Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2106

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
18/920130-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland spreekt verdachte vrij van 4 van de 5 ten laste gelegde feiten. De rechtbank veroordeelt verdachte voor een inbraak tot de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. Vanwege de oplegging van de ISD-maatregel wordt de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/920130-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/930174-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 juni 2017 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de PI Leeuwarden, Holstmeerweg 7 te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 mei 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Koning, advocaat te Meppel.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2017, te Emmen in de gemeente Emmen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de

[straatnaam] heeft weggenomen een camera, merk Nikon en/of een kettingzaag

en/of twee, althans een schuurmachine(s) en/of een accuboormachine en/of een

stofzuiger en/of een wastafel en/of twee, althans een doppenset(s) en een

aantal lampen en/of installatie-materiaal, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot die woning heeft verschaft en/of die/dat

weg te nemen gereedschap en/of (andere) goederen onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inkimming;

2.

hij op of omstreeks 4 maart 2017, te Emmen in de gemeente Emmen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een mand, staande voor een winkel

aan [straatnaam] heeft weggenomen vier, althans een aantal, verpakkingen

Twix, althans snoep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 18 maart 2017, te Emmen, althans in de gemeente Emmen,

opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning aan de [straatnaam]

, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 3 april 2017, te Emmen, althans in de gemeente Emmen,

[slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer2] een mes, althans een

steekvoorwerp voorgehouden/getoond;

5.

hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2017 tot en met 3 april 2017, te

Emmen in de gemeente Emmen, een fiets, merk Sparta, kleur: blauw en/of een

(dames)fiets, merk: Sparta, kleur: zwart, heeft verworven, voorhanden gehad,

en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die

fiets(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door

misdrijf verkregen fiets(en) betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegd niet kan worden bewezen en dat verdachte van die feiten dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 5 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de onder 1 ten laste gelegde inbraak kan worden bewezen op grond van de aangifte, het relaas waarin staat dat op de bovenverdieping een aangebroken pakje drinken is aangetroffen, het relaas van sporenonderzoek en het rapport van het NFI waaruit blijkt dat op het rietje in dat pakje drinken het DNA van verdachte is aangetroffen. Verdachte ontkent iets met de inbraak te maken te hebben, maar heeft geen deugdelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA in die woning. De onder 5 ten laste gelegde heling kan worden bewezen op grond van de aangifte, de diverse getuigenverklaringen over de gang van zaken met betrekking tot de koop van de auto en de rekening waarop staat vermeld dat er fietsen zijn ingeruild en waarop de handtekening van verdachte staat. Ook telt hierbij mee dat verdachte de aankoop van de auto niet heeft ontkend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zaal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Uit het dossier blijkt dat [naam], door getuigen de '[naam]' genoemd, een auto wilde kopen. Zijn paspoort was verlopen en daarom heeft hij verdachte gevraagd mee te gaan om tijdelijk de auto op zijn naam te laten zetten. Verdachte heeft daartoe zijn handtekening op de aankoopfactuur gezet. Onduidelijk is of toen de inruil van de fietsen daarop al was genoteerd. Daar is ook geen nader onderzoek naar gedaan. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is geen informatie naar voren gekomen over de eventuele betrokkenheid van verdachte op het moment van verwerving van de fietsen. Verdachte ontkent in het bezit van de fietsen te zijn geweest en zegt ook niets te weten van de herkomst van de fietsen. Gezien het voorgaande kan niet bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 februari 2017, opgenomen op pagina 61 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland zonder nummer d.d. 1 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer1], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van inbraak. Dit gebeurde op 19 februari 2017. De weggenomen goederen behoren mij geheel in eigendom toe. Niemand had het recht of de toestemming het goed weg te nemen noch om dit te doen door middel van braak of inklimming.

Wij zijn druk bezig met klussen in de woning. De woning staat nog leeg. Wel liggen er gereedschappen en materialen in de woning.

Op zondag 19 februari 2017 is er ook nog geklust in de woning. Ik heb op 19 februari 2017 de de woning afgesloten, alles in goede staat achtergelaten en ben weggegaan. Op 20 februari 2017 trof ik in de kelder een troep aan. Vervolgens ben ik door de woning gelopen en zag ik dat er gereedschap en nog een aantal goederen weg waren. Toen ik beter heb rondgekeken zag ik dat het wc raampje, deze bevindt zich links naast de voordeur, was geforceerd. Ik heb direct de politie gebeld.

Ik heb in de woning verder een pakje drinken aangetroffen afkomstig uit een grootverpakking die een familielid had aangeschaft. Deze grootverpakking is nergens meer te vinden dus vermoedelijk ook weggenomen. Dit pakje drinken stond op de eerste

verdieping in de badkamer bij de wasbak. Ik heb een inventarisatie gemaakt van hetgeen er weg is genomen: een Nikon camera, een Husqvarna kettingzaag en twee Bosch schuurmachines, een Dewalt accuboormachine, een rode Henry stofzuiger, een wastafel en twee koffers met dopsleutelset, een aantal lampen en installatiemateriaal. Verder zijn er sleutels weggenomen. Hierdoor hebben wij de sloten moeten laten vervangen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2017, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 20 februari 2017 werd door mij een onderzoek naar sporen verricht in een woning bij [slachtoffer1] aan de [straatnaam] te Emmen.

Aan de voorzijde van de woning was een pallet rechtop onder een badkamerraam links van de voordeur gezet. Dit valraam zat ondersteboven geklemd in de daarvoor bestemde uitsparing. Een raam-schaar (scharnier aan de zijkant) was verbogen en er was een minimaal werktuigspoortje zichtbaar op het raam. De dader zal vermoedelijk het valraam hebben uitgenomen en door de ontstane opening naar binnen zijn geklommen.

In de zo goed als lege woning stond in de badkamer op de eerste verdieping een pakje drinkyoghurt aardbei-smaak met daarin een rietje. De aangeefster vertelde dat zij deze nabij de wasbak had aangetroffen. Vermoedelijk heeft de dader dit drinkpakje uit de grootverpakking genomen en het rietje erin geplaatst om de dorst te lessen. Ik heb het rietje bemonsterd op de aanwezigheid van biologische sporen en het pakje drinken geleegd en in beslag genomen ten behoeve van nader dactyloscopisch onderzoek.

SIN: AAKZ1916NL

Spooromschrijving: Speeksel

Plaats veiligstellen: Rietje in drinkpakje aarbei yoghurt

3. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.03.03106, d.d. 14 maart 2017 opgemaakt door A.I. Berghout MSc, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn verklaring:

SIN AAKZ1916NL; speeksel. Het DNA-profiel van een man kan afkomstig zijn van [verdachte].

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 april 2017, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte]:

V:Op de eerste verdieping in de badkamer bij de wasbak is een pakje drinken aangetroffen. Dit pakje drinken komt uit die grootverpakking die niet meer in de woning is. Daar zat jou DNA op. Reageer daar eens op.

V:Ik vind dat raar.

V:Hoe kan het dat jouw speeksel op het rietje van dat pakje drinken zit?

A:Ik weet het niet.

V:Heb je er een verklaring voor hoe het kan dat dus jouw speeksel op een rietje zit van een pakje drinken?

A:Ik zou het niet weten.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit feit het volgende.

Uit de aangifte blijkt dat er diverse goederen zijn gestolen uit de woning, ook van de eerste verdieping. Op die eerste verdieping, in de badkamer, is een aangebroken drinkpakje aangetroffen. Dit drinkpakje komt, zo verklaart aangever, uit een grootverpakking die onaangebroken in de woning was achtergelaten. Bij het sporenonderzoek in de woning is op het rietje van de drinkverpakking een DNA-spoor aangetroffen en uit het rapport van het NFI blijkt dat dit DNA van verdachte afkomstig is. Dit is aan te merken als een daderspoor.

.

Op grond van het feit, dat de diefstal uit de woning na slechts één dag is geconstateerd en dat daarbij DNA van verdachte is aangetroffen op een drinkverpakking, waarover aangever een specifieke verklaring heeft afgelegd, gaat de rechtbank er zonder meer van uit dat verdachte in de woning is geweest. Nu verdachte geen aannemelijke verklaring geeft over zijn aanwezigheid in die woning dan wel dat er een andere aannemelijke verklaring is dat zijn DNA in de betreffende woning is aangetroffen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de inbraak heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 februari 2017 te Emmen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straatnaam] heeft weggenomen een camera, merk Nikon en een kettingzaag en twee schuurmachines en een accuboormachine en een stofzuiger en een wastafel en twee doppensets en een aantal lampen en installatiemateriaal, toebehorende aan [slachtoffer1], waarbij verdachte zich de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak en/of inklimming.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot de maatregel Inrichting Stelselmatige Daders (hierna: ISD) voor de duur van twee jaren. Zij grondt deze eis op het advies van de reclassering die heeft gesteld dat zonder een ISD-maatregel het recidiverisico niet teruggedrongen kan worden en verdachte niet aan behandeling voor zijn problematiek zal willen meewerken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van alle feiten, maar daarnaast gesteld dat een bewezenverklaring van de feiten 1 en 5 niet de oplegging van de ISD-maatregel rechtvaardigen. Bovendien, zo stelt de raadsman, voldoet het advies van de reclassering niet aan de eisen die gesteld worden aan de mogelijke oplegging van een ISD-maatregel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Door het handelen van verdachte is niet alleen materiële schade toegebracht, er zijn goederen weggenomen waaraan aangever op gevoelsgronden kan zijn gehecht, maar is door verdachte ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Tevens heeft hij gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust veroorzaakt.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 mei 2017 – dat 19 pagina’s beslaat – blijkt dat verdachte herhaaldelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten nog in de proeftijd liep van een hem eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen.

Het door verdachte begane feit betreft een misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel veroordeeld en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Tot slot moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan en eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel.

De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking de adviesrapporten van de reclassering d.d.

2 en 9 mei 2017 waaruit blijkt dat de reclassering geen andere mogelijkheid ziet dan een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te adviseren.

Verdachte staat geregistreerd als veelpleger.

De afgelopen jaren heeft verdachte zich diverse malen onttrokken aan toezicht, behandeling en begeleiding. Meerdere voorwaardelijke straffen werden tenuitvoergelegd vanwege het plegen van strafbare feiten tijdens de proeftijd of het niet naleven van de bijzondere voorwaarden. Zowel ambulante als klinische behandeltrajecten kwamen niet van de grond door de niet meewerkende houding van verdachte.

Gezien de problematiek van verdachte is een ISD-maatregel naar de mening van de reclassering de enige strafrechtelijke modaliteit die kan bijdragen aan de vermindering van de kans op recidive en waarbinnen het patroon van vastzitten, vrijkomen en terugvallen kan worden doorbroken.

Gelet op de hardnekkige recidive van verdachte, het feit dat eerdere veroordelingen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen en eerdere behandelingen geen verandering van zijn gedrag hebben bewerkstelligd, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gelet hierop acht de rechtbank de ISD-maatregel niet alleen aangewezen, maar ook passend en geboden. Dat verdachte heeft aangegeven niet te willen meewerken, staat aan het opleggen van deze maatregel niet in de weg.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van de verdachte.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 22 februari 2017, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 9 maart 2017.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 26 april 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen indien de rechtbank tot oplegging van de ISD-maatregel komt. Mocht de rechtbank tot oplegging van een andere strafmodaliteit kiezen dan heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging geheel wordt toegewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling geen standpunt ingenomen.

Oordeel rechtbank

Het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet op het opleggen van de ISD-maatregel acht de rechtbank toewijzing van de vordering niet meer opportuun. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/930174-15:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen d.d. 22 februari 2017.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Jongsma, voorzitter, L.W. Janssen en R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2017.