Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2161

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
18/730193-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld op grond van artikel 6 WVW 1994 tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een rijontzegging van 3 jaar wegens het veroorzaken van een verkeersongeval op 8 november 2015 op de N381 nabij Donkerbroek. Het beroep op verontschuldigbare onmacht vanwege een black-out is door de rechtbank verworpen, aangezien dit op basis van de medische stukken niet aannemelijk is geworden. Verdachte was fysiek niet fit, was emotioneel en tot kort voor het ongeval constant aan het WhatsAppen, terwijl hij sneller reed dan ter plaatse toegestaan. Uit deze omstandigheden volgt dat verdachte gedurende langere tijd onvoldoende aandacht heeft gehad bij de weg en/of het verkeer, waardoor hij niet heeft opgemerkt dat hij op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer is gekomen en hij aldus het ongeval heeft veroorzaakt. De rechtbank kwalificeert dit verkeersgedrag als zeer onvoorzichtig.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2017/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/730193-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] [woonplaats]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d. 27 januari 2017, ten laste gelegd dat:

A. hij op 8 november 2015 te [pleegplaats] , gemeente Ooststellingwerk, [slachtoffer 1] , bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Chevrolet) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door (met dat opzet) als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Nissan) met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid af te wijken van de voor hem bestemde rijstrook en/of te gaan rijden op de rijstrook bestemd voor het verkeer uit tegengestelde richting en/of op laatstgenoemde rijstrook (frontaal) te botsen tegen het door voornoemde [slachtoffer 1] bestuurde motorrijtuig;

en

B. hij op 8 november 2015 te [pleegplaats] , gemeente Ooststellingwerf, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] , inzittende van een motorrijtuig (personenauto, merk Chevrolet) opzettelijk van het leven te beroven, (met dat opzet) als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Nissan) met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid is afgeweken van de voor hem bestemde rijstrook en/of is gaan rijden op de rijstrook bestemd voor het verkeer vanuit tegengestelde richting en/of op laatstgenoemde rijstrook (frontaal) tegen het voornoemde motorrijtuig (personenauto, merk Chevrolet) is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 8 november 2015 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Ooststellingwerf, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk: Nissan, daarmede rijdende over de weg de N381, op het weggedeelte tussen [pleegplaats] en Oosterwolde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, genoemd motorrijtuig te besturen, immers terwijl hij

- verdachte ziek was als gevolg van een ontsteking/abces in zijn keel, en/of medicijnen (tegen de ontsteking/ziekte) had ingenomen en/of

- verkeerde in een emotionele toestand tengevolge van relationele problemen tussen hem, verdachte en [naam] en/of

- verdachte tijdens het besturen van genoemde motorrijtuig tot (zeer) kort voor na te noemen aanrijding/botsing deelnam aan het berichtenverkeer tussen hem, verdachte, en genoemde [naam],

waarbij verdachte met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid, is afgeweken van de voor hem, verdachte bestemde rijstrook, en/of is gaan rijden op de rijstrook bestemd voor het verkeer uit tegengestelde richting, terwijl een personenauto, merk: Chevrolet, bestuurd door [slachtoffer 1] hem, verdachte dicht was genaderd, waardoor een aanrijding/botsing is ontstaan tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en het door voornoemde [slachtoffer 1] bestuurde motorrijtuig, tengevolge van welke aanrijding/botsing die [slachtoffer 1] is gedood/overleden en aan [slachtoffer 2] , inzittende van de door [slachtoffer 1] bestuurde auto zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen en/of gebroken onderarm en/of gebroken pink en/of gebroken ribben en/of gebroken rugwervel en/of gebroken nek(wervel) en/of een gekneusde milt en/of gekneusde longen is toegebracht;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 8 november 2015, te [pleegplaats] , gemeente Ooststellingwerf, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Nissan), daarmee rijdende op de weg N381, op het weggedeelte tussen [pleegplaats] en Oosterwolde, met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig is afgeweken van de voor hem, verdachte bestemde rijstrook en/of is gaan rijden op de rijstrook bestemd voor het voor hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, waardoor een aanrijding is ontstaan met een voertuig (personenauto, merk: Chevrolet), bestuurd door [slachtoffer 1] , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Primair.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het ten laste gelegde (voorwaardelijke) opzet.

Subsidiair.

De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de verschillende processen-verbaal van bevindingen, de verklaringen van [naam] en [naam] , het verslag betreffende een niet natuurlijke dood, de verkeersongevalsanalyse, de deskundigenverklaring van de longarts E.M. Eland en de verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van schuld in de zin van zeer onvoorzichtig rijgedrag, ofwel een grove verkeersfout.

Het standpunt van de verdediging

Primair.

De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit, aangezien onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring voor het ten laste gelegde (voorwaardelijke) opzet.

Subsidiair.

De raadsman heeft eveneens vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde bepleit, aangezien wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De vereiste aanmerkelijke schuld kan niet worden onderbouwd door omstandigheden als de ziekte van verdachte, zijn emotionele toestand, het tot kort voor het ongeval gebruiken van de mobiele telefoon en/of het met hoge snelheid rijden. Het gebruik van de mobiele telefoon tot kort voor het ongeval en het rijden met te hoge snelheid is immers niet vastgesteld. De enkele ziekte van verdachte en zijn emotionele toestand zijn onvoldoende om te komen tot de vereiste aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij komt dat er sprake is van verontschuldigbare onmacht. Kort voor het ongeval heeft verdachte namelijk een black-out gehad.

Meer subsidiair.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent de eventuele bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft evenwel een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld, vanwege de black-out, waardoor ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

Het oordeel van de rechtbank 1

Primair.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring van het primair onder A en primair onder B ten laste gelegde, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Subsidiair.

Bewijsmiddelen.

Op 8 november 2015 reed verdachte als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto merk Nissan, over de N381 uit de richting van Drachten gaande in de richting van Beilen. Op dezelfde weg in tegenovergestelde rijrichting rijdt [slachtoffer 1] als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto merk Chevrolet, met als bijrijder [slachtoffer 2] . De weg betreft een voor het openbaar verkeer openstaande weg waar een maximum snelheid van 80 km per uur geldt. Het is licht en droog en ook het wegdek is droog.2

Diezelfde dag omstreeks 9.44 uur krijgen verbalisanten de melding dat er een ongeval heeft plaatsgevonden op de Vaart Westzijde – N381 in [pleegplaats] (gemeente Ooststellingwerf) ter hoogte van hectometerpaal 41.2.3

Uit onderzoek blijkt dat het ongeval te wijten is aan de bestuurder van de Nissan, te weten verdachte. Verdachte reed in de Nissan komende uit de richting [pleegplaats] en gaande in de richting Oosterwolde. De Nissan kwam gezien zijn rijrichting in een bocht naar rechts op de linker weghelft terecht. Kort voor hectometerpaal 41.1 botste de Nissan op die linker weghelft frontaal tegen de Chevrolet. Gezien de botsplaats ten opzichte van het rijbaanverloop lijkt de Nissan in ieder geval het eerste deel van de bocht naar rechts “normaal” te hebben ingestuurd. Mede gelet op de botsconfiguratie is het goed mogelijk dat de bestuurder van de Chevrolet de ongevalsdreiging zag aankomen en een ontwijkende stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt.4

De bestuurder van de Chevrolet, [slachtoffer 1] , heeft door het ongeval een schedelbasisfractuur opgelopen, ten gevolge waarvan hij (ter plaatse) is overleden.5 Bij de bijrijder [slachtoffer 2] is na de botsing het volgende letsel geconstateerd: meerdere ribfracturen (7), op 3 niveau’s wervels gebroken, sleutelbeenfractuur, schedelbreuk, long- en miltkneuzing, onderarmbreuk en een handbeenbreuk.6 Uit herstel moet blijken of er blijvend letsel is. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] leidt de rechtbank af dat de geconstateerde handbeenbreuk een gebroken pink betreft en dat de wervelbreuken een gebroken nekwervel en een gebroken nek betreffen.7

Uit gegevens van de meldkamer blijkt dat de eerste melding van voornoemd ongeval is gedaan op 8 november 2015 om 9.42.54 uur door getuige [naam] .8 Uit de verklaringen van [naam]9 en [naam]10 blijkt dat zij na het ongeval ter plaatste kwamen en het ongeval niet daadwerkelijk hebben waargenomen. [naam] bracht de door hem bestuurde auto tot stilstand en belde vervolgens 112.

Uit de WhatsApp berichten tussen verdachte en [naam] blijkt dat zij op 8 november 2015 vanaf 8.50 uur tot 9.39 uur vrijwel onafgebroken over en weer berichten naar elkaar versturen waaruit blijkt van relationele problemen tussen hen.11 Voorts blijkt dat de door [naam] aan verdachte gestuurde berichten vanaf 9.40 uur pas om 9.57 uur door verdachte zijn gelezen, te weten na het ongeval.12

Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 november 2015 medicatie, te weten antibiotica, paracetamol en diclofenac, heeft ingenomen in verband met een keelabces.13 Verdachte ging omstreeks 8.55 uur autorijden. Hij was emotioneel en verdrietig en had het idee dat zijn relatie met [naam] over was. Tijdens het rijden verstuurde hij WhatsApp berichten. Tussen 9.29 uur en 9.31 uur stopte verdachte om al zijn emoties eruit te gooien. Verdachte vervolgde zijn weg, maar was nog emotioneel. Hij stuurde berichten naar [naam] en legde zijn mobiele telefoon weg na het door hem gestuurde bericht om 9.39 uur. Daarna hoorde hij nog twee keer een geluid van een inkomend bericht. Vlak voor de aanrijding zag verdachte de auto van de tegenligger.14

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij meestal iets te hard rijdt en dacht dat hij tussen de 80 en 100 km per uur reed.15

Bewijsoverwegingen.

Om tot een veroordeling op grond van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

Of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

Verdachte reed met zijn auto, met een vermoedelijke snelheid van tussen de 80 en 100 km per uur op de N381 tussen [pleegplaats] en Oosterwolde, sneller dan aldaar is toegestaan. Verdachte verkeerde in een emotionele toestand als gevolg van relationele problemen en was ziek als gevolg van een ontsteking/abces in zijn keel en had daarvoor medicijnen ingenomen. Tevens was verdachte constant, in voornoemde zieke en emotionele toestand, WhatsApp berichten aan het sturen aan [naam] en had daardoor langere tijd onvoldoende aandacht bij de weg en/of het verkeer.

Verdachte is ten gevolge van het geheel van deze gedragingen, in onderlinge samenhang bezien, met zijn auto afgeweken van de voor hem bestemde rijstrook en is gaan rijden op de rijstrook bestemd voor het verkeer uit tegengestelde richting, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde Nissan en de door [slachtoffer 1] bestuurde Chevrolet. Ten gevolge van deze aanrijding is [slachtoffer 1] overleden en is bij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel ontstaan.

Namens verdachte is een beroep gedaan op verontschuldigbare onmacht nu er tijdens het ongeval bij verdachte sprake was van een black-out, waardoor sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Uit de medische stukken blijkt dat verdachte lijdt aan chronische hyperventilatie wat veel klachten kan geven, zoals onder andere duizeligheid en licht in het hoofd zijn. Bewustzijnsdaling en/of -verlies is volgens de door de rechter-commissaris benoemde deskundige M.E. Eland, longarts, geen mogelijk gevolg van chronische hyperventilatie. Voornoemde deskundige stelt dat de black-out volgens verdachte zeer kortdurend is geweest en zonder prodromen gepaard is gegaan, hetgeen niet medisch te verklaren is. Het verkeren in een herstelfase van een ziekte, de mogelijke extra duizeligheid door de medicatie, de verminderde voedingstoestand en de stress van dat moment maken dat verdachte in verminderde lichamelijke en waarschijnlijk ook geestelijke conditie verkeerde, hetgeen door de verdachte ook ter terechtzitting is aangevoerd.

Volgens de deskundige kan een black-out of bewustzijnsverlies echter niet zomaar optreden en duurt deze ook langer dan slechts enkele seconden, zoals verdachte heeft verklaard. Daarbij gaat het op zijn minst gepaard met verschijnselen vooraf. Over dergelijke verschijnselen heeft verdachte evenwel niet verklaard.

Uit voorgaande leidt de rechtbank af dat er geen medische gronden zijn die een verontschuldigbare onmacht in de vorm van een black-out aannemelijk maken. Evenmin bevinden zich in het dossier andere medische verklaringen of aanwijzingen waaruit de aannemelijkheid van de door de verdediging geopperde black-out zou kunnen blijken. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de gestelde verontschuldigbare onmacht onvoldoende is gebleken, dan wel aannemelijk is geworden.

De rechtbank zal geen acht slaan op de overwegingen van de psychiater omtrent de medische fysieke gesteldheid van verdachte zoals hij die zelf heeft gesteld, aangezien de door de rechter-commissaris benoemde deskundige, de longarts M.E. Eland, specifiek is aangewezen als deskundige op het gebied van de door verdachte gestelde fysieke medische situatie. Voorts ziet deze overweging van de psychiater op hyperventilatie in het algemeen, waaronder ook acute hyperventilatie is begrepen, terwijl de deskundige longarts nadrukkelijk rapporteert ten aanzien van chronische hyperventilatie en acute hyperventilatie.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in dit geval om meer dan een enkel moment van onoplettendheid in het verkeer. Verdachte was fysiek niet fit, was emotioneel en tot kort voor het ongeval constant aan het WhatsAppen, terwijl hij sneller reed dan ter plaatse was toegestaan. Uit deze omstandigheden volgt dat verdachte gedurende langere tijd onvoldoende aandacht heeft gehad bij de weg en/of het verkeer, waardoor hij niet heeft opgemerkt dat hij op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer is gekomen en hij aldus het ongeval heeft veroorzaakt.

Dit verkeersgedrag van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank van zodanige ernst dat dit niet anders te kwalificeren is dan zeer onvoorzichtig. Verdachte wordt derhalve op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen schuldig bevonden aan het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 november 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Ooststellingwerf, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk: Nissan, daarmede rijdende over de weg de N381, op het weggedeelte tussen [pleegplaats] en Oosterwolde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig genoemd motorrijtuig te besturen, immers terwijl verdachte

- ziek was als gevolg van een ontsteking/abces in zijn keel en medicijnen (tegen de ontsteking/ziekte) had ingenomen en

- verkeerde in een emotionele toestand ten gevolge van relationele problemen tussen hem, verdachte en [naam] en

- tijdens het besturen van genoemde motorrijtuig tot zeer kort voor na te noemen aanrijding/botsing deelnam aan het berichtenverkeer tussen hem, verdachte, en genoemde [naam],

waarbij verdachte met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid, is afgeweken van de voor hem, verdachte bestemde rijstrook, en is gaan rijden op de rijstrook bestemd voor het verkeer uit tegengestelde richting, terwijl een personenauto, merk: Chevrolet, bestuurd door [slachtoffer 1] hem, verdachte, dicht was genaderd, waardoor een aanrijding/botsing is ontstaan tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en het door voornoemde [slachtoffer 1] bestuurde motorrijtuig, ten gevolge van welke aanrijding/botsing die [slachtoffer 1] is overleden en aan [slachtoffer 2] , inzittende van de door [slachtoffer 1] bestuurde auto zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen en gebroken onderarm en gebroken pink en gebroken ribben en gebroken rugwervel en gebroken nekwervel en een gekneusde milt en gekneusde longen is toegebracht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Subsidiair. Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit, afhankelijk van de kwalificatie, rekening te houden met de LOVS oriëntatiepunten waaruit blijkt dat een taakstraf geïndiceerd is, een gevangenisstraf volgens de reclassering onwenselijk is in verband met mogelijk negatieve gevolgen voor het werk, er geen gevaar is voor herhaling en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, te weten het reclasseringsadvies van 19 januari 2017 en het psychiatrisch pro justitia rapport d.d. 25 mei 2017, opgesteld door P.A. de Mon, psychiater, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf. Verdachte is, als bestuurder van een personenauto tegen een hem tegemoetkomende personenauto aangereden, waarbij één van de inzittenden is overleden en de andere inzittende zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Door het handelen van verdachte is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht en zullen zij moeten leven met het verlies van een dierbaar familielid. Dit is ook gebleken uit de slachtofferverklaringen die door en namens de nabestaanden zijn voorgelezen ter terechtzitting. Daarnaast blijkt uit deze slachtofferverklaring dat de overlevende inzittende nog steeds lichamelijke beperkingen als gevolg van het ongeval ondervindt.

Het verkeersgedrag van verdachte heeft niet alleen direct gevolgen gehad voor het slachtoffer en zijn nabestaanden, ook de verkeersveiligheid in het algemeen is door het handelen van verdachte ernstig in gevaar gebracht.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het leed van de nabestaanden kan wegnemen, verlichten of ongedaan maken. Uit een oogpunt van vergelding is voor dergelijke feiten iedere straf te licht. Maar vergelding kent in een rechtsstaat haar grenzen. Die grenzen worden medebepaald door andere omstandigheden waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de bepaling van de hoogte van de straf.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS). Deze oriëntatiepunten worden in Nederland door strafrechters gebruikt om te voorkomen dat straffen in soortgelijke zaken te zeer uiteenlopen. Als uitgangspunt voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld (grove verkeersfout) wordt een gevangenisstraf van 6 maanden en een rijontzegging voor de duur van 2 jaren gehanteerd. Als uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel wordt een taakstraf voor de duur van 160 uur en een rijontzegging voor de duur van 1 jaar gehanteerd. Hierbij merkt de rechtbank op dat er sprake is van één verweten gedraging, waardoor er geen sprake is van cumulatie van de genoemde oriëntatiepunten.

De rechtbank moet bij het bepalen van de straf echter ook rekening houden met de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij dient niet uit het oog te worden verloren dat ook verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag voor anderen niet heeft gewild en betreurt.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 2 mei 2017 blijkt dat hij niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld. Wel blijkt dat verdachte tweemaal een transactie is aangeboden wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Verder zijn er in het dossier aanwijzingen dat verdachte in het verkeer vaker onverantwoorde risico’s nam, te weten het rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, het gebruiken van een mobiele telefoon tijdens het rijden en in een enkel geval een combinatie van beiden.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 19 januari 2017 blijkt onder meer dat verdachte kampt met psychische/psychiatrische problemen, maar dat dit geen verband houdt met het ten laste gelegde. De reclassering acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onwenselijk in verband met mogelijk negatieve gevolgen voor het werk van verdachte. Geadviseerd is de oplegging van een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht, meewerken aan een intaketraject bij een forensische polikliniek en indien geïndiceerd meewerken aan een behandeling.

Uit het psychiatrisch pro justitia rapport d.d. 25 mei 2017, opgesteld door P.A. de Mon, psychiater, blijkt dat de psychiater concludeert dat er bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde geen sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid op de daarvoor in voornoemde rapport bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare, waardoor de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar acht.

Tevens is een psychologisch pro justitia rapport d.d. 25 mei 2017, opgesteld door D. Breuker, forensisch psycholoog. De rechtbank volgt de hierin opgenomen conclusies niet, omdat zij zich, net zo min als de psychiater, kan vinden in de door de psycholoog gestelde diagnostische beschouwingen en de daaruit voortvloeiende conclusies omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk en geboden is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Alles afwegend ziet de rechtbank geen redenen om af te wijken van de LOVS oriëntatiepunten voor wat betreft de hoogte van de vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. Wel ziet de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de gevolgen voor het slachtoffer en de nabestaanden, aanleiding om een langere rijontzegging op te leggen, te weten voor de duur van drie jaar.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [naam] , na een ter terechtzitting van 1 juni 2017 gedane wijziging, tot een bedrag van € 399,40 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [naam] , na een ter terechtzitting van 1 juni 2017 gedane wijziging, tot een bedrag van € 4.433,97 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft telkens toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partijen gevorderd, telkens met de wettelijke rente en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist. Hij heeft alleen gesteld dat een deel van de kosten als kosten van het geding zijn te beschouwen.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [naam] .

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde.

De rechtbank komt tot een geleden materiële schade van:

- € 41,64 wegens extra kosten telefoonrekening

- € 39,00 wegens een gedenksieraad

- € 116,20 aan reiskosten (te weten 415 kilometer x € 0,28).

De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 196,84, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2015.

De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 202,56, zijnde de reiskosten (te weten 692 kilometer x € 0,28) en parkeerkosten (te weten € 8,80) voor het bijwonen van het onderzoek ter terechtzitting.

Ten aanzien van de vordering van [naam] .

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde.

De rechtbank komt tot een geleden materiële schade van:

- € 83,65 wegens bloemen begrafenis

- € 705,00 wegens een gedenksteen

- € 21,00 wegens een gedenksieraad

- € 61,15 wegens een gedenkboek

- € 34,74 wegens extra kosten telefoonrekening

- € 637,99 wegens notariskosten

- € 1.450,00 wegens gederfd levensonderhoud

- € 143,00 wegens toevoeging advocaatkosten

- € 964,63 aan reiskosten (te weten 3.445,10 kilometer x € 0,28)

De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 4.101,16, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2015.

De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 323,76, zijnde de reiskosten (te weten 1.062 kilometer x € 0,28 = € 297,36) en parkeerkosten (te weten 3x € 8,80 = € 26,40) voor het bijwonen van het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank zal de benadeelde partij in haar vordering voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aan materiële schade aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partijen overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte telkens de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsommen ten behoeve van de benadeelde partijen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair onder A en primair onder B is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Voorts:

De ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 3 jaar.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 196,84 (zegge: honderdzesennegentig euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [naam] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 202,56 (zegge: tweehonderdentwee euro en zesenvijftig cent).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam] te betalen een bedrag van € 196,84 (zegge: honderdzesennegentig euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.101,16 (zegge: vierduizendhonderdeneen euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2015.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [naam] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 323,76 (zegge driehonderd drieëntwintig euro en zesenzeventig cent).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam] te betalen een bedrag van € 4.101,16 (zegge: vierduizendhonderdeneen euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 51 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2017. Mr. Beuker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0100-2015326721, doorgenummerd 1 tot en met 152 en het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, doorgenummerd 1 tot en met 12, met bijlagen.

2 Pagina’s 11 en 12.

3 Pagina 19.

4 VOA pagina 11.

5 Een geschrift, te weten een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgesteld op 8 november 2015 door dhr. P. van der Tas, arts GGD Fryslân.

6 Pagina 148.

7 Pagina 86.

8 Pagina 100.

9 Pagina’s 91 en 95.

10 Pagina’s 87 en 88.

11 Pagina’s 21 en 22.

12 Pagina’s 48 en 49.

13 Pagina 127.

14 Pagina’s 132 tot en met 134.

15 Pagina 138.