Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2136

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
18/850032-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een vrouw vrijgesproken van de aan haar ten laste gelegde poging tot uitlokking van een levensdelict op dan wel zware mishandeling van haar ex-partner. Ook de ten laste gelegde bedreiging van de ex-partner heeft de rechtbank niet bewezen geacht, waardoor verdachte ook daarvan is vrijgesproken.

Verdachte is wel schuldig verklaard ten aanzien van opzetheling, maar aan haar is geen straf of maatregel opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850032-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

30 en 31 mei 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen, in de maand februari 2015, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 19 april 2016 te [pleegplaats] en/of Groningen, in elk geval op enige plaats(en) in Nederland, heeft gepoogd tezamen en in vereniging met een ander (medeverdachte [naam] ), althans alleen, [naam] door middel van giften, beloften, misleiding, verschaffen van middelen en/of inlichtingen de misdrijven moord, doodslag en/of zware mishandeling op [slachtoffer1] te laten begaan, immers heeft zij en/of haar medeverdachte ( [naam] ) die [naam] (meermalen) daartoe een (groot) geldbedrag (50.000 euro) althans een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld, beloofd en/of toegezegd.

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 19 april 2016, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats] en/of te Groningen, (althans) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft zij, verdachte en/of haar medeverdachte ( [naam] ):

-gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte die [slachtoffer1] een stroomstootdinges op de kop zal zetten en daarna gaat opknuppen en/of

-gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte die [slachtoffer1] onder bedreiging van een vuurwapen op een stoel zal laten staan en/of een touw om de nek zal

plaatsen en dan de stoel zal wegtrappen en/of

-gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte die [slachtoffer1] overhoop zal

schieten en/of

-gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte die [slachtoffer1] hartstikke dood

zal slaan en/of

-gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte de nek van die [slachtoffer1] zal breken als hij de kans krijgt en/of

-gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte die [slachtoffer1] af zal schieten

als iemand hem/haar een pistool geeft en/of

-gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte die [slachtoffer1] op zal knopen, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- [naam] (meermalen) benaderd voor de levering van een vuurwapen en/of (daarbij) gezegd "Ik wil een pedofiel omleggen" (doelend op die [slachtoffer1] ), althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- [naam] gevraagd 'die pedo' (doelend op [slachtoffer1] ) om te leggen welke bewoordingen en/of handeling (en) ter kennis zijn gekomen van die [slachtoffer1] .

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 19 april 2016 te [pleegplaats] , (meermalen) (een) hoeve(i)d(en) formaline heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde omdat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring. Hij heeft geconcludeerd dat het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wel bewezen kan worden.

Feit 1 primair en subsidiair

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

Uit de inhoud van de verschillende tapgesprekken en OVC-gesprekken blijkt dat verdachte en medeverdachte [naam] regelmatig spraken over verdachtes ex-partner, [slachtoffer1] . Tijdens voornoemde gesprekken werd - kort weergegeven - besproken dat verdachte van [slachtoffer1] af wilde en werden bedreigende uitingen gedaan die impliceren dat [slachtoffer1] dood moest gaan. Medeverdachte [naam] heeft getuige [naam] meermalen benaderd voor het regelen van een wapen. [naam] heeft verklaard dat [naam] hem daarbij heeft gevraagd om voor een bepaald geldbedrag een pedofiel (doelend op [slachtoffer1] ) en de ex-vrouw van [naam] te vermoorden. In een latere verklaring heeft [naam] evenwel aangegeven dat [naam] hem enkel heeft gevraagd om een vuurwapen te regelen. Het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen hieromtrent.

Alles afwegende met betrekking tot de verklaring van [naam] en het behandelde ter terechtzitting, is er onvoldoende bewijs om de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot uitlokking van een levensdelict op [slachtoffer1] te bewijzen.

De onder 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging kan wel worden bewezen, nu de bedoelde uitlatingen voldoen aan de voorwaarden die de Hoge Raad heeft gesteld bij indirecte bedreiging. Allereerst zijn de uitlatingen qua toon en inhoud bedreigend. Er wordt immers expliciet gesproken over het doden van [slachtoffer1] . Daarnaast bestond bij de politie de redelijke vrees dat feitelijke uitvoering zou worden gegeven aan de uitlatingen, dit onder meer gelet op de speurtocht naar een vuurwapen door medeverdachte [naam] . Daarenboven heeft [slachtoffer1] via de politie daadwerkelijk kennis genomen van de gewraakte uitlatingen en gedragingen. [slachtoffer1] heeft deze ook als bedreigend opgevat, hetgeen blijkt uit zijn verklaring bij de politie.

Verder hebben verdachten op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze bedreigingen ook bij [slachtoffer1] bekend zouden worden. Veel van de bedreigingen zijn in de beslotenheid van beide verdachten geuit en heimelijk door de politie geregistreerd, maar blijkens de opgenomen gesprekken hielden beiden er rekening mee dat de politie mogelijk hun bewegingen en communicatie volgde of later kon traceren. Het gebruiken van codetaal, wissen van WhatsAppberichten en ongezien afspreken zijn daar sprekende voorbeelden van. Ook wist verdachte dat de politie een onderzoek deed naar de dood van de ex-vrouw van medeverdachte [naam] en dat de aandacht in ieder geval ook op [naam] zou zijn gericht, zeker nu zij wist dat [naam] daarbij betrokken was.

Met hun gedragingen hebben verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard en de wetenschap gehad dat de politie hun communicatie zou kunnen volgen en vastleggen, hetgeen ook daadwerkelijk is geschied.

Bovendien hebben verdachten in dit verband veel externe acties ondernomen, met het reële risico tot gevolg dat anderen van de bedreigingen jegens [slachtoffer1] op de hoogte zouden kunnen raken en [slachtoffer1] daarover zouden kunnen informeren. Zo is door verdachten op internet naar wapens gezocht, heeft medeverdachte [naam] gebeld met diverse wapenhandelaren, is [naam] bij getuige [naam] geweest voor een vuurwapen en heeft verdachte met anderen besproken dat [slachtoffer1] aangepakt moest worden. Ook is vaak in het bijzijn van de kinderen van verdachten gesproken over agressieve acties jegens [slachtoffer1] .

Deze betrokkenen bevonden zich in of rond de kring van [slachtoffer1] en hadden hem op de hoogte kunnen brengen van de bedreigende uitlatingen.

Verdachten zijn na de waarschuwing van de politie op 22 februari 2016 doorgegaan met het doen van de bedoelde uitlatingen tijdens hun gesprekken. Na die dag moesten verdachten zeker beseffen dat [slachtoffer1] op de hoogte was of zou komen van de gewraakte uitlatingen.

Op grond van het bovengenoemde heeft zich de aanmerkelijke kans voorgedaan dat [slachtoffer1] door de politie of de bedoelde personen op de hoogte zou kunnen worden gesteld van de bedreiging.

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de tapgesprekken en de verklaring van [naam] Hij heeft hierbij aangevoerd dat uit deze bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wist dat de formaldehyde van diefstal uit het ziekenhuis afkomstig was.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde.

Feit 1 primair

Ten aanzien van feit 1 primair heeft zij gesteld dat geen sprake is van poging tot uitlokking van moord, doodslag of zware mishandeling. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat slechts van poging tot een misdrijf kan worden gesproken als het voornemen van de dader zich door een begin van de uitvoering heeft geopenbaard. Op basis van de processtukken kan niet worden vastgesteld dat verdachtes voornemen op voornoemde delicten was gericht.

Uit een aantal uitgewerkte gesprekken valt af te leiden dat verdachten een (stroomstoot)wapen wilden kopen, maar in geen enkel gesprek wordt dat plan concreet uitgewerkt.

Van een begin van uitvoering is evenmin sprake nu nergens uit blijkt dat verdachte het initiatief heeft genomen om een persoon te benaderen om [slachtoffer1] iets aan te doen.

Voorts blijkt uit de getuigenverklaring van [naam] niet dat een uitlokkingsmiddel (geld) is ingezet om hem te bewegen tot de bedoelde delicten. Bovendien kan uit de tapgesprekken en de verklaring van [naam] niet worden afgeleid dat verdachte en medeverdachte [naam] nauw en bewust hebben samengewerkt om [naam] uit te lokken om [slachtoffer1] om het leven te brengen dan wel zwaar te mishandelen.

Feit 1 subsidiair

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte ook van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging moet worden vrijgesproken. Zij heeft hierbij aangevoerd dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet niet gericht was op het bedreigen van [slachtoffer1] . Verdachte wilde juist voorkomen dat [slachtoffer1] daadwerkelijk op hoogte zou geraken van de uitlatingen en besprak alles in het geheim met medeverdachte [naam] . Het is de politie die [slachtoffer1] op de hoogte heeft gebracht van de bedoelde uitlatingen.

Daarnaast kan niet worden bewezen dat de negatieve uitlatingen van verdachte van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat bij [slachtoffer1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen of zwaar zou worden mishandeld. Het betrof emotionele uitlatingen die in wanhoop zijn gedaan naar aanleiding van de gespannen relatie tussen verdachte en [slachtoffer1] nadat ze uit elkaar zijn gegaan.

Bovendien was [slachtoffer1] gedurende de ten laste gelegde periode van 1 januari 2015 tot en met 19 april 2016 niet bekend met de uitspraken die door verdachte zijn gedaan. Pas op

4 mei 2016 heeft de politie [slachtoffer1] daarover geïnformeerd, waarna hij aangifte heeft gedaan. Ook na 4 mei kan niet worden gesproken van redelijke vrees omdat de politie bovenop de zaak zat, verdachte scherp in de gaten hield en medeverdachte in voorlopige hechtenis zat.

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte wist dat haar collega flessen formaline meenam, maar dat het niet ongebruikelijk was dat op hun werk bepaalde spullen door collega's werden meegenomen. Op basis van de twee tapgesprekken die hierover gaan, kan niet wordt vastgesteld dat verdachte wist dat de flessen van diefstal/verduistering afkomstig waren.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair:

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde, met de officier van justitie en de raadsvrouw, niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Tijdens het onderzoek naar de dood van de ex-vrouw van medeverdachte [naam] heeft de politie onder meer taps aangesloten op de telefoon van [medeverdachte] en op de telefoon van verdachte. Ook is opnameapparatuur aangebracht in de voertuigen van beide verdachten. Uit de tapgesprekken en de heimelijk opgenomen gesprekken is gebleken dat verdachte en [medeverdachte] het geregeld hadden over het doden van [slachtoffer1] , de ex-partner van verdachte. Ook werd besproken dat [medeverdachte] een (vuur)wapen moest regelen voor verdachte. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat medeverdachte [medeverdachte] getuige [naam] heeft benaderd in verband met het regelen van een wapen. Over de ontmoetingen met [medeverdachte] heeft [naam] diverse verklaringen afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is [naam] niet eenduidig in zijn verklaringen over hetgeen [medeverdachte] hem daarbij heeft verzocht. [naam] heeft eerst verklaard dat [medeverdachte] hem, [naam] , heeft gevraagd om [medeverdachte] ' ex-vrouw en een pedofiel van het leven te beroven en dat [medeverdachte] hiervoor een bedrag van € 50.000,-- heeft aangeboden, terwijl hij vervolgens heeft verklaard dat hij alleen een (vuur)wapen moest regelen voor [medeverdachte] omdat [medeverdachte] de pedofiel zelf wilde neerschieten. [medeverdachte] ontkent dat hij [naam] heeft gevraagd om iemand te vermoorden en dat hij daarvoor een geldbedrag heeft aangeboden. Het dossier bevat op dit punt geen andere concrete bewijsmiddelen.

Nu de verklaring van [naam] niet eenduidig is met betrekking de precieze inhoud van het verzoek van [medeverdachte] en andere bewijsmiddelen voor dit feit ontbreken, acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Voor een strafbare bedreiging ex artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is ten eerste vereist dat de uitlatingen van de verdachte van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat deze vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid kunnen opleveren. Ten tweede is vereist dat bij verdachte het (voorwaardelijk) opzet bestaat op het teweegbrengen van die vrees. En tot slot moet bij de bedreigde wetenschap bestaan van de bedreiging.

Zoals reeds vermeld, zijn verschillende gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] heimelijk afgeluisterd en uitgewerkt. Op basis van die gesprekken kan worden vastgesteld dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde uitlatingen daadwerkelijk door verdachten zijn gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze uitlatingen op zichzelf zeer bedreigend. Ook staat, naar het oordeel van de rechtbank, vast dat de politie aangever van de bedreigingen op de hoogte heeft gebracht.

Een deel van de ten laste gelegde bedreigingen is geuit in gesprekken tussen verdachte en medeverdachte in hun auto’s. De politie is hiervan enkel op de hoogte geraakt doordat deze gesprekken heimelijk werden afgeluisterd en opgenomen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachten geen rekening hoefden te houden met de mogelijkheid dat hun privégesprekken in hun auto’s werden opgenomen en dat de politie aangever van de inhoud van hun gesprekken op de hoogte zou brengen. Van (voorwaardelijk) opzet op het teweegbrengen van vrees bij aangever is daarom geen sprake.

Uit het dossier blijkt niet dat medeverdachte [naam] tegenover [naam] de naam van aangever heeft gebruikt. [naam] heeft aangever, zoals ook in de tenlastelegging is opgenomen, steeds aangeduid als ‘die pedofiel’ of ‘die pedo’. Uit het dossier valt evenmin af te leiden dat [naam] aangever kende. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook met betrekking tot de ten laste gelegde uitlatingen die mogelijk richting [naam] zouden zijn gedaan bij verdachte het (voorwaardelijk) opzet op het teweeg brengen van vrees bij aangever niet bewezen kan worden verklaard.

Voorts oordeelt de rechtbank dat uit de gesprekken die verdachten met anderen hebben gehad over [slachtoffer1] niet blijkt dat de ten laste gelegde bedreigingen ten aanzien van [slachtoffer1] bij hen zijn geuit.

Gelet op bovengenoemde kan naar het oordeel van de rechtbank het onder 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor het onder 2 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 31 mei 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik van [naam] enkele flessen formaldehyde heb gekregen. De gebruiksnaam van formaldehyde is formaline. [naam] is een collega van mij. Hij nam de flessen van het ziekenhuis mee.

2. De inhoud van een zaaksdossier met nummer 2015323511, rechercheonderzoek "Timandra", gesloten op 17 oktober 2016, bestaande uit diverse schriftelijke stukken en processen-verbaal waaronder:

2.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 april 2016, opgenomen in MAP 1 op pagina 1 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] namens [naam ziekenhuis] :

[naam] is ook aanwezig tijdens het verhoor. Zij is operatieassistent en dagcoördinator. U deelt ons mede dat er bij een huiszoeking naar een strafbaar feit in een ander onderzoek vijf flessen formaldehyde zijn aangetroffen bij een werknemer van ons, te weten: [verdachte] .

U toont een foto van de door de politie aangetroffen flessen formaldehyde.

[naam] verklaart dat dergelijke flessen met formaldehyde onder in een kast van het "PA hok" (Patholoog Anatoom ) staan. Door [naam] werd een fles formaldehyde uit het betreffende hok gehaald. Ik zie dat dit een soortgelijke fles is als de flessen die u op de foto toont. Ik zie dat het etiket van de flessen ook gelijk is aan de bij de huiszoeking aangetroffen flessen.

Ik heb niemand het recht of de toestemming gegeven deze flessen mee te nemen voor eigen gebruik.

2.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdenking d.d.

5 januari 2016, documentcode AH-019-03 met bijlagen, welke bijlagen zijn opgenomen in MAP 1 op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Tapgesprek 20-12-2015, vanaf 00:39:22, sessienr: 4402

[medeverdachte] belt uit naar [verdachte]

: Dan moet ik even kijken of ik terpentine heb of nee wat moest hij hebben wasbenzine. Ik loop eerst even naar achteren, blijf maar even aan de telefoon, want [naam] heb ik gezegd dat ik het bij de voordeur zou neerzetten. Dan kon hij dat morgenvroeg zo ophalen.

: En hij begon ook over formaline. Volgens mij had hij het toen over dat hij het achter in de euh bijkeuken had gezet voor de stenen. Want hij neemt elke keer al stiekem een fles mee, zodat het niet opvalt. Er zijn wel tien, twaalf flessen nodig voor die bestrating. Hij zei als ik dan elke keer een fles meeneem dan valt het ook op op de OK hè. Snap je?

(..)

: Even kijken. Zie je wel wat is dit nu voor een fles wat hij mij heeft gegeven? Niet om in te nemen. Zie je wel formateline, dat is één liter. Heeft hij mij gegeven. Hij wil daar elke, hij wil proberen met de bestrating. Als het goed is neemt hij elke week een fles mee. Drukt hij achterover.

2.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 20 april 2016, opgenomen in MAP 4 op pagina 1165 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven - de relatering van de verbalisant:

Op 19 april 2016 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [straatnaam] , [pleegplaats] . De bewoonster van deze woning betrof de verdachte [naam] . In de bijkeuken werden in een kast van het keukenblok 5 flessen van elk 1 liter Formaldehyde 4% aangetroffen.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Tijdens het tapgesprek van 20 december 2015 tussen verdachte en [medeverdachte] vertelt verdachte dat [naam] elke keer al 'stiekem' een fles formaldehyde van het werk meeneemt en dat [naam] de bedoelde flessen 'achterover drukt'. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de flessen formaldehyde zonder toestemming van de werkgever door [naam] zijn meegenomen. Aldus wist verdachte dat ze van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 19 april 2016 te [pleegplaats] , meermalen, hoeveelheden formaldehyde voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. opzetheling, meermalen gepleegd

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

De straf en/of de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en

2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarde werd hierbij de oplegging van een locatieverbod voor de woning van [slachtoffer1] gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair gepleit voor vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over haar opgemaakte rapportages en het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Zij heeft goederen voorhanden gehad, waarvan ze wist dat ze zonder toestemming van haar toenmalige werkgever zijn meegenomen. Verdachte kan hierdoor medeverantwoordelijk worden gehouden voor de schade die aan de werkgever is berokkend.

Als uitgangspunt voor bestraffing van een verdachte die niet eerder voor een (soortgelijk) misdrijf is veroordeeld geldt dat bij opzetheling kan worden volstaan met het opleggen van een geldboete.

De rechtbank overweegt dat verdachte aanvankelijk als medeverdachte is aangemerkt in een onderzoek naar de dood van [slachtoffer2] , voor welk feit zij uiteindelijk niet is vervolgd en als verdachte is aangemerkt met betrekking tot het beramen van moord op haar ex-partner, waarvoor zij thans is vrijgesproken. In het kader van het onderzoek naar deze feiten is naar voren gekomen dat verdachte het thans bewezenverklaarde feit, de opzetheling, heeft gepleegd. Gebleken is dat het onderzoek naar het levensdelict ingrijpende gevolgen heeft gehad voor verdachte. Ze heeft een aantal dagen in voorarrest gezeten hetgeen haar heel zwaar viel. Daarnaast heeft de media veel aandacht besteed aan het onderzoek naar de dood van [slachtoffer2] en het beramen van moord op haar ex-partner en was het in de relatief kleine gemeenschap van [pleegplaats] al snel duidelijk dat zij door de politie werd aangemerkt als een van de verdachten. Zij heeft mede daardoor haar baan verloren en heeft tot op heden nog geen nieuwe baan kunnen vinden. Ook zijn de reeds bestaande problemen met betrekking tot de omgangsregeling met haar dochter verergerd.

Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding thans nog een straf of maatregel op te leggen. Zij zal verdachte dan ook schuldig verklaren zonder oplegging van enige straf of maatregel.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

[slachtoffer1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het aan verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikelen 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2017.