Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2179

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
18/098098-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van heling en aan twee diefstallen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/098098-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Pieters, advocaat te Sneek.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de pleegperiode van 1 oktober 2014 tot 9 februari 2015, in de gemeente Smallingerland en/of (elders) in het arrondissement Noord-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) op na te melden tijdstippen, (telkens) na te melden goederen verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen (telkens) wist(en) dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:

  1. in of omstreeks periode 1 oktober 2014 tot en met 9 februari 2015, een of meer kettingzagen (merk Dolmar), aangifte 2015095773,

  2. op of omstreeks 9 februari 2015, een bladblazer (merk Stihl, aangifte 2015127683,

  3. in of omstreeks periode 7 tot en met 9 februari 2015, een motorzaag (merk Husqvarna, aangifte 2015041508,

  4. op of omstreeks 9 februari 2015, een motorzaag (merk Stihl), aangifte 2015043578,

  5. op of omstreeks periode 9 februari 2015, een motorzaag (merk Stihl), aangifte 2015041252,

  6. in of omstreeks periode 5 tot en met 9 februari 2015, een (heren)fiets (merk/type Batavus Montemilar), aangifte 2015037371, en/of

  7. op of omstreeks periode 9 februari 2015, een (heren)fiets (merk/type Gazelle Fuore), aangifte 2015041594;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot 9 februari 2015, in de gemeente Smallingerland en/of (elders) in het arrondissement Noord-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal(telkens) een goed, te weten

  1. in of omstreeks periode 1 oktober 2014 tot en met 9 februari 2015, een of meer kettingzagen (merk Dolmar), aangifte 2015095773,

  2. op of omstreeks 9 februari 2015, een bladblazer (merk Stihl, aangifte 2015127683,

  3. in of omstreeks periode 7 tot en met 9 februari 2015, een motorzaag (merk Husqvarna, aangifte 2015041508,

  4. op of omstreeks 9 februari 2015, een motorzaag (merk Stihl), aangifte 2015043578,

  5. op of omstreeks periode 9 februari 2015, een motorzaag (merk Stihl), aangifte 2015041252,

  6. in of omstreeks periode 5 tot en met 9 februari 2015, een (heren)fiets (merk/type Batavus Montemilar), aangifte 2015037371, en/of

  7. op of omstreeks periode 9 februari 2015, een (heren)fiets (merk/type Gazelle Fuore), aangifte 2015041594,

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2. hij op of omstreeks 22 januari 2015 in Burgum, gemeente Tytsjerksteradiel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (nabij bushalte Huisterheide aan Zomergweg) heeft weggenomen een (zwarte heren)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; (aangifte 2015022286);

3. hij op of omstreeks 5 februari 2015 in Annen, gemeente Aa en Hunze met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit fietsenstalling carpoolplaats aan Anloërweg) heeft weggenomen een (dames)fiets (merk/type Batavus Diva), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat hij verdachte houdt aan zijn verklaring afgelegd bij de politie, inhoudende dat hij wist dat het om gestolen goederen ging.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij niet wist dat het om gestolen goederen ging. In het geval de rechtbank verdachte houdt aan zijn verklaring afgelegd bij de politie, heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde omdat er geen sprake is van gewoonteheling. Met betrekking tot de feiten 2 en 3 komt de raadsman tot een bewezenverklaring nu verdachte deze feiten heeft bekend.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is van oordeel, dat in de frequentie van de gevallen van heling en de periode die de rechtbank bewezen acht, ligt besloten dat verdachte geen gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 4 april 2015, opgenomen op pagina 34 van het dossier met nummer 2015063458 d.d. 15 maart 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

In de periode van 1 oktober 2014 tot en met 5 oktober 2014 zijn uit onze schuur aan de [straatnaam] te Boerakker, Marum kettingzagen, te weten een Sachs Dolmar 120 en een Sachs Dolmar 115i, en een bouwlamp ontvreemd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 5 april 2015, opgenomen op pagina 86 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4]:

Op 9 februari 2015 is uit mijn schuur aan de [straatnaam] te Spanga een bladblazer merk Stihl weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 februari 2015, opgenomen op pagina 148 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5]:

Op zaterdag 7 februari hebben we na het zagen onze oranje kettingzaag, merk Husqvarna type 135, in de schuur achter onze woning aan de [straatnaam] te Siegerswoude gelegd. Op dinsdag 10 februari 2015, omstreeks 19.00 uur, was ik in de schuur. Ik zag toen dat de kettingzaag niet meer op de plaats lag waar we hem hadden achtergelaten.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 februari 2015, opgenomen op pagina 223 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 6]:

Ik woon op de [straatnaam] te Luttelgeest. Op maandag 9 februari 2015 omstreeks 07:30 uur ben ik vertrokken vanuit mijn woning. Ik heb alles onbeschadigd en goed afgesloten. Op maandag 9 februari 2015 omstreeks 16:30 uur, kwam ik thuis. Ik reed mijn auto gelijk het erf op. Ik zag toen gelijk dat mijn twee houten deuren van de schuur open stonden. Dit vond ik vreemd want ik had deze op slot gedaan. Ik zag toen dat mijn kettingzaag van het merk Husqvarna oranje van kleur weg was genomen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 10 februari 2015, opgenomen op pagina 294 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 7]:

Op 9 februari 2015 is uit mijn schuur aan de [straatnaam] te Wijnjewoude een zaagmachine van het merk Stihl weggenomen.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 6 februari 2015, opgenomen op pagina 363 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 8]:

Op 5 februari 2015 is mijn fiets gestolen bij de bushalte in Midwolde. Het betreft een Batavus Montemilar fiets.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 23 februari 2015, opgenomen op pagina 388 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 9]:

In de periode van 9 februari 2015 tot en met 10 februari 2015 is mijn Gazelle Furore fiets gestolen, terwijl hij geparkeerd stond in de fietsenstalling bij de bushalte.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 16 juni 2015, opgenomen op pagina 46 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 9 februari 2015 werd verdachte [medeverdachte] samen met [verdachte] aangehouden. In de bus die bestuurd werd door [verdachte] werden vijf kettingzagen aangetroffen. Uit onderzoek naar de in beslag genomen kettingzagen bleek het volgende:

  • -

    kettingzaag merk Dolmar, type 115i was afkomstig van een diefstal gepleegd te Boerakker, [straatnaam]

  • -

    kettingzaag merk Husqvarna, type E135 was afkomstig van een diefstal gepleegd te Siegerswoude, [straatnaam]

  • -

    kettingzaag merk Stihl, type Ms170 was afkomstig van een diefstal gepleegd te Wijnjewoude, [straatnaam].

  • -

    kettingzaag merk Husqvarna, type 351 was afkomstig van een diefstal gepleegd te Luttelgeest, [straatnaam]

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d.17 februari 2015, opgenomen op pagina 89 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 10 februari 2015 waren wij, verbalisanten, in een loods gelegen aan het Helmhout. Dit betreft een gehuurde loods van verdachte [verdachte]. Wij hadden toestemming van [verdachte] om in deze loods te zoeken. In de loods troffen wij aan: 1 heren fiets merk Gazelle Fuore met framenummer 5010260 en een bladblazer merk Stihl.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 22 februari 2015, opgenomen op pagina 369 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Naar aanleiding van het onderzoek in de inbeslaggenomen GSM van verdachte [verdachte], zag ik in de verwijderde foto’s een fiets merk Batavus Montelimar zonder slot stond afgebeeld. Deze foto werd door mij aan verdachte [verdachte] getoond. Hij verklaarde dat hij deze fiets op 05/02/2015, in Groningen gekocht had van een junk genaamd [naam].

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 februari 2015, opgenomen op pagina 398 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte]:

De herenfiets merk Gazelle Furore die in mijn loods is aangetroffen heb ik gekocht van een kamper in Leeuwarden. Toen ik de fiets kocht was het slot al kapot. Ik heb deze fiets niet gestolen. Ik wist wel dat het een fiets was die mogelijk niet eerlijk was.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 29 juli 2015, opgenomen op pagina 135 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte]:

Ik weet nog dat ik op 9 februari 2015 werd gebeld door [medeverdachte]. Hij vroeg me of ik nog tijd had om wat geld te verdienen. Aangezien het in de winterperiode was en ik daardoor minder werk en geld had, heb ik hierin toegestemd. Ik ben toen naar mijn loods gereden aan het [straatnaam] te Drachten. Ik zag dat er in mijn loods een aantal kettingzagen lagen en een bladblazer. Ik wist dat deze goederen van diefstal afkomstig waren. [medeverdachte] vroeg aan mij of ik ook zin had om de kettingzagen te verkopen en om zo een extra zakcentje te kunnen verdienen. Ik heb hierin toegestemd. De gestolen kettingzagen hebben we in mijn bus geladen en zijn gaan rijden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 22 januari 2015, opgenomen op pagina 407 e.v. van het dossier met nummer 2015063458 d.d. 15 maart 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 5 februari 2015, opgenomen op pagina 434 e.v. van het dossier met nummer 2015063458 d.d. 15 maart 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 5 februari 2015 tot en met 9 februari 2015, in het arrondissement Noord-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen een goed, te weten

  • -

    kettingzagen (merk Dolmar),

  • -

    een bladblazer (merk Stihl),

  • -

    een motorzaag (merk Husqvarna),

  • -

    een motorzaag,

  • -

    een motorzaag (merk Stihl),

  • -

    een (heren)fiets (merk/type Batavus Montemilar) en

  • -

    een (heren)fiets (merk/type Gazelle Fuore)

heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wisten, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2. hij op 22 januari 2015 in Burgum, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (nabij bushalte Huisterheide aan Zomerweg) heeft weggenomen een zwarte herenfiets, toebehorende aan [slachtoffer 1];

3. hij op 5 februari 2015 in Annen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een fietsenstalling bij de carpoolplaats aan Anloërweg) heeft weggenomen een damesfiets merk Batavus Diva, toebehorende aan [slachtoffer 2].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair. medeplegen van opzetheling;

2. diefstal;

3. diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen. In het geval dat de rechtbank tot oplegging van een voorwaardelijk strafdeel zou overgaan, heeft de verdediging gepleit om aan verdachte geen voorwaardelijke gevangenisstraf maar een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander verschillende goederen in bezit gehad, waarvan hij wist dat deze van een misdrijf afkomstig waren. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Heling draagt bij aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit, nu door heling een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen wordt gecreëerd. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan fietsendiefstallen. Hij heeft er daarmee blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen. Dergelijke feiten veroorzaken hinder, schade en ergernis voor de betrokkenen.

De rechtbank heeft voorts bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 15 december 2016. Uit het rapport blijkt dat het delictgedrag van verdachte voorkomt uit financiële redenen en zijn toenmalige sociale netwerk. Verdachte heeft thans een steunend positief netwerk om zich heen en heeft zich de laatste twee jaren gehouden aan wet- en regelgeving. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf.

Gelet op het bovenstaande, rekening houdende met het tijdsverloop, ziet de rechtbank reden om te volstaan met een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren niet zal worden ten uitvoer gelegd, ten zij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. J.J. Schoemaker, rechters, bijgestaan door mr. T. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2017.

Mr. B.I. Klaassens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.