, is naar het oordeel van de officier van justitie voor een bewuste en nauwe samenwerking niet vereist.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling). Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte met een schep in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen. Verdachte heeft slechts geprobeerd [slachtoffer] -niet krachtig- met de schep te slaan, maar zij heeft die [slachtoffer] daarbij niet in het gezicht geraakt. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het enkele slaan met een vuist in het gezicht in het onderhavige geval geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Voorts heeft zij betoogd dat er geen sprake was van een bewust en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. De raadsvrouw is van oordeel dat er een bewezenverklaring kan volgen voor het subsidiair ten laste gelegde (openlijke geweldpleging), behoudens het onderdeel slaan met een schep, nu die gedraging niet in vereniging is gepleegd.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer] met een schep in het gezicht heeft geslagen, aangezien verdachte die [slachtoffer] niet met de schep in het gezicht heeft geraakt. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] met de vuist in het gezicht van die [slachtoffer] hebben geslagen. In het onderhavige geval is de rechtbank echter niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat dit slaan met de vuist in het gezicht een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd. Dientengevolge acht de rechtbank het primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) niet wettig en overtuigend bewezen en zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde (openlijke geweldpleging) wel wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 februari 2016, opgenomen op pagina 145 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016067350 d.d. 8 maart 2016, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 16 februari 2016 te Assen openlijk, te weten aan de openbare weg, [straatnaam], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het stompen van die [slachtoffer] met een vuist.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

- Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uur, te vervangen voor 100 dagen hechtenis indien verdachte de werkstraf niet goed uitvoert.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair gepleit verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen. Zij heeft subsidiair verzocht een geldboete op te leggen, te betalen in termijnen, indien de rechtbank een onvoorwaardelijk straf aangewezen acht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft samen met haar vriend aan de openbare weg fysiek geweld gebruikt tegen een buurvrouw. Daardoor heeft verdachte niet alleen aan die buurvrouw pijn toegebracht, maar ook de openbare veiligheid geschaad, hetgeen leidt tot gevoelens van onrust in de samenleving.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich bewust is van haar aandeel in het geheel en dat zij maatregelen heeft genomen om nieuwe confrontaties te voorkomen.

De rechtbank acht, alles overziend, de oplegging van een werkstraf voor de duur van 100 uren, geheel voorwaardelijk, passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2,85 ter vergoeding van materiële schade en € 500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd. Naar zijn oordeel volgt de schade rechtstreeks uit het ten laste gelegde feit en is de hoogte van de vordering redelijk. Daarnaast is hij van oordeel dat het leerstuk van de eigen schuld, benadeelde niet kan worden tegengeworpen, nu het gaat om een poging tot zwaar lichamelijk letsel door uit te halen met een schep. Tevens vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat een gedeelte van de schade geen rechtstreeks schade is en daarom afgewezen dient te worden. Daarnaast heeft zij betoogd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat onduidelijk is wat de mate van eigen schuld van de benadeelde partij is en een onderzoek daarnaar te belastend zou zijn voor de strafprocedure.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, heeft verdachte voldoende aannemelijk gemaakt dat er mogelijk sprake is van eigen schuld bij verdachte. De rechtbank beschikt echter over onvoldoende informatie om de mate van deze eventuele eigen schuld van de benadeelde partij vast te kunnen stellen. Schorsing van het onderzoek om dit vast te kunnen stellen zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, ten zij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Ten aanzien van 18/246045-16:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. E. Läkamp en

mr. E.C.M. Wolfert, rechters, bijgestaan door mr. M.T. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juni 2017.

Mr. M.A.A. van Capelle en mr. E.C.M. Wolfert zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.