Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:215

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
LEE 15/4073
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Weigering materiële en immateriële schadevergoeding. Verzoek schadevergoeding ziet niet op de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb gestelde schade als gevolg van een onrechtmatig besluit. Dat bij besluit op bezwaar is teruggekomen van het primaire besluit, maakt niet dat sprake is van een schadeveroorzakend besluit. Voortschrijdend medisch inzicht, dat bij nemen van het primaire besluit niet bekend konden zijn. Geen grond tot veroordeling verweerder tot toekenning van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/4073

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 januari 2017 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: A. van der Harst),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: P.J. Langius).

Procesverloop

Verzoekster heeft bij brief van 6 januari 2015 verweerder verzocht om vergoeding van schade ten bedrage van € 11.622,35.

Bij besluit van 11 september 2015 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die zij heeft geleden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief, gedateerd 1 februari 2016, heeft verzoekster een tweetal aanvullende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens zijn verschenen [medewerker] , werkzaam bij zorginstelling R95, en [begeleidster] , persoonlijk begeleidster van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster behoorde sinds 2006 en vervolgens op basis van een herindicatie tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) op grond waarvan zij een Wsw-indicatie ontving. Verzoekster is laatstelijk via begeleid werken bij [naam kinderdagverblijf] werkzaam geweest op basis van een tijdelijke aanstelling en zij is met ingang van 1 maart 2013 ziek uit dienst gegaan. Vervolgens is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Verzoekster heeft op 27 maart 2013 bij verweerder een verzoek ingediend om herziening van de Wsw-indicatie.

1.2.

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat zij wèl tot de doelgroep behoort van de Wsw en dat zij tot 9 juli 2015 een Wsw-indicatie krijgt. Aan het besluit is een rapportage indicatie Wsw van 9 juli 2013 ten grondslag gelegd.

1.3.

Verzoekster heeft op 6 augustus 2013 bezwaar gemaakt tegen het onder 1.2 vermelde besluit, aangevuld bij brief van 2 september 2013. Op 16 oktober 2013 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag zich onder de gedingstukken bevindt.

1.4.

Bij besluit op bezwaar van 22 januari 2014 is het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekster niet tot de doelgroep van de Wsw behoort en dat zij niet in staat is om -met behulp van aanpassingen- binnen de Wsw arbeid te verrichten. Van het bestreden besluit maakt deel uit een rapport van 20 januari 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

1.5.

Verzoekster heeft op 27 januari 2014 bij het CIZ een nieuwe aanvraag ingediend voor AWBZ-zorg vanwege een gewijzigde zorgbehoefte, met daarbij gevoegd het besluit op bezwaar van verweerder van 22 januari 2014. Bij besluit van 24 februari 2014 is verzoekster door het CIZ geïndiceerd voor een Zorgzwaartepakket (ZZP) VG06, klasse 7 (omvat wonen met intensieve begeleiding en dagbesteding, verzorging en gedragsregulering). Dat besluit staat in rechte vast, omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt.

1.6.

Bij brief van 24 maart 2014 heeft verzoekster verweerder verzocht om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het herroepen van het besluit van

9 juli 2013. Hieraan is ten grondslag gelegd dat verzoekster door het CIZ bij besluit van

17 januari 2013 is geïndiceerd voor een ZZP VG02, klasse 7, zonder Begeleiding groep, en dat zij met een juiste beslissing van verweerder wel de indicatie Begeleiding groep had ontvangen. Verzoekster is voor de aanvullende zorg vanaf 1 augustus 2013 aan R95 een bedrag verschuldigd van € 11.622,35, zijnde het bedrag aan geleden schade.

1.7.

Op 24 maart 2014 heeft verzoekster een verzoek ingediend bij het CIZ om herziening van het indicatiebesluit van 17 januari 2013, waarbij verzoekster is geïndiceerd voor een ZZP VG02 zonder BG op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. In verband met deze indicatie heeft het Zorgkantoor bij verleningsbeschikking van 28 februari 2013 aan verzoekster een persoonsgebonden budget ter hoogte van € 23.526,28 verleend, voor de periode van 1 januari 2013 tot en met

31 december 2013.

1.8.

Bij besluit van 5 juni 2014 heeft het CIZ het namens verzoekster ingediende verzoek om herziening afgewezen op de grond dat geen sprake is van een nieuw feit en/of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit op bezwaar van 17 november 2014 heeft het CIZ het bezwaar van 3 juli 2014 ongegrond verklaard.

1.9.

Bij brief van 6 januari 2015 heeft verzoekster verweerder verzocht het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in de brief van 24 maart 2014 alsnog in behandeling te nemen.

1.10.

Bij besluit van 11 september 2015 heeft verweerder het verzoek van verzoekster om schadevergoeding afgewezen.

2. Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op gestelde schade, beweerdelijk veroorzaakt door het besluit van het Uwv van 9 juli 2013 en is gebaseerd op het standpunt van verzoekster dat zij door het (gestelde) onrechtmatig genomen besluit van het Uwv van

9 juli 2013, waarbij is beslist dat zij tot de doelgroep van de Wsw behoort, schade heeft geleden van € 11.622,35. Naar verzoekster stelt is die schade erin gelegen dat zij door het besluit van 9 juli 2013 niet door het CIZ is geïndiceerd voor Begeleiding groep. Zij heeft in de periode van 9 juli 2013 tot 22 januari 2014 (periode in geding), zonder te beschikken over een toereikend budget, extra kosten moeten maken in het kader van de voor haar noodzakelijke zorg, die is geleverd door zorginstelling R95.

3. Verweerder heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. De door verzoekster gestelde schade is volgens haar het gevolg van het hiervoor onder 1.2 vermelde besluit van 9 juli 2013. Dat betekent dat op deze zaak titel 8.4 van de Awb van toepassing is, zoals die geldt vanaf 1 juli 2013.

4.2.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

4.3

De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van verzoekster aldus dat zij stelt materiële schade te hebben geleden door het beweerdelijk onrechtmatige besluit van verweerder van

9 juli 2013 en dat zij daardoor in de periode in geding extra kosten voor aanvullende zorg heeft moeten maken, zonder dat daarvoor een indicatie door het CIZ was afgegeven en er geen toereikend pgb-budget was.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3412.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van verzoekster geen betrekking heeft op de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde schade als gevolg van, kortweg, een onrechtmatig genomen besluit. Het besluit van 9 juli 2013, waarin door verweerder is beslist dat verzoekster tot de doelgroep van de Wsw behoort, was niet onrechtmatig. Dat verweerder bij besluit op bezwaar van 22 januari 2014 het bezwaar tegen het besluit van

9 juli 2013 gegrond heeft verklaard en - onder verwijzing naar het rapport van 20 januari 2014 van verzekeringsarts bezwaar en beroep P.A.M. van Zelst - heeft beslist dat verzoekster niet tot de doelgroep van de Wsw behoort, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 9 juli 2013 als schadeveroorzakend besluit dient te worden aangemerkt. Hiertoe is namelijk van belang dat verweerder in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar op grond van artikel 7:11 van de Awb van een in een primair besluit ingenomen standpunt kan terugkomen, zonder dat dat besluit voor onrechtmatig moet worden gehouden. In dit geval dient in aanmerking te worden genomen dat tijdens de bezwaarprocedure recentere medische informatie over verzoekster is verkregen. Uit die informatie blijkt dat de spanningen van verzoekster juist in de afgelopen maanden zijn toegenomen (als gevolg van ziekte van haar ouders en de druk van het weer moeten gaan werken) en dat een en ander tot toename van decompensaties zou hebben geleid, waarvan nog geen sprake was vóór het besluit van 9 juli 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep Van Zelst heeft de hiervoor genoemde medische informatie in de heroverweging betrokken en is in zijn rapport van 20 januari 2014 tot de conclusie gekomen dat eenduidig uit de stukken blijkt dat verzoekster decompensaties ervaart bij (oplopende) stress, dat vooralsnog moet worden uitgegaan van een zeer geruime tijd waarin verzoekster niet in staat is om arbeid te verrichten, ook niet in Wsw-verband, en dat voor de toekomst op (erg) lange termijn verbetering niet is uit te sluiten. Hieruit leidt de rechtbank af dat op grond van de in bezwaar verkregen medische informatie bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake was van voortschrijdend medisch inzicht, op grond van gegevens die bij verweerder ten tijde van het nemen van het besluit van 9 juli 2013 nog niet bekend waren en ook niet hadden kunnen zijn. Dit heeft vervolgens geresulteerd in het nemen van het besluit op bezwaar van 22 januari 2014, waarbij dat besluit in de plaats is gekomen van het eerder genomen besluit van 9 juli 2013. In wat verzoekster heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het besluit van 9 juli 2013 ten tijde van de toen bekende (medische) informatie onjuist dan wel onrechtmatig was.

4.6.

Uit wat in 4.5 is overwogen volgt dat het besluit van 9 juli 2013 niet kan worden aangemerkt als een onrechtmatig genomen schadeveroorzakend besluit, zodat reeds om die reden geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb verweerder te veroordelen tot vergoeding van (materiële of immateriële) schade. Wat verzoekster nog in beroep heeft aangevoerd, behoeft – bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – geen bespreking meer.

5. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, mr. H.R. Bracht en

mr. A.M. Klingenberg, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.