Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:2003

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16_4713
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van seksuele dienstverlening.

Eiser, een man met lichamelijke en mentale beperkingen, wenst vergoeding van kosten van seksuele dienstverlening. Het college heeft door een arts onderzoek laten doen. De arts concludeert dat op basis van de voorliggende gegevens noodzaak niet kan worden geobjectiveerd. Ten onrechte heeft het college geen nader onderzoek laten doen. Uitgangspunt is dat op college informatievergaringsplicht rust. Uitzondering daarop betreft de gegevens waarover eiser redelijkerwijs de beschikking heeft of kan verkrijgen. In dit geval kan van eiser niet redelijkerwijs worden gevergd zelf (nader) onderzoek te laten doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

Zaaknummer: LEE 16/4713

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2017 in het geding tussen

[eiser] , te [woonplaats] eiser

(gemachtigde: A.C. Bakker),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haren, verweerder

(gemachtigde: mr. G. van Weerden).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor een maaltijdvoorziening toegewezen en voor alternatieve seksuele dienstverlening afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegen-woordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, [geboortedatum] , is een ongehuwde, alleenstaande man, die zelfstandig woont met ondersteuning vanuit de [naam Stichting] . In 1976 heeft hij op zestienjarige leeftijd een brommer-ongeval gehad, waaraan hij neurologische restverschijnselen heeft overgehouden (halfzijdige verlamming, spasmen, beperkte inspanningstolerantie, evenwicht- en gevoelsstoornissen, kracht- en functieverlies). Eiser heeft ook psychische klachten, die zeer waarschijnlijk gerelateerd zijn aan het ongeval. Er is onder andere sprake van een licht verstandelijke handicap (niet aangeboren hersenletsel), het moeilijk kunnen inschatten en hanteren van sociale situaties, veel behoefte aan structuur, en problemen met contacten leggen en behouden. Eiser heeft last van oplopende seksuele spanningen naarmate hij zich langer van seks moet onthouden. Eiser heeft intensief getracht om een relatie te krijgen, onder andere via internetdating en relatiebemiddelingsbureaus, maar relaties zijn niet haalbaar gebleken.

Een seksuoloog tot wie hij zich in 2007/2008 heeft gewend heeft hem prostitueebezoek geadviseerd. Op dit moment heeft eiser eenmaal per twee maanden alternatieve seksuele dienstverlening van [naam dienstverlener] . Dit is een organisatie die mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking seksuele diensten verleend aan huis. Eiser bekostigt dit zelf. Thans maakt eiser vanwege zijn minimuminkomen, zijnde een WAO-uitkering en inkomsten uit arbeid (lager dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm), aanspraak op bijzondere bijstand om de kosten voor maandelijks gebruik van [naam dienstverlener] (ad € 170,- per keer) vergoed te krijgen. Op 10 februari 2016 heeft hij daartoe bijzondere bijstand aangevraagd.

2.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser geen bijzondere bijstand voor de seksuele dienstverlening van [naam dienstverlener] toegekend, omdat het niet om bijzondere nood-zakelijke kosten van het bestaan gaat, die niet kunnen worden voldaan uit de bijstands-norm. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 november 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:AJ9706).

2.2.

Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder [naam arts] , arts, verbonden aan de MO-zaak, verzocht om onderzoek te doen naar de vraag of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waaruit – samengevat – volgt dat (vergoeding van) de door [naam dienstverlener] verleende diensten nodig zijn. In zijn medisch rapport van 22 juni 2016 concludeert [naam van de arts] dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die vergoeding van [naam dienstverlener] nodig maken. De aard, de ernst en de impact van de seksuele problematiek van eiser valt niet te objectiveren. Evenmin is volgens hem duidelijk of er inmiddels wel een redelijk alternatief is dan wel eiser begeleid kan worden naar een andere manier van het bereiken van seksuele ontspanning.

2.3.

De commissie voor bezwaarschriften heeft verweerder geadviseerd om met inachtneming van een nader in te winnen advies van een gedragstherapeut of seksuoloog het primaire besluit al dan niet te herzien. Volgens de commissie is specifieke deskundigheid vereist omdat de arts van MO-zaak zelf concludeert dat de aard en de ernst van de problematiek niet valt te objectiveren. Artikel 3:9 in samenhang met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt mee dat verweerder zich niet, zonder nader advies, mag baseren op de voorliggende medische rapportage.

2.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – in afwijking met het advies – het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de arts van de MO-zaak in staat is de noodzaak tot bijstandsverlening in het individuele geval van eiser te kunnen bepalen. Echter, het ligt op de weg van eiser om een nieuw behandeltraject bij een psycholoog, seksuoloog of gedragsdeskundige op te starten aan de hand waarvan noodzaak voor dienstverlening als door [naam dienstverlener] kan blijken. Het al dan niet volgen van zo’n behandeltraject behoort tot de eigen keuze van eiser, aldus verweerder.

3. Eiser voert aan dat het gelet op de complexe problematiek noodzakelijk is om gezien te worden door een deskundige, die gespecialiseerd is in seksuele problematiek in combinatie met hersenletsel. Een arts van de MO-zaak is hierin niet gespecialiseerd. Het negatieve advies van de MO-zaak gaat ook voorbij aan een eerder (niet meer beschikbaar) advies van een seksuoloog van de [naam stichting] , waarin eiser werd geadviseerd om gebruik te maken van seksuele dienstverlening. Eiser voert tevens aan dat hij bij een nieuw behandeltraject door een gedragsdeskundige de kosten van de eigen bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet vanwege zijn beperkte draagkracht niet kan betalen.

4. Verweerder stelt zich bij verweerschrift op het standpunt dat de arts van de MO-zaak voldoende deskundig wordt geacht om te beoordelen of er in dit geval sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, waardoor de gevraagde kosten al dan niet als bijzonder noodzakelijk kunnen worden beschouwd. Verweerder is - met eiser - van mening dat het voor wat betreft de beoordeling van de ernst van de problematiek, de behandelmethoden en/of mogelijke alternatieven noodzakelijk is dat eiser wordt gezien door een deskundige die gespecialiseerd is in seksuele problematiek in combinatie met hersenletsel. Echter, de rechtspraak heeft bij herhaling aangegeven dat de kosten van seksuele dienstverlening niet behoren tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan. Afwijking van dit uitgangs-punt is slechts mogelijk indien zeer dringende redenen daartoe aanleiding geven. Op dit moment zijn er geen concrete gegevens aanwezig waaruit blijkt dat van zeer dringende redenen sprake is. Het ligt op weg van eiser om deze gegevens aan te reiken.
Eiser heeft zijn stelling dat de [naam stichting] dit in het verleden reeds heeft uitgezocht, niet onderbouwd. Voor zover eiser stelt dat hij een nog te starten behandeltraject vanwege de eigen bijdrage niet kan betalen, kan hij afzonderlijk bijzondere bijstand aanvragen. Voor het eigen risico is geen vergoeding mogelijk. De besluitvorming is zorgvuldig tot stand gekomen, aldus verweerder.

5. De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1.

Artikel 35 van de Participatiewet (Pw) bepaalt in welke gevallen aanspraak op bijzondere bijstand bestaat. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

5.2.

Gelet op hetgeen partijen verdeeld houdt, is in dit geding enkel de vraag aan de orde voor of de kosten tot vergoeding van de maandelijkse alternatieve seksuele dienstverlening noodzakelijk zijn. Het geschil heeft zich daarbij toegespitst op de vraag of het op de weg van verweerder dan wel op de weg van eiser ligt om nader onderzoek te laten doen ter beantwoording van deze vraag.

5.3.

Uitgangspunt is dat op grond van artikel 3:2 van de Awb op verweerder de verplichting rust tot vergaring van de voor de besluitvorming noodzakelijke informatie. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb is een (algemene) uitzondering hierop dat op een aanvrager de gegevens en bescheiden moet verschaffen die voor een beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Indien verweerder zich (in het kader van vergaring van informatie die voor de besluitvorming nodig is) laat adviseren dient hij zich er op grond van artikel 3:9 van de Awb van te vergewissen dat het onderzoek door de adviseur op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

5.4.

In het medisch advies van 22 juni 2016 stelt de medisch adviseur dat hij niet kan vaststellen dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die vergoeding van [naam dienstverlener] nodig maken, omdat de aard, de ernst en de impact van de seksuele problematiek van eiser niet is te objectiveren. Het advies sluit derhalve niet uit dat de dienstverlening van [naam dienstverlener] voor eiser noodzakelijk is. Evenmin sluit het advies uit dat de dienstverlening niet noodzakelijk is. De door verweerder gestelde onderzoeksvraag is – kort gezegd – in het advies niet beantwoord. Gelet op artikel 3:9 van de Awb had verweerder dan ook moeten vaststellen dat het onderzoek dat aan het advies ten grondslag heeft gelegen, niet voldoende zorgvuldig is geweest omdat de adviseur zich geen moeite heeft getroost zelfstandig dan wel door inschakeling van specifieke expertise alsnog een inhoudelijk oordeel te vormen over de aan hem gestelde vraag. Aangezien verweerder zich kennelijk zonder advies niet voldoende toegerust achtte om de noodzakelijkheid van bijzondere bijstand vast te stellen ligt het in de eerste plaats op de weg van verweerder om (aanvullend) advies in te winnen van een deskundig adviseur, zoals een gedragskundige of seksuoloog, om de aard, ernst en impact van de seksuele problematiek vast te stellen.

Anders dan de verweerder ingang wil doen vinden ligt dit niet op de weg van eiser. Van hem kan, naar het oordeel van de rechtbank, in de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijs worden gevergd zelf de beschikking te verkrijgen over stukken op grond waarvan de noodzaak voor deze dienstverlening wordt geobjectiveerd. Van belang daarbij acht de rechtbank dat eiser niet over de middelen beschikt om nader onderzoek te laten uitvoeren en dat verweerder, door inschakeling van een adviseur, dit onderzoek naar zich heeft toegetrokken.
Het advies van verweerder aan eiser om zich (opnieuw) onder behandeling te stellen van seksuoloog of gedragstherapeut en dat verweerder in zo’n geval bijzondere bijstand ter vergoeding van de eigen bijdrage welwillend zal bekijken, acht de rechtbank niet passend. Eiser heeft duidelijk aangegeven dat hij zich niet opnieuw onder behandeling wil stellen, omdat hij dit niet zinvol vindt. Van eiser kan niet worden gevraagd zich tegen zijn zin onder behandeling te laten stellen met als enkele bedoeling in het kader van die behandeling de beschikking te verkrijgen over geobjectiveerde informatie ten behoeve van de vaststelling van de noodzaak van bijzondere bijstand.

5.5.

Het beroep van verweerder op verschillende uitspraken waarin geen noodzaak voor vergoeding van dit type dienstverlening is aangenomen, faalt. In de door verweerder aangehaalde gevallen is, anders dan in het onderhavige geval, sprake van een inhoudelijke taxatie van een arts of (andere) deskundige omtrent de noodzaak van de dienstverlening. Dit geval kenmerkt zich erdoor dat de arts zich heeft beperkt tot de conclusie dat de noodzaak niet kan worden geobjectiveerd.

5.6.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd in verband met schending van artikelen 3:2, 3:9 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat zij daartoe niet over voldoende gegevens beschikt. Verweerder zal eerst een nader specialistisch onderzoek moeten laten verrichten naar de aard van de seksuele problematiek van eiser door een gedragsdeskundige of een seksuoloog alsmede naar de in zeer bijzondere individuele omstandigheden gelegen noodzaak tot het maandelijks gebruik van [naam dienstverlener] en/of naar de eventuele aanwezigheid van een redelijk alternatief van seksuele ontspanning, alvorens een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser aangezien geen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

zijn gemaakt.

7. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming

van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en beslist;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.G. Wijnands, rechter, in aanwezigheid van

B. de Vogel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2017.

De griffier, De rechter,

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.