Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2219

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
18/246044-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging tegen een buurvrouw en het voorhanden hebben van een geladen pistool, munitie en een stroomstootwapen. De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 141
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer: 18/246044-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 16 februari 2016, te Assen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat oogmerk

die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een schep en/of vuist in

het gezicht heeft geslagen/ gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 februari 2016 te Assen

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [straatnaam] , in elk geval

op of

aan een openbare weg,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van die [slachtoffer] met

een schep en/of vuist;

2

hij op of omstreeks 16 februari 2016 te Assen een wapen van categorie II

onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot

personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven,

geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3

hij op of omstreeks 16 februari 2016 te Assen een wapen van categorie III, te

weten een semi-automatisch pistool (Walter PP), en/of munitie van

categorie III, te weten 8 Centraalvuur kogelpatronen (Geco), voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven,

geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4

hij op of omstreeks 16 februari 2016 te Assen voorhanden heeft gehad 120

randvuur kogelpatronen (CCI), in elk geval munitie in de zin van de Wet

Wapens en Munitie van categorie III.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft zich ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) op het standpunt gesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte en dat zij, verdachte en medeverdachte, opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . De aanwezigheid van verdachte op het moment dat medeverdachte [naam medeverdachte] uithaalde met de schep, is naar het oordeel van de officier van justitie voor een bewuste en nauwe samenwerking niet vereist. Het onder 2 ten laste gelegde (voorhanden hebben van een stroomstootwapen) acht hij tevens bewezen, nu sprake is van zeggenschap over, wetenschap van en bezit van het stroomstootwapen. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij het onder 3 (voorhanden hebben van een semi-automatisch pistool en/of munitie van categorie III) en het onder 4 (voorhanden hebben van munitie van categorie III) ten laste gelegde bewezen acht, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling). Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat medeverdachte [naam medeverdachte] met een schep in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen. [naam medeverdachte] heeft slechts geprobeerd [slachtoffer] -niet krachtig- met de schep te slaan, maar zij heeft die [slachtoffer] daarbij niet in het gezicht geraakt. Daarop aansluitend heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in het onderhavige geval het enkele slaan met een vuist in het gezicht geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd. Voorts heeft zij betoogd dat er geen sprake was van een bewust en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, aangezien verdachte niet betrokken was bij het slaan met de schep. De raadsvrouw is van oordeel dat er een bewezenverklaring kan volgen voor het subsidiair ten laste gelegde (openlijke geweldpleging), behoudens het onderdeel slaan met een schep, nu die gedraging niet in vereniging is gepleegd. Daarnaast acht zij bewezen het onder 3 (voorhanden hebben van een semi-automatisch pistool en/of munitie van categorie III) en het onder 4 (voorhanden hebben van munitie van categorie III) ten laste gelegde. Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde (voorhanden hebben van een stroomstootwapen) bestanddeel ‘voorhanden hebben’ refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachte [naam medeverdachte] aangeefster [slachtoffer] met een schep in het gezicht heeft geslagen, nu niet is gebleken dat de schep daadwerkelijk het gezicht van die [slachtoffer] heeft geraakt. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] met de vuist in het gezicht van die [slachtoffer] hebben geslagen. In het onderhavige geval is de rechtbank echter niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat dit slaan met de vuist in het gezicht een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd. Dientengevolge acht de rechtbank het primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) niet wettig en overtuigend bewezen en zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken. Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van een poging tot zware mishandeling, behoeft de vraag of er sprake was van medeplegen van een poging tot zware mishandeling geen verdere behandeling.

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (openlijke geweldpleging) wel wettig en overtuigend bewezen. Tevens acht de rechtbank het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde (te kwalificeren zoals hierna vermeld) wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 juni 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Dat geladen pistool was van mij. Die 120 patronen bewaarde ik voor iemand anders. Ik wist dat mijn vriendin, [naam medeverdachte] , het stroomstootwapen had. Ik denk dat als het nodig was, ik het stroomstootwapen ook wel had gebruikt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 februari 2016 opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Op 16 februari 2017 te Assen heeft mijn vriendin, [naam medeverdachte] , [slachtoffer] tikken gegeven. Ik heb haar, [slachtoffer] , ook een paar tikken gegeven.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 februari 2016, opgenomen op pagina 145 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016067350 d.d. 8 maart 2016, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer] :

Op 16 februari 2017 stond ik buiten met [naam medeverdachte] aan de [straatnaam] te Assen. [naam medeverdachte] sloeg mij. Vervolgens zag ik dat [verdachte] eraan kwam rennen. [naam medeverdachte] pakte mij vast en de [verdachte] begon mij heel hard te slaan op mijn oog en op mijn neus. Ik weet dat hij dit met zijn vuist deed. Hij heeft mij op verschillende plaatsen geslagen. Ik zag daarna dat [verdachte] een vuurwapen vasthield.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 februari 2016 opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van S. [naam medeverdachte] :

Op 16 februari 2016 in Assen heb ik [slachtoffer] geslagen in haar gezicht. Ik heb haar geslagen met mijn vuist. Daarna heeft mijn vriend [verdachte] haar twee keer geslagen. Op het moment dat [verdachte] , [slachtoffer] aan het slaan was stond ik er een beetje tussen. Ik heb daarna [slachtoffer] nog op het gezicht geslagen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering d.d. 16 februari 2016 opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [naam] :

Op 16 februari 2016 hebben wij een zoeking gedaan in een woning aan de [straatnaam] in Assen. Tijdens deze zoeking troffen wij in de woning een stroomstootwapen aan.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering d.d. 16 februari 2016 opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [naam] :

Goednummer: PL0100-2016046547-681471. Op 16 februari 2016 te Assen is een pistool aangetroffen en in beslag genomen. Walther PP.

Goednummer: PL0100-2016046547-681476. Op 16 februari 2016 te Assen zijn 8 stuks patronen, merk Geco, aangetroffen en in beslag genomen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van onderzoek wapen met nummer PL0100-2016046547-71 d.d. 3 mei 2016, inhoudende als relatering van [naam]:

Het vuurwapen betreft een semi-automatisch pistool, Walther PP. Het vuurwapen is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het vuurwapen berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing. Bij het wapen was een patroonmagazijn aanwezig. Derhalve is dit voorwerp een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet Wapens en Munitie. De munitie betreft 8 centraalvuur kogelpatronen, merk Geco. De kogelpatronen zijn geschikt om een projectiel door middel van een vuurwapen af te schieten. De patronen zijn geschikt om met het omschreven pistool te worden afgevuurd. Derhalve zijn bovenstaande kogelpatronen munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek munitie d.d. 22 maart 2016 van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016046547-68, inhoudende als relatering van [naam]:

Door personeel van de politie Eenheid Noord-Nederland werden op munitie gelijkende voorwerpen inbeslaggenomen. Als verdachte voor het illegaal voorhanden hebben van deze

voorwerpen wordt aangemerkt: [verdachte] .

Soort munitie: randvuur kogelpatronen. Merk: CCI. Aantal: 120. Deze patronen zijn de patronen munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie. De vrijstellingsbepalingen van de Wet wapens en munitie zijn op de voormelde munitie niet van toepassing.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 16 februari 2016 te Assen openlijk, te weten aan de openbare weg, [straatnaam] ,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het stompen van die [slachtoffer] met een vuist;

2

hij op 16 februari 2016 te Assen een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

3

hij op 16 februari 2016 te Assen een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool (Walter PP), en munitie van categorie III, te weten 8 Centraalvuur kogelpatronen (Geco), voorhanden heeft gehad;

4

hij op 16 februari 2016 te Assen voorhanden heeft gehad 120 randvuur kogelpatronen (CCI), munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

4. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte vanuit huis zag dat aangeefster [slachtoffer] en zijn vriendin, medeverdachte [naam medeverdachte] , aan het vechten waren en dat hij [slachtoffer] heeft geslagen om zijn zwangere vriendin te ontzetten. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte meent dat hij op dat moment, met de kennis die hij toen had, mocht ingrijpen op de manier waarop hij dat gedaan heeft. Zij heeft derhalve verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte geen beroep op putatief noodweer toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet had mogen aanvallen, maar had moeten verdedigen. Nu hij niet zijn partner heeft weggetrokken, komt hem een dergelijk beroep niet toe.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt aangaande het beroep op putatief noodweer als volgt. De stelling van de verdediging dat er sprake is van putatief noodweer wordt niet gedragen door de feiten zoals verdachte die zelf presenteert. Verdachte heeft verklaard dat hij verhaal wilde halen (pagina 93 van het procesdossier) en dat zijn vriendin en aangeefster [slachtoffer] over en sloegen en dat hij tussen beiden kwam (pagina 97 van het procesdossier). De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op putatief noodweer en acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie in het bijzonder het onder 3 ten laste gelegde wapenbezit zwaar meegewogen. Het betreffen zeer gevaarlijke wapens die verdachte onder bedenkelijke omstandigheden in zijn bezit heeft gehad.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit geen gevangenisstraf op te leggen, maar in plaats daarvan een (forse) werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft samen met zijn vriendin aan de openbare weg fysiek geweld gebruikt tegen een buurvrouw. Voorts heeft verdachte kort nadien uit zijn woning een geladen pistool gepakt en heeft hij zich op zeer bedenkelijke wijze ontdaan van dit wapen door het in de bosjes te gooien, alwaar het gebruiksklare wapen voor een ieder voor het grijpen lag. Dergelijk handelen brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich geen rekenschap van deze risico’s heeft gegeven. Daar komt bij dat verdachte in zijn woning een stroomstootwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Door zijn handelen heeft verdachte de openbare veiligheid ernstig geschaad, hetgeen leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Zowel gelet op de ernst van het bewezen verklaarde als vanuit het oogpunt van vergelding en generale preventie is naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf de enige passende sanctie. De rechtbank acht, alles overziend, de oplegging van een gevangenisstraf van 5 maanden, geheel onvoorwaardelijk, passend en geboden. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal op deze straf in mindering worden gebracht.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2,85 ter vergoeding van materiële schade en € 500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd. Naar zijn oordeel volgt de schade rechtstreeks uit het ten laste gelegde feit en is de hoogte van de vordering redelijk. Daarnaast is hij van oordeel dat het leerstuk van de eigen schuld, benadeelde niet kan worden tegengeworpen, nu het gaat om een poging tot zwaar lichamelijk letsel door uit te halen met een schep. Tevens vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat een gedeelte van de schade geen rechtstreeks schade is en daarom afgewezen dient te worden. Daarnaast heeft zij betoogd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat onduidelijk is wat de mate van eigen schuld van de benadeelde partij is en een onderzoek daarnaar te belastend zou zijn voor de strafprocedure.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, heeft verdachte voldoende aannemelijk gemaakt dat er mogelijk sprake is van eigen schuld bij verdachte. De rechtbank beschikt echter over onvoldoende informatie om de mate van deze eventuele eigen schuld van de benadeelde partij vast te kunnen stellen. Schorsing van het onderzoek om dit vast te kunnen stellen zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/246044-16, feit 1 subsidiair:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. E. Läkamp en

mr. E.C.M. Wolfert, rechters, bijgestaan door mr. M.T. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juni 2017.

Mr. M.A.A. van Capelle en mr. E.C.M. Wolfert zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.