Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1986

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
18/830189-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijke vrijheidsberoving en tweemaal eenvoudige mishandeling

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830189-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 mei 2016, in de gemeente Delfzijl, op de openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de

afgifte van een portemonnee en/of een hoeveelheid geld, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld

en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

mededader(s)

- voornoemde [slachtoffer1] heeft/hebben gedwongen met verdachte en/of zijn

mededader(s) mee te lopen naar een woning waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) die [slachtoffer1] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd

"Jij gaat met ons mee anders steken we je neer en geven jou klappen" en/of

"Als je niet meewerkt dan zullen je ouders je morgen niet meer zien" en/of "we

slaan je dood" en/of "Loop mee anders krijg je flinke klappen", althans

(telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- voornoemde [slachtoffer1] heeft/hebben geslagen, en/of

- voornoemde [slachtoffer1] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Wij

willen ons geld" en/of "Geef me je portemonnee broer" en/of "Als je nu niet je

geld geeft dan klap ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

2.

hij op of omstreeks 15 mei 2016, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer1]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s)

- voornoemde [slachtoffer1] gedwongen met verdachte en/of zijn mededader(s)

mee te lopen naar een woning waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer1]

dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd "Jij gaat met ons mee

anders steken we je neer en geven jou klappen" en/of "Als je niet meewerkt dan

zullen je ouders je morgen niet meer zien" en/of "we slaan je dood" en/of "Loop

mee anders krijg je flinke klappen", althans (telkens) woorden van gelijke

dreigende aard of strekking, en/of

- voornoemde [slachtoffer1] geslagen, en/of in elk geval die [slachtoffer1]

gedurende langere tijd (tegen zijn wil) meegevoerd en/of met gebruikmaking van

zijn/hun psychisch en/of getalsmatig overwicht op die [slachtoffer1], een

dusdanige situatie gecreëerd waardoor die [slachtoffer1] belet werd zijn eigen beweginsgvrijheid te bepalen en/of zich te onttrekken aan de intimiderende en

bedreigende invloedssfeer van verdachte en/of zijn mededader(s),

en aldus die [slachtoffer1] (telkens) heeft belet te gaan waarheen hij zich

wilde begeven;

3.

hij op of omstreeks 15 mei 2016, in de gemente Delfzijl, [slachtoffer2] heeft

mishandeld door die [slachtoffer2] meerdere malen, althans eenmaal, tegen/op het hoofd,

althans het lichaam, te slaan;

4.

hij op of omstreeks 15 mei 2016, in de gemeente Delfzijl, [slachtoffer3]

heeft mishandeld door die [slachtoffer3] te slaan en/of te stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer1] van zijn vrijheid heeft beroofd door hem te dwingen mee te lopen naar het huis van de grootouders van [slachtoffer2] (feit 2). Uit de in de aangifte en de verklaring van [naam] geschetste omstandigheden blijkt dat bij die vrijheidsberoving sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Er is op grond van de aangifte, de verklaring van [naam] en de verklaring van medeverdachte [naam] eveneens wettig en overtuigend bewijs dat het slachtoffer onderweg door verdachte en zijn medeverdachte is afgeperst (feit 1). Verdachte heeft voorts een bekentenis afgelegd ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer2] (feit 3). De mishandeling van [slachtoffer3] kan tot slot wettig en overtuigend worden bewezen op grond van de aangifte en de verklaring van [slachtoffer2] (feit 4).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 4 ten laste gelegde en bij feit 2 van het onderdeel 'slaan'. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft ontkend dat hij bij afpersing van [slachtoffer1] betrokken of daarvan op de hoogte is geweest. Hij heeft dit pas achteraf gehoord van de politie. De aangever wijst de medeverdachte als dader van dit feit aan. Dat verdachte wél op de hoogte zou zijn geweest van de afpersing volgt enkel uit de aangifte en komt niet terug in de verklaring van [naam]. Het is ook niet logisch dat verdachte bij de afpersing betrokken is geweest, omdat zijn doel was om zijn geld van [slachtoffer3] terug te krijgen. Met dat doel is hij ook doorgelopen naar het adres waar [slachtoffer3] zich bevond. Als hij zijn geld al terug zou hebben gekregen, zou er geen reden meer zijn geweest om nog naar [slachtoffer3] te gaan.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangegeven dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte [slachtoffer1] heeft geslagen, nu dit niet uit de aangifte van [slachtoffer1] volgt.

De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat er voor feit 4 weliswaar wettig bewijs is, maar dat dit bewijs niet overtuigt. Dit bewijs bestaat immers slechts uit de verklaringen van de aangever en van [slachtoffer2], die niet worden ondersteund door verklaringen van onafhankelijke getuigen zoals de beveiligers die tussenbeide zijn gekomen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Verdachte heeft uitdrukkelijk iedere betrokkenheid bij of wetenschap van de afpersing van [slachtoffer1] ontkend. [slachtoffer1] heeft blijkens zijn aangifte de medeverdachte als dader van dit feit aangewezen en heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij zijn geld van [slachtoffer2] terug zou krijgen. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte op enig moment kennis heeft gehad van afpersing van [slachtoffer1] door de medeverdachte. Dat verdachte bij de afpersing betrokken is geweest en waaruit die betrokkenheid dan bestaat kan op basis van de aangifte echter niet worden vastgesteld. Ook de verklaring van [naam] biedt daarvoor geen houvast. Naar het oordeel van de rechtbank staat niet vast dat verdachte, hoewel hij in de nabijheid van het slachtoffer zal zijn geweest, een aandeel van voldoende gewicht heeft gehad in de afpersing van [slachtoffer1].

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 mei 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 mei 2016, opgenomen op pagina 159 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016180939 d.d. 28 juni 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer1].

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 mei 2016, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 mei 2016, opgenomen op pagina 151 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer2].

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 mei 2016, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam].

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 mei 2016, opgenomen op pagina 134 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam].

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [slachtoffer1] tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving ook heeft geslagen, nu [slachtoffer1] hierover zelf niets heeft verklaard en verdachte dit ter zitting heeft ontkend. Verdachte zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 mei 2016, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer3]:

Op 15 mei 2016 ging ik samen met [slachtoffer1], [slachtoffer2], [verdachte] en vrienden van [verdachte] naar [bedrijfsnaam], gelegen aan de [straatnaam] te Delfzijl. Er ontstond een discussie en ik zag dat [verdachte] boos was. Ik voelde dat ik meerdere klappen op mijn hoofd kreeg. Hierdoor voelde ik pijn.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 mei 2016, opgenomen op pagina 151 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer2]:

Ik zag dat [verdachte] op het hoofd van [slachtoffer3] sloeg. [verdachte] werd tegengehouden door enkele mensen. Toen we bij de garderobe waren en onze jassen pakten kwam [verdachte] er weer aan. [verdachte] pakte [slachtoffer3] bij zijn capuchon vast en met zijn andere hand sloeg [verdachte] op zijn hoofd. [verdachte] sloeg met zijn vuist. Dat deed hij iedere keer als hij [slachtoffer3] sloeg. Ik zag dat [verdachte] redelijk hard sloeg.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Zowel [slachtoffer3] als [slachtoffer2] hebben verklaard dat verdachte [slachtoffer3] meermalen tegen het hoofd heeft geslagen. [slachtoffer2] heeft aangegeven dat dit met de vuist gebeurde. Het verweer van de raadsman dat deze verklaringen geen overtuigend bewijs vormen, omdat zij niet worden ondersteund door een verklaring van een (onafhankelijke) beveiliger wordt door de rechtbank verworpen. De verklaringen van [slachtoffer3] en [slachtoffer2] komen op belangrijke punten met elkaar overeen, zodat er geen aanleiding is om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van voornoemde verklaringen daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer3] meermalen met de vuist heeft geslagen en aldus heeft mishandeld.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 15 mei 2016, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededader

- voornoemde [slachtoffer1] gedurende langere tijd tegen zijn wil meegevoerd en met gebruikmaking van hun getalsmatig overwicht op die [slachtoffer1], een dusdanige situatie gecreëerd waardoor die [slachtoffer1] belet werd zijn eigen bewegingsvrijheid te bepalen en zich te onttrekken aan de intimiderende en bedreigende invloedssfeer van verdachte en zijn mededader,

en aldus die [slachtoffer1] telkens belet te gaan waarheen hij zich wilde begeven;

3.

hij op 15 mei 2016, in de gemeente Delfzijl, [slachtoffer2] heeft mishandeld door die [slachtoffer2] eenmaal tegen het hoofd te slaan;

4.

hij op 15 mei 2016, in de gemeente Delfzijl, [slachtoffer3] heeft mishandeld door die [slachtoffer3] te stompen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

3. Mishandeling.

4. Mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier heeft bij deze eis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de documentatie van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een onvoorwaardelijke werkstraf. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte zwaar moeten meewegen bij de strafmaat. Verdachte is slachtoffer geweest van een zeer ernstig zedenmisdrijf en is daardoor beschadigd. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten is dit misdrijf uitgekomen en heeft de politie een onderzoek gestart, als gevolg waarvan verdachte uit balans is geraakt. Verdachte heeft in verband hiermee gesprekken gevoerd met een psycholoog. Verdachte is voorts al zwaar gestraft voor zijn fouten doordat hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zijn opleiding aan de [schoolnaam] in Delfzijl niet heeft kunnen afmaken en ook niet aan een andere instelling heeft kunnen vervolgen. Zijn toekomstperspectief is daarmee in duigen gevallen. Vervolgens is verdachte zijn inkomstenbron (studiefinanciering) kwijtgeraakt, zijn er schulden ontstaan en heeft hij ternauwernood zijn huis kunnen behouden. Pas sinds kort heeft verdachte zijn leven weer op orde en maakt hij plannen voor de toekomst. Hij heeft zicht op een baan als rigger (begeleider van kranen).

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 15 mei 2016 samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van een klasgenoot door hem te verplichten mee te lopen naar de woning van de grootouders van een vriend en heeft daarnaast twee andere mensen met wie hij die nacht uitging (waaronder een tweede klasgenoot) mishandeld. Verdachte heeft deze feiten begaan uit woede over geld dat hij niet zou hebben teruggekregen, zonder na te denken over de gevolgen van zijn handelen voor zijn slachtoffers. Deze gevolgen zijn met name voor het slachtoffer van de vrijheidsberoving zeer ingrijpend geweest. Het slachtoffer beschrijft dat hij in een nachtmerrie is terechtgekomen en heeft gevreesd voor zijn leven. Hij had nooit verwacht dat hij verdachte, die hij kende als zijn klasgenoot, op deze gewelddadige wijze zou meemaken. Ook nadien heeft het voorval veel impact op hem gehad.

Bij wederrechtelijke vrijheidsberoving past in beginsel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ter zitting naar voren zijn gekomen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Verdachte heeft al zwaar geboet voor zijn daden doordat hij zijn opleiding aan de [schoolnaam] in Delfzijl niet heeft kunnen afmaken en ‒ zoals het er naar uitziet ‒ ook niet bij een andere onderwijsinstelling zal kunnen afronden. Verdachte is daardoor financieel in de problemen gekomen en heeft zijn toekomstperspectief drastisch zien veranderen. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten een moeilijke periode doormaakte doordat de politie een onderzoek was gestart naar een zedenmisdrijf waarbij hij als slachtoffer was betrokken. Verdachte heeft inmiddels de draad weer opgepakt en is bezig vorm te geven aan zijn toekomst. De rechtbank acht het van belang dat de op te leggen straf hieraan niet in de weg staat. De rechtbank zal daarom naast een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet te boven gaat, volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van de maximale duur.

Benadeelde partij

[slachtoffer1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 80,00 ter vergoeding van materiële schade en € 1150,00 ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen en dat verdachte met de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling daarvan. Voorts heeft hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schade kan worden toegewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van de benadeelde partij (feit 1). Nu de gevorderde materiële schade op deze afpersing ziet, zal de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom voor dit deel (€ 1150,00) worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2016.

Hoewel vaststaat dat verdachte het feit samen met de medeverdachte heeft gepleegd, zal de rechtbank niet bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de immateriële schade, nu uit de vordering van de benadeelde partij onvoldoende blijkt dat deze zich ook tot de medeverdachte richt.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 250 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 4 maanden zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde feit toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1150,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer1] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] te betalen een bedrag van € 1150,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1150,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Gerding, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.