Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2019

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
18/730185-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dodelijke aanrijding te Dokkum. Verdachte heeft zich, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf. Verdachte is, komende vanaf een parkeerterrein en rijdende op een overzichtelijke weg, als bestuurder van een auto in aanrijding gekomen met een voor hem rijdende fietser en is vervolgens over hem heen gereden. Het slachtoffer is als gevolg van de aanrijding overleden. Na de aanrijding is verdachte doorgereden en heeft hij zich korte tijd later bij de politie gemeld. Er was sprake van een langdurig conflict tussen verdachte en het slachtoffer. Vrijspraak van moord/doodslag. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Het scenario van een noodlottig ongeval is daarvoor niet onaannemelijk genoeg. Veroordeling voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Verdachte is niet enkel gedurende een kort moment, maar -gelet op zijn lage snelheid- gedurende langere tijd en op meerdere momenten onoplettend en onvoorzichtig geweest. Oplegging van een gevangenisstraf van 120 dagen met aftrek en 1 jaar OBM met aftrek. Afwijzing van de vordering van de benadeelde partij (nabestaanden) vanwege een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 175
Wetboek van Strafrecht 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730185-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1934 te [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [straatnaam], [woonplaats],

thans feitelijk verblijvende te [verblijfsplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

1 juli 2016, 15 september 2016, 6 november 2016, 20 december 2016 en 19 mei 2017.

Bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op 19 mei 2017 is verdachte verschenen, bijgestaan door mr. M.W.J.M. de Man en mr. G.J.P.M. Grijmans, beiden advocaat te Bolsward. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2016 te [pleegplaats], gemeente Dongeradeel, [slachtoffer]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door met een door verdachte bestuurde auto tegen en/of (vervolgens) over die [slachtoffer] te rijden;

althans indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 21 maart 2016 te [pleegplaats], gemeente Dongeradeel,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat hij zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest,

aangezien hij, rijdend op de voor hem linker weghelft van die weg en terwijl hij [slachtoffer]

, althans een persoon, die zich vóór hem op die linker weghelft, althans op die weg,

bevond, tijdig had waargenomen, althans had kunnen en moeten waarnemen, met dat door

hem bestuurde motorrijtuig tegen en/of (vervolgens) over die [slachtoffer] is gereden,

waardoor die [slachtoffer] werd gedood;

althans indien ook ter zake van het laatst vermelde geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 21 maart 2016 te [pleegplaats], gemeente Dongeradeel,

als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de voor hem linker weghelft van de weg, de [straatnaam], met dat door hem bestuurde voertuig tegen en/of (vervolgens) over [slachtoffer] is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak van het primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde en veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde gevorderd. Hij heeft naar voren gebracht dat er weliswaar aanwijzingen voor voorbedachte raad en opzet op de dood aanwezig zijn, maar dat er eveneens diverse contra-indicaties zijn. De verklaring van verdachte dat sprake was van een ongeluk is niet zodanig onwaarschijnlijk of onaannemelijk dat deze terzijde kan worden geschoven. Gelet op de aanwezige twijfel, vordert de officier van justitie vrijspraak van de primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde moord en doodslag. De officier van justitie is van mening dat wel sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, en daarmee schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte op de verkeerde weghelft heeft gereden en de fietser te laat heeft waargenomen, terwijl hij deze wel had kunnen en moeten waarnemen.

Standpunt van de verdediging

Mr. De Man heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair, impliciet subsidiair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat sprake is geweest van een ongeluk en dat hij de fietser niet heeft zien aankomen en dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad en met opzet heeft gehandeld. De raadsman heeft daarvoor diverse argumenten naar voren gebracht. Volgens de raadsman kan evenmin worden bewezen dat verdachte aanmerkelijke schuld heeft gehad aan het verkeersongeval, nu daarvoor onvoldoende is dat verdachte de fietser niet heeft gezien en op de linkerzijde van de weg heeft gereden. Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat geen sprake is van overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, aangezien geen sprake is van de vereiste culpa lata (aanmerkelijke schuld) en er niet gesproken kan worden van een reële kans op gevaar of het hinderen van het verkeer.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de ochtend van 21 maart 2016 heeft er op de [straatnaam] in [pleegplaats] een aanrijding plaatsgevonden, waarbij verdachte met de door hem bestuurde personenauto in botsing is gekomen met het slachtoffer [slachtoffer] dat zich met een fiets verplaatste. Verdachte is vanaf een aan de [straatnaam] gelegen parkeerterrein de [straatnaam] opgereden en bevond zich, evenals het slachtoffer, ten tijde van de aanrijding op de linker weghelft van de [straatnaam]. Het slachtoffer is voor verdachte van rechts gekomen. Verdachte, die in de tweede versnelling met lage snelheid reed, heeft niet geremd en is met zijn voertuig over het slachtoffer heengereden. Vervolgens is verdachte doorgereden en heeft zich ongeveer een half uur na de aanrijding op het politiebureau gemeld. Het slachtoffer was toen reeds overleden aan de verwondingen die hij door de aanrijding had bekomen. Uit het dossier en de door de rechtbank gehouden schouw volgt voorts dat verdachte vanaf het parkeerterrein en vervolgens rijdend op de [straatnaam] goed zicht had op het verkeer dat hem over de [straatnaam] en over de [straatnaam] (westzijde) naderde of voor hem langs reed en dat hij de fietser, gezien de zichtsituatie, goed heeft kunnen zien. Er is niet gebleken van enige omstandigheid die hem het zicht belemmerde.

Tot slot blijkt uit diverse verklaringen dat tussen verdachte en het slachtoffer sprake was van een langdurig conflict.

Verdachte heeft ontkend dat hij opzet, laat staan een vooropgezet plan had om het slachtoffer aan te rijden en hem aldus te doden. Hij heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien en dat sprake is geweest van een verkeersongeval.

De rechtbank is zich ervan bewust dat wanneer men de feiten op het eerste gezicht beschouwt, de gedachte opkomt dat het geen toeval kan zijn dat verdachte juist de man ten opzichte van wie hij jarenlange gevoelens van woede en misschien zelfs haat koesterde, heeft aangereden en overreden, met de dood tot gevolg.

Op de rechtbank rust echter de verplichting om voorbij die eerste indruk te kijken en te onderzoeken of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat bij verdachte opzet, of zelfs voorbedachte raad aanwezig is geweest, zodat van doodslag of moord gesproken kan worden.

Ten aanzien van de vraag of -ondanks de ontkenning van verdachte- bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg

-zoals hier de dood- aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049).

De rechtbank stelt voorop dat uit de verklaring van verdachte, noch uit verklaringen van getuigen, kan worden afgeleid wat er kort voor en ten tijde van de aanrijding in verdachte is omgegaan. Er is alleen de verklaring van verdachte dat hij in paniek raakte nadat hij plotseling werd geconfronteerd met een fietser en niet meer kon stoppen. Die verklaring wijst niet op opzet.

Vervolgens moeten de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, onder de loep worden genomen. De gedraging van verdachte waardoor het slachtoffer is overleden, bestaat uit het met een personenauto met lage snelheid aanrijden van het slachtoffer en hem vervolgens overrijden. De uiterlijke verschijningsvorm van deze gedraging duidt op zichzelf genomen – anders dan bijvoorbeeld het gericht schieten met een vuurwapen – eerder op een ongeval dan op opzet.

Dan zijn er nog de van de uiterlijke verschijningsvorm deel uitmakende omstandigheden dat de botsing heeft plaatsgevonden links van het midden op de weg, en dat verdachte na de aanrijding met zijn auto het slachtoffer heeft overreden. De rechtbank heeft tijdens de ter plaatse gehouden schouw waargenomen dat de door verdachte ingenomen positie op de weg (links van het midden) minder bevreemding wekt dan bij bestudering van het dossier. Dat heeft te maken met de inrichting van het kruispunt ([straatnaam], [straatnaam] en [straatnaam]), dat meer weg heeft van een plein, en het verloop van de [straatnaam] naar rechts, direct na de kruising met [straatnaam]. Dat het slachtoffer na de aanrijding is overreden, was volgens het door de Verkeersongevallenanalyse (VOA) uitgevoerde onderzoek vrijwel onontkoombaar. Uitgaande van een door verdachte gereden snelheid van 15 kilometer per uur en een reactietijd van 1 seconde, zou het voortuig in die ene seconde al een afstand van ongeveer 4,15 meter hebben afgelegd. Het is aannemelijk – op basis van de bevindingen van de VOA – dat het slachtoffer binnen die afstand van de auto op de weg is terechtgekomen.

Maken de omstandigheden waaronder deze aanrijding heeft plaatsgevonden dan dat desondanks moet worden aangenomen dat verdachte het opzet had het slachtoffer op deze wijze van het leven te beroven? De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Daarbij spelen de volgende aspecten een rol. In de eerste plaats, en dat is ook meteen het belangrijkste, heeft de rechtbank geen beeld gekregen van wat er direct aan de aanrijding is voorafgegaan. Er zijn geen getuigen die verdachte hebben zien vertrekken vanaf het parkeerterrein of die het slachtoffer hebben gezien kort voor de aanrijding. Het enige wat is vast te stellen is de rijroute van verdachte, en het feit dat het slachtoffer voor verdachte van rechts moet zijn gekomen. De snelheid van het slachtoffer, zijn exacte rijroute, zijn gedrag op de weg, zelfs of het slachtoffer fietste of met de fiets aan de hand liep, zijn niet duidelijk geworden. Nader onderzoek daarnaar is ook niet mogelijk, simpelweg omdat er geen getuigen zijn die daarover kunnen verklaren. Het blijft dus onduidelijk hoe de aanrijding precies tot stand is gekomen. In ieder geval kan niet op grond van de aanloop tot de aanrijding worden vastgesteld dat de aanrijding door verdachte is opgezocht.

In de tweede plaats is het bij nadere beschouwing niet zo opmerkelijk als het op het eerste gezicht lijkt dat verdachte en het slachtoffer elkaar op de bewuste plek zijn tegengekomen. Als buren die vrijwel dagelijks rond dezelfde tijd van huis vertrokken, was de kans daarop betrekkelijk groot, ondanks de inspanning die het slachtoffer zich volgens getuigen getroostte om een ontmoeting te voorkomen.

Ten derde heeft de rechtbank gekeken naar het gedrag van verdachte voorafgaand aan de aanrijding en na afloop daarvan. Verdachte is met zijn auto de straat uitgereden, teruggereden naar zijn woning, is opnieuw de straat uitgereden om de auto vervolgens te parkeren op het terrein van de Lidl met uitzicht op de woning van het slachtoffer. Dit gedrag en vooral de redenen die verdachte daarvoor heeft aangedragen roepen vragen op over de logica van verdachtes handelen. Zijn gedrag kan worden geïnterpreteerd als het afwachten van een kans en het zich op een strategische plek opstellen om vervolgens toe te slaan. Daar staat echter tegenover dat verdachte, een toen 81-jarige man, blijkens het onderzoeksrapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) lijdt aan lichte geheugenproblemen en moeite heeft het overzicht te houden bij het verrichten van zijn dagelijkse bezigheden. Dat kan een redelijke verklaring vormen voor het ogenschijnlijk onlogische gedrag van verdachte. Dat hij geen blijk geeft van medeleven voor het slachtoffer en zijn nabestaanden is schrijnend, maar kan niet leiden tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat er opzet in het spel is. Blijkens eerdergenoemd PBC-rapport wordt verdachte gekenmerkt door een gebrek aan empathie, maar dat betreft niet alleen het slachtoffer en zijn nabestaanden, maar evengoed anderen van wie verdachte vindt dat zij ‘slecht’ zijn. Dat is ook wel gebleken uit de door verdachte tijdens de terechtzitting van 19 mei 2017 afgelegde verklaring.

Alles overziend kan de rechtbank niet tot de conclusie komen dat het niet anders kan dan dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het scenario van een noodlottig ongeval is daarvoor niet onaannemelijk genoeg.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (de hem primair ten laste gelegde) moord dan wel (impliciet subsidiair ten laste gelegde) doodslag heeft begaan en zal zij verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de beoordeling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5322).

Voor de beoordeling van het rijgedrag van verdachte is -naast de reeds genoemde feiten en omstandigheden en bij gebreke van getuigen die hierover kunnen verklaren- de verklaring van verdachte omtrent zijn rijgedrag van belang. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaringen die verdachte hierover kort na zijn aanhouding heeft afgelegd, nu de inhoud daarvan past bij hetgeen in het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse staat beschreven over de botspositie van beide voertuigen.

Verdachte heeft destijds verklaard dat de fietser aan de rechterzijde van zijn auto reed en plotseling voor zijn auto langs linksaf sloeg en dat hij de fietser niet heeft gezien, totdat deze voor zijn auto kwam. Verdachte heeft ook verklaard dat hij toen hij het parkeerterrein afreed richting de [straatnaam] geen auto's of fietsers heeft gezien.

Uit het politieonderzoek is gebleken dat zowel verdachte als het slachtoffer zich ten tijde van de aanrijding op de linker weghelft bevonden. Er zijn echter geen getuigen die het slachtoffer voorafgaand aan de aanrijding hebben gezien. Dit maakt dat niet duidelijk is geworden op welk moment, op welke wijze en met welke snelheid de fietser op de linker weghelft terecht is gekomen, zodat de rechtbank -anders dan in het proces-verbaal van de VOA wordt aangenomen- niet kan vaststellen dat verdachte de fietser achterlangs had kunnen passeren als hij op de rechterzijde van de weg had gereden. De rechtbank zal de positie die verdachte op de weg heeft ingenomen daarom niet betrekken bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt desondanks wel tot het oordeel dat sprake is van schuld als omschreven in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Uit het politieonderzoek en de schouw is namelijk gebleken dat verdachte vanaf het parkeerterrein en vervolgens rijdend op de [straatnaam] onbeperkt zicht had op het verkeer dat hem over de [straatnaam] (en de parallelweg van de [straatnaam]) en de [straatnaam] (westzijde) naderde of voor hem langs reed en dat hij het slachtoffer, dat zich binnen verdachtes zichtveld moet hebben bevonden, had kunnen en moeten zien. Verdachte, die met een lage snelheid reed, heeft de fietser die zich voor hem bevond echter op meerdere momenten, te weten bij het verlaten van het parkeerterrein en het oprijden van de [straatnaam] én bij het naderen van de kruising van de [straatnaam] met [straatnaam], niet waargenomen en heeft op het moment dat hij de fietser wél zag, niet tijdig en adequaat gereageerd op het gedrag van zijn medeweggebruiker. Verdachte is aldus niet enkel gedurende een kort moment, maar -gelet op zijn lage snelheid- gedurende langere tijd en op meerdere momenten onoplettend en onvoorzichtig geweest. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte gelet op de plaats en het tijdstip waar hij zich bevond, te weten in de directe nabijheid van supermarkten op een moment dat deze al open waren, extra alert op winkelend publiek had moeten zijn.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 19 mei 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 21 maart 2016 te [pleegplaats], gemeente Dongeradeel, als bestuurder van een auto in aanrijding gekomen met een persoon, van wie ik nu weet dat het [slachtoffer] was. Ik kwam vanaf een parkeerterrein en reed de [straatnaam] op. Ik heb de fietser niet gezien. Ik hoorde lawaai en zag in mijn achteruitkijkspiegel een fietser op de weg liggen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 21 maart 2016, opgenomen op pagina 85 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016080348 d.d. 13 juni 2016, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik parkeerde op 21 maart 2016 op het parkeerterrein van de Lidl te [pleegplaats]. Ik stond hierbij met de voorzijde van de auto in de richting van de [straatnaam]. Ik ben hierna weer weggereden. Ik reed vooruit de [straatnaam] op en reed in de richting van de [straatnaam]. Ik reed in de tweede versnelling. Bij 40 of 50 kilometer per uur schakel ik naar de derde versnelling. Het was rustig op straat, er reed geen auto voor of achter mij. Ik reed niet snel. Vlak voor de kruising [straatnaam] en [straatnaam] kwam er rechts van de auto ineens een fietser voor de auto. Ik had de fietser niet eerder gezien. De fietser is langs de rechterkant van mijn auto gereden en sloeg plotseling linksaf voor mijn auto langs. Het eerste moment dat ik de fietser zag was het moment dat hij voor mijn auto kwam. Het volgende moment was dat ik zag, voelde en hoorde dat de fietser onder de auto kwam. Ik heb niet geremd. Vlak nadat ik doorgereden was, keek ik in de binnenspiegel van mijn auto en zag ik op straat een persoon en een fiets liggen. Ik besloot hierop rechtstreeks naar het politiebureau te rijden. Vlak voor de aanrijding, bij het vertrekken vanaf het parkeerterrein van de Lidl, heb ik geen fietser gezien.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 maart 2016, opgenomen op pagina 89 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben gestopt toen ik het terrein van de Lidl afreed. Ik keek en zag links en rechts geen auto's. Ik reed toen naar links en gaf normaal gas.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse d.d. 1 juni 2016, opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

De (hoofd-)rijbaan van de [straatnaam] was ter plaatse bestemd voor het verkeer in beide richtingen en bestond vooraf en ter hoogte van de ongevalslocatie uit één nagenoeg rechte rijbaan met een breedte (gemeten over de volledige breedte van het wegdek) van ongeveer 6,2 meter (zie foto 7). Aan de rechterzijde van de (hoofd-)rijbaan van de [straatnaam] bevond zich ten behoeve van de daar aangrenzende woningen een parallelweg met dezelfde benaming [straatnaam], die middels een tussenberm met variërende breedtes (en met lage groenvoorziening) was gescheiden van de hoofdrijbaan van de [straatnaam]. Kort voor de ongevalslocatie op het plein sloot deze parallelweg middels een zijstraat genaamd [straatnaam] aan de rechterzijde haaks aan op de hoofdrijbaan van de [straatnaam]. Aan de linkerzijde van de (hoofd-)rijbaan van de [straatnaam] bevond zich het parkeerterrein van de aldaar gevestigde supermarkt. Aan die linkerzijde van de [straatnaam] had het parkeerterrein twee verschillende in- en uitritten. De ongevalslocatie bevond ter hoogte van een pleinvormig kruispunt waar verschillende wegen elkaar kruisten. Het plein werd aan de

zuidzijde gevormd door de rijbaan van de [straatnaam] en werd zowel aan de noordzijde als

aan de oostzijde begrensd door [straatnaam]. Aan de zuidoostzijde vormde het plein een kruising

met de [straatnaam].

De bestuurder had gezien van het parkeerterrein goed zicht op het verkeer (zoals de fietser) dat over de [straatnaam] hem naderde of voor hem langs reed. Hij zal de betrokken fietser gezien de zichtsituatie ter plaatse zeker gezien kunnen hebben.

Door ons werden ter plaatse op de ongevalslocatie geen rem- en/of blokkeersporen ten aanzien van het ontstaan van dit ongeval aangetroffen.

Aan de hand van de aangetroffen schades kon een vrij nauwkeurige indicatie met betrekking tot de onderlinge botspositie van beide voertuigen worden verkregen. Gezien het schadebeeld is de voorzijde van de betrokken personenauto in botsing gekomen met de linkerzijde (flankbotsing) van de fiets. Gezien het schadebeeld is de betrokken fietser op het moment van de botsing niet of nagenoeg niet met het bovenlichaam op de motorkap van de aanrijdende personenauto terechtgekomen, maar is hij kennelijk ten gevolge van de botsing vrijwel direct met zijn fiets naar rechts voor de personenauto op het wegdek gevallen. Het bovenstaande impliceert dat de botssnelheid van de betrokken personenauto vrijwel zeker niet hoog kan zijn geweest.

De bestuurder van de personenauto is ongeveer ter hoogte van het begin van de aangetroffen krassporen op de linker weghelft van de [straatnaam] in botsing gekomen met de betrokken fietser. Hierbij is de personenauto gezien het schadebeeld voornamelijk met de rechtervoorzijde (voorbumper) in botsing gekomen met de linkerzijde (fietsslot/sleutel en

trapper) van de fiets. Vervolgens is de fietser nadat hij als gevolg van deze aanrijding voor de personenauto op de rijbaan ten val was gekomen overreden. Gelet op de lage snelheid en het zicht vooraf en tijdens het naderen van de ongevalslocatie kan niet worden verklaard waarom de bestuurder van de personenauto de fietser niet tijdig heeft waargenomen.

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, d.d. 26 mei 2016 opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog, voor zover inhoudende als verklaring:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op 14 augustus 1935 en overleden op 21 maart 2016 omstreeks 10.20 uur, is het volgende gebleken. [slachtoffer] is overleden als gevolg van algehele weefselschade en functieverlies van vitale organen door heftig bij leven opgelopen uitwendig inwerkend geweld op het lichaam. De letsels kunnen goed passen bij een aanrijding.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 21 maart 2016 te [pleegplaats], gemeente Dongeradeel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, aangezien hij, rijdend op de voor hem linker weghelft van die weg en terwijl hij [slachtoffer], zich vóór hem op die weg bevond, tijdig had kunnen en moeten waarnemen, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen en vervolgens over die [slachtoffer] is gereden, waardoor die [slachtoffer] werd gedood.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Subsidiair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest van 221 dagen, met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

Standpunt van de verdediging

Mr. de Man heeft bepleit dat in geval van bewezenverklaring van artikel 6 of 5 Wegenverkeerswet 1994 wordt volstaan met de oplegging van een taakstraf, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf. Verdachte is, komende vanaf een parkeerterrein en rijdende op een overzichtelijke weg, als bestuurder van een auto in aanrijding gekomen met een voor hem rijdende fietser en is vervolgens over hem heen gereden. Het slachtoffer is als gevolg van de aanrijding overleden. Na de aanrijding is verdachte doorgereden en heeft hij zich korte tijd later bij de politie gemeld.

Door zijn handelen is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht, zoals is gebleken uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen, en zij zullen moeten leven met het verlies van een dierbaar familielid.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het leed van de nabestaanden kan wegnemen, verlichten of ongedaan maken. Daarbij komt dat de nabestaanden ervan overtuigd zijn dat verdachte het slachtoffer heeft vermoord, terwijl de rechtbank dat niet bewezen acht. Alleen al om die reden zal de door de rechtbank op te leggen straf als veel te licht worden ervaren. De rechtbank heeft echter het bewezenverklaarde feit als uitgangspunt te nemen bij de keuze voor de op te leggen strafsoort en -maat.

Alles afwegend en gelet op de ernst van het feit, waaronder de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en bezien in het licht van de landelijke oriëntatiepunten voor vergelijkbare zaken, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen passend en geboden is. Voorts acht de rechtbank, gezien het rijgedrag van verdachte en de gevolgen daarvan, in het belang van de verkeersveiligheid een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar op haar plaats.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen personenauto, een Peugeot 605, verbeurd zal worden verklaard.

De rechtbank zal echter niet overgaan tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voorwerp, zodat dit voorwerp moet worden teruggegeven aan verdachte.

Benadeelde partij

Nabestaande [naam] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding betreffende schade van hem en andere nabestaanden. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.035,11 ter vergoeding van nog niet vergoede materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

De officier van justitie heeft tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij geconcludeerd, gelet op de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst.

De verdediging heeft, in geval van bewezenverklaring, eveneens afwijzing en subsidiair niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij bepleit.

De rechtbank is gebleken dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarin zij hebben afgesproken dat de omvang van de schade als gevolg van het verkeersongeval wordt vastgesteld op een bedrag van € 15.000,--, waarbij door de nabestaanden van het slachtoffer algehele en finale kwijting wordt verleend aan de verzekering en haar verzekerde, zijnde verdachte, voor alle geleden en te lijden schade en dat dit bedrag daadwerkelijk is betaald ter vergoeding van de schade. De rechtbank ziet derhalve geen ruimte voor toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en zal deze derhalve afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en impliciet subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 1 jaar.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, Peugeot 605.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] af.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en

mr. J. Teertstra, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2017.

Mr. Teertstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.