Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1879

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
18/996510-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Parga. Belastingfraude, valsheid in geschrifte en witwassen. De Noordelijke Fraudekamer acht bewezen dat verdachte een groot deel van de winst die hij maakte met zijn gastouderbureau niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst. Het geld dat hij buiten de aangiftes hield, heeft hij in onroerend goed gestoken. Daarmee heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan witwassen. Bovendien heeft verdachte vervalste stukken gebruikt, zowel in het kader van het boekenonderzoek van de Belastingdienst als bij het aanvragen van een hypotheek. In samenhang bezien rechtvaardigen deze feiten een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege het tijdsverloop, het feit dat verdachte geen strafblad heeft en de rechtbank ook de verbeurdverklaring zal uitspreken van de met zwart geld aangekochte onroerende goederen, zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 62
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1375
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/996510-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 24 mei 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 oktober 2015, 12 december 2016, 8 mei 2017 en 9 mei 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Vahl, advocaat te Barneveld. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.H.J. Bollen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 juli 2011, te [pleegplaats] en/of [pleegplaats] , in elk geval in Nederland,

als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en/of bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, deze in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld,

immers heeft hij toen en aldaar een overzicht van bij- en/of afschrijvingen van de rekening [rekeningnummer] (over de periode vanaf 10 december 2008 tot en met 4 mei 2010, D-021) voor raadpleging beschikbaar gesteld en/of laten en/of doen stellen aan de Belastingdienst (ter controle van de aangifte(n) inkomstenbelasting over het jaar/ de jaren 2009 en/of 2010) en bestaande de valsheid en/of vervalsing hierin dat op dat overzicht (D-021):

- een bijschrijving van 6.118 euro (22 juni 2009, JAN-JUL NR. 194436676T900011

KINDEROPVANG 2009 ( [naam] )) ontbreekt (AH-06F, p. 929), en/of

- een afschrijving van 6.000 euro (26 juni 2009, Hr [naam] [plaats]

Reservering [naam] ) ontbreekt (AH-06F, pag. 929), en/of

- een afschrijving van 222,60 euro (22 maart 2010, Mw [naam] [plaats]

Uitbetaling gastouder Juni 2009) ontbreekt (AH-06F, pag. 953), en/of

- ( p. 1800) een afschrijving van 1.100 euro (22 maart 2010, [naam]

Nabetaling 2009 gastouder) vermeld, terwijl er in werkelijkheid een

afschrijving van 690 euro (22 maart 2010 [naam] Nabetaling 2009

gastouder (in verhouding), AH-06F, pag. 953) is gedaan, en/of

- een afschrijving van 22.000 euro (22 maart 2010, Hr [naam] [plaats]

Reservering) ontbreekt (AH-06F, p. 953);

2.

hij op of omstreeks 5 maart 2012 en/of 8 maart 2012, te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) (D-110 en/of D-111 en/of D-112 en/of D-113 en/of D-114 en/of D-115 (pag. 2237 e.v.)) en/of bankafschrift (D-030, pag. 1918), -(elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar voornoemd(e) geschriften heeft verzonden naar [naam] (D-135, pag. 2318 en/of D-030A, pag. 1919), bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- die factu(u)r(en) (D-110 en/of D-111 en/of D-112 en/of D-113 en/of D-114

en/of D-115) niet (afkomstig) zijn van [naam] en/of

de vermelde kosten nimmer zijn gefactureerd (aan [naam] ),

en/of

- op dat bankafschrift (D-030) een overboeking van 128.000 euro (5 november

2011, [naam] Depot-betaling) is vermeld,

terwijl die overboeking (toen) niet heeft plaatsgevonden (AH-06F, pag. 991)

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 02 januari 2009 tot en met 3 januari 2012 te [pleegplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een of meerdere voorwerp(en), te weten

- een of meer geldbedrag(en) (heeft) verworven en/of (heeft) overgedragen, en/of

- ( een (recreatie)woning op) het perceel [naam] ' te [plaats] , en/of

- de onroerende zaak [nummer] te [plaats] ( Oostenrijk ), (heeft) verworven en/of (heeft) omgezet en/of gebruik van (heeft) gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 02 januari 2009 tot en met 3 januari 2012 te [pleegplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meerdere voorwerp(en), te weten

- een of meer geldbedrag(en) (heeft) verworven en/of (heeft) overgedragen, en/of

- ( een (recreatie)woning op) het perceel ' [naam] ' te [plaats] , en/of

- de onroerende zaak [nummer] te [plaats] ( Oostenrijk ), (heeft) verworven en/of (heeft) omgezet en/of gebruik van (heeft) gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 02 januari 2009 tot en met 3 januari 2012 te [pleegplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan vraagouder(s), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welke geldbedragen/goederen verdachte en/of zijn

mededader(s) telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als eigenaar van [naam] en/of [naam] , in elk geval anders dan door misdrijf, te weten als kinderopvangtoeslag, onder zich had(den), telkens wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend en/of doen/laten toe-eigenen;

4.

hij op of omstreeks 14 april 2010 en/of 29 maart 2011, te [pleegplaats] en/of [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over de jaren/ het jaar 2009 en/of 2010 onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der

belastingen/Belastingdienst Apeldoorn, terwijl die feiten/dat feit er toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan,

- dat in de (elektronische) aangifte(n) betreffende 2009 een te laag bedrag

bij netto omzet (106.480 euro, D-015, p. 1739) was vermeld en/of

- dat in de (elektronische) aangifte(n) betreffende 2010 een te laag bedrag

bij netto omzet (154.502 euro, D-016, p. 1745) was vermeld en/of

- dat in de (elektronische) aangifte(n) betreffende 2009 en/of 2010 een te

laag bedrag te betalen inkomstenbelasting was vermeld.

Uitleg dagvaarding

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangegeven dat de tenlastelegging kennelijk is toegesneden op artikel 69 lid 2 en 68 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna Awr). Nu in de tekst van de tenlastelegging het opzet ontbreekt en tevens niet is opgenomen dat het feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven (het zogenaamde strekkingsvereiste), zou dit tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging moeten leiden, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dat de Awr ter zake van het niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan een overtredingsvariant (artikel 68 Awr) en een misdrijfvariant (artikel 69 Awr) kent. Bij de overtredingsvariant is geen opzet vereist en behoeft niet voldaan te zijn aan het strekkingsvereiste. Nu in de tekst van de tenlastelegging geen opzet is opgenomen en eveneens niet dat het feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, gaat de rechtbank er vanuit dat de officier van justitie heeft beoogd aan verdachte de overtreding van artikel 68 Awr ten laste te leggen. Dat onderaan de tenlastelegging artikel 69 lid 2 Awr is vermeld doet daaraan niet af.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging vanwege schending van de redelijke termijn in combinatie met schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Verdachte is niet onverwijld op de hoogte gesteld van de aard en de reden van de beschuldiging: de dagvaarding is algemeen en summier, hetgeen in combinatie met het omvangrijke dossier haast onwerkbaar is. Verder werd een behoorlijke voorbereiding van de verdediging bemoeilijkt doordat de beschikbare informatie fragmentarisch stukje bij beetje op (regie) zittingen is aangeleverd.

De rechtbank overweegt dat schending van de redelijke termijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad nimmer kan leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Wel kan volgens de Hoge Raad sprake zijn van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in uitzonderlijke gevallen bij een inbreuk op de verdedigingsrechten die van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.1 Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in casu geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier reeds geruime tijd in het bezit is van de verdediging, dat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord en een fiscaal deskundige is benoemd die een rapportage heeft opgesteld. Ter terechtzitting is de beschuldiging uitgebreid met verdachte besproken, waarbij is gebleken dat hij begreep waarvan hij wordt beschuldigd en dat hij het dossier inhoudelijk goed kent. Weliswaar is door de officier van justitie tijdens de laatste zitting nog nadere informatie ingebracht, maar de rechtbank heeft verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld deze informatie te bestuderen ten einde daaromtrent een standpunt in te kunnen nemen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat inbreuk is gemaakt op verdedigingsrechten, zodat de rechtbank het verweer van de raadsman zal passeren en zij de officier van justitie ontvankelijk acht in de vervolging.

Beroep op bewijsuitsluiting

Door de raadsman is aangevoerd dat de door verdachte aan de Belastingdienst verstrekte tekstfiles van bankafschriften van het bewijs moeten worden uitgesloten, nu verdachte voorafgaand aan de verstrekking daarvan niet op zijn rechten is gewezen, zoals bijvoorbeeld het recht om te zwijgen.

De rechtbank overweegt dat door de heer [naam] , controlemedewerker van de Belastingdienst, meerdere getuigenverklaringen zijn afgelegd over het onderzoek naar de door verdachte gedane aangiftes inkomstenbelasting 2009 en 2010. [naam] heeft onder meer verklaard dat hij in het kader van een controleonderzoek verdachte via een brief van 5 juli 2011 op administratieve tekortkomingen heeft gewezen. Naar aanleiding van deze brief heeft verdachte op 25 juli 2011 onder meer de betreffende tekstfiles aan de Belastingdienst verstrekt. Eerst nadat de tekstfiles waren ontvangen en door de Belastingdienst bankafschriften waren opgevraagd, ontstond het vermoeden van strafbare feiten en is de zaak overgedragen aan de FIOD. De rechtbank is van oordeel dat, nu uit de verklaringen van [naam] duidelijk blijkt dat aanvankelijk sprake was van een controleonderzoek en de verdenking van strafbare feiten pas is ontstaan nadat [verdachte] de tekstfiles heeft overgelegd, niet gezegd kan worden dat hij voorafgaand hieraan op zijn (strafvorderlijke) rechten gewezen had moeten worden. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is dus geen sprake, zodat de rechtbank reeds om die reden niet over zal gaan tot bewijsuitsluiting van de tekstfiles.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen nu daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. De door de raadsman in zijn pleitnota opgeworpen punten worden hieronder door de rechtbank besproken.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Verdachte heeft tussen 2008 en 2011 in de vorm van een eenmanszaak een gastouderbureau onder de naam [naam] geëxploiteerd. Verdachte heeft verklaard dat de exploitatie van de onderneming per 31 december 2010 is gestaakt2; per 31 december 2011 is de onderneming formeel opgeheven.3

Op 24 juni 2011 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek bij de onderneming ingesteld. Uit dit onderzoek bleek onder meer dat verdachte niet of nauwelijks een papieren administratie had bijgehouden en dat de administratie die naar zijn zeggen middels de computer werd bijgehouden niet meer benaderbaar was.4 Verdachte heeft verklaard dat zijn computer in maart 2011 gecrasht was, dat hij geen reservebestanden had gemaakt en dat hij op basis van andere gegevens (zoals e-mails) getracht heeft om zijn administratie te reconstrueren.5

Aangiftes inkomstenbelasting 2009 en 2010

Verdachte heeft blijkens de stukken6 op 13 april 2010 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting over het jaar 2009 en op 28 maart 2011 over het jaar 2010. In de aangifte over het jaar 2009 heeft verdachte opgegeven dat hij met zijn éénmanszaak [naam] een omzet van € 106.480,-- heeft behaald, met een nettowinst van € 11.765,--. Over 2010 gaat het om respectievelijk € 154.502,-- en € 18.107,--.

De Belastingdienst heeft aan de hand van de opgevraagde bankafschriften van de zakelijke rekening van de onderneming [rekeningnummer] ) vastgesteld dat in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een bedrag van € 174.529,27 is ontvangen en een bedrag van € 93.301,98 in relatie tot het gastouderbureau is uitgegeven. Over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 gaat het om respectievelijk € 894.370,75 en

€ 604.945,01. Gecorrigeerd voor enkele andere kostenposten zou de nettowinst op basis van de bankafschriften over 2009 € 79.027,29 hebben bedragen en over 2010 € 287.925,747, aanzienlijk hogere bedragen dan door verdachte in zijn aangiftes is opgenomen.

De accountant van verdachte, de heer [naam] , heeft zich in een door de verdediging overgelegd rapport (onder meer) op het standpunt gesteld dat verdachte de aangiftes heeft ingediend op basis van een pleitbaar standpunt, dat kort gezegd inhoudt dat de winst niet werd genomen op het moment dat de kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst was uitbetaald op de rekening van het gastouderbureau, het geld (minus de provisie voor het gastouderbureau) was doorbetaald aan de gastouder en de kinderopvang was verleend, maar pas op het moment dat de beschikkingen kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst definitief waren vastgesteld, hetgeen in sommige gevallen – bijvoorbeeld bij vraagouders die als zelfstandige werkzaam waren – meerdere jaren in beslag kon nemen. Door het onderzoek naar de juistheid van de aangiftes te beperken tot de jaren 2009 en 2010 en de winstneming in latere jaren daar niet bij te betrekken, heeft de Belastingdienst, zo stelt de accountant, ten onrechte de conclusie getrokken dat de wijze van aangifte doen ertoe heeft geleid dat te weinig belasting is geheven.8 De verdediging heeft onder verwijzing naar dit rapport betoogd dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste zoals bedoeld in artikel 69 lid 2 Awr en dat daarnaast niet kan worden bewezen dat verdachte (al dan niet in voorwaardelijke zin) opzet had op het doen van een onjuiste belastingaangifte.

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat vaststelling van de exacte financiële stand van zaken ernstig wordt bemoeilijkt door het feit dat verdachte op volstrekt inadequate wijze zijn administratie heeft gevoerd. Het is nauwelijks voorstelbaar dat een serieuze ondernemer, die werkt met geldstromen van een omvang als hier het geval is, alle papieren onderbouwing van financiële transacties vernietigt en vertrouwt op het opslaan van gegevens op een computer, zonder daarvan reservekopieën te maken. Een dergelijke handelswijze is overigens zonder meer in strijd met de administratieverplichting zoals neergelegd in artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek. Verdachte heeft deze vaststelling bovendien extra gecompliceerd door in eerste instantie onjuiste tekstfiles en vervangende bankafschriften over te leggen. De rechtbank zal op dat laatste hieronder nog nader ingaan.

Eén en ander maakt dat het nalopen van de (originele) bankafschriften van de zakelijke rekening over 2009 en 2010 feitelijk de enige mogelijkheid voor de Belastingdienst was om inzicht te kunnen krijgen in de vermogenstoestand van de onderneming. Hoewel deze benadering enig risico in zich bergt dat hierdoor ook enkele (vooruit- en na-)betalingen in het onderzoek worden betrokken die betrekking hebben op 2008 en 2011, geeft dit niettemin naar het oordeel van de rechtbank in grote lijnen wel een realistisch beeld van de ontvangsten en uitgaven over deze beide jaren.

In lijn met het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige9, stelt de rechtbank vast dat als omzet van het gastouderbureau dient te worden aangemerkt het verschil tussen de over deze jaren ontvangen bedragen aan kinderopvangtoeslag en de uitgaven die in het betreffende jaar in relatie hiermee zijn gedaan (dat wil zeggen, de doorbetaling van een deel van deze toeslag aan de gastouders). Na aftrek van diverse ondernemingskosten (die blijkens de aangiftes slechts een fractie besloegen van de omzet) resulteert dan de belastbare winst.

Vast staat dat verdachte in zijn aangiftes over 2009 en 2010 geen opgave heeft gedaan van de veel hogere bedragen aan omzet en winst die op basis van de bankafschriften kunnen worden vastgesteld. De stelling van de verdediging dat verdachte dit niet opzettelijk heeft gedaan omdat hij meende (en als pleitbaar standpunt kon menen) dat hij met een groot deel van deze bedragen pas rekening hoefde te houden na de definitieve vaststelling van de beschikkingen kinderopvangtoeslag, en dat de Belastingdienst door het hanteren van deze gedragslijn uiteindelijk niet tekort is gekomen, faalt. Los van de vraag of een dergelijke systematiek (die in de visie van de deskundige in strijd is met de gangbare verslaggevingsnorm10 en die naar eigen zeggen van verdachte afwijkt van hetgeen overigens gangbaar is in de branche11) pleitbaar zou kunnen worden geacht, mist deze stelling feitelijke grondslag. De rechtbank heeft kennisgenomen van de aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2011, 2012 en 201312, waaruit blijkt dat verdachte in 2011 een omzet van ruim € 138.000,-- en een winst van ruim € 49.000,-- heeft aangegeven en in de jaren daarna geen inkomsten meer uit onderneming. De bedragen zoals die blijken uit de bankafschriften over 2009 en 2010 (die inhouden dat er alleen al over die jaren in totaal een nettobedrag is ontvangen van ruim

€ 365.000,--) zijn dus nimmer in een aangifte verwerkt.

De rechtbank wijst er verder op dat de aangiftes over 2009 en 2010 (evenals de - daarvan overigens substantieel afwijkende - gereconstrueerde aangiftes die door de accountant zijn opgesteld) gebaseerd zijn op een in rekening gebracht bedrag aan bemiddelingskosten van

€ 0,65 tot 0,80, zijnde het verschil tussen de destijds door de overheid vastgestelde maximale toeslag en het aan de gastouders doorbetaald tarief. In werkelijkheid, zo blijkt uit het onderzoek door de Belastingdienst en de FIOD, waren met in ieder geval een deel van de vraagouders (discutabele en zeer wel mogelijk strafbare) afspraken gemaakt die inhielden dat een aanzienlijk hoger percentage (soms meer dan 50%) van de ontvangen kinderopvangtoeslag aan het gastouderbureau toekwam.13 Daar komt overigens bij dat er ook ernstig getwijfeld moet worden aan de door verdachte aan de Belastingdienst opgegeven aantallen vraagouders en afgenomen oppasuren - de tweede component van de door verdachte opgegeven winsten - nu verdachte meerdere lijsten heeft overgelegd waarin op beide punten de nodige verschillen zitten.14De in de aangiftes opgenomen bedragen kunnen alleen hierom al niet stroken met de werkelijkheid.

Ten slotte is de feitelijke situatie van belang. Verdachte heeft in de periode dat hij het gastouderbureau exploiteerde grote uitgaven gedaan. Zo heeft hij in juli 2010 een bedrag van € 137.500,-- betaald voor de aankoop van een perceel grond met een vakantiewoning in [plaats] , in november 2010 een bedrag van € 108.000,-- overgemaakt naar de (onderneming van de) partner van medeverdachte [medeverdachte] en tussen 1 december 2011 en 3 januari 2012 in totaal ruim € 168.000,-- betaald voor de aankoop van onroerend goed in [plaats] ( Oostenrijk ).15 Op een deel van deze betalingen gaat de rechtbank hieronder bij de bespreking van het verwijt witwassen nog nader in, maar in ieder geval kan worden vastgesteld dat deze betalingen, die blijkens het onderzoek naar de geldstromen en naar eigen zeggen van verdachte16 (grotendeels) afkomstig zijn uit de exploitatie van het gastouderbureau, op geen enkele manier in verhouding staan tot de in de aangiftes inkomstenbelasting over 2009, 2010 en 2011 opgegeven winsten (die gezamenlijk niet meer bedroegen dan ongeveer € 79.000,--).

Dat het bij de geïnvesteerde geldbedragen gaat om zogenaamd duurzaam overtollige liquide middelen, in de vorm van aan te houden reserves anders dan winst, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de door hem als duurzaam overtollig aangemerkte middelen in feite de winst van het gastouderbureau betrof17 en hij heeft ook in lijn met die opvatting gehandeld door het geld in diverse, hieronder deels nog nader te bespreken, onroerende goederen te steken.

Al het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiftes inkomstenbelasting heeft gedaan over de jaren 2009 en 2010, met als gevolg dat te weinig belasting is geheven. Daarmee is het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Witwassen

Zoals uit het voorgaande blijkt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het opzettelijk onjuist doen van de aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2009 en 2010. Het deel van de winst dat verdachte door de exploitatie van het gastouderbureau over deze jaren heeft verkregen en dat niet in de aangiftes betrokken is, kan naar het oordeel van de rechtbank als uit misdrijf verkregen worden beschouwd. Verdachte kon immers alleen over dit geld beschikken, omdat hij opzettelijk nagelaten heeft dit aan de Belastingdienst op te geven.

De verwerving van dit geld is het onmiddellijke gevolg van de door verdachte zelf gepleegde fiscale misdrijven en valt met die strafbare gedraging samen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in een dergelijk geval, wil het verwerven als witwassen kunnen worden gekwalificeerd, door de rechter moet worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte er tevens op is gericht geweest om de criminele herkomst van het geld daadwerkelijk te verbergen of te verhullen.18 Van zodanig (aanvullend) handelen door verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Weliswaar is uit het onderzoek naar de mutaties op de bankrekeningen die aan verdachte en zijn toenmalige partner [naam] gebleken dat er met enige regelmaat overboekingen van (grote) bedragen tussen deze rekeningen plaatsvonden, maar deze geldbewegingen kunnen niet worden beschouwd als zijnde kennelijk gericht op het aan het zicht onttrekken van de criminele herkomst van het geld. Dat betekent dat het onder feit 3, eerste gedachtestreepje, tenlastegelegde verwerven van één of meer geldbedragen weliswaar wettig en overtuigend bewezen kan worden, maar niet kan worden gekwalificeerd als witwassen, zodat verdachte in zoverre van rechtsvervolging ontslagen moet worden.

Blijkens de in het dossier opgenomen koopakte19 is op 12 juli 2010 het eerdergenoemde perceel met vakantiewoning aan de [naam] te [plaats] aangekocht voor een bedrag van

€ 137.500,--. De koopakte vermeldt [naam] , de toenmalige partner van verdachte, als koper, maar uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij degene is geweest die de beslissing heeft genomen om het perceel aan te kopen, dat de koopprijs (voor een deel) betaald is met geld verkregen door de exploitatie van zijn gastouderbureau en dat het perceel (enkel) vanwege een daartoe strekkend advies van de notaris op naam van [naam] is gezet.20 Dat betekent dat vastgesteld kan worden dat verdachte (feitelijk) degene is geweest die het betreffende perceel heeft verworven.

Zoals al opgemerkt, is dit perceel verworven met geld dat (deels) is voortgekomen uit de exploitatie van het gastouderbureau. Nu de verwerving heeft plaatsgevonden na het indienen van de (opzettelijk onjuiste) aangifte inkomstenbelasting over 2009 (op 13 april 2010), staat vast dat daarbij in ieder geval voor een deel gebruik is gemaakt van geld dat uit misdrijf afkomstig is. Deze handeling kan als witwassen worden aangemerkt, nu weliswaar opnieuw sprake is van geld dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, maar de verwervingshandeling niet samenvalt met de strafbare gedraging waaruit het geld afkomstig is, zodat de door de Hoge Raad aangelegde kwalificatieuitsluitingsgrond waarnaar de rechtbank hierboven heeft verwezen in dit geval niet opgaat. Datzelfde geldt voor het eveneens in dit verband tenlastegelegde overdragen van het geld zelf.

De rechtbank komt tot eenzelfde oordeel als het gaat om de aankoop van het onroerend goed in [plaats] , in welk kader tussen 1 december 2011 en 3 januari 2012 vijf overboekingen van rekeningen van het gastouderbureau en van verdachte en [naam] in privé van in totaal

€ 168.135,15 naar de rekening van een Oostenrijkse notaris hebben plaatsgevonden. Ook dit geld was (uiteindelijk) afkomstig uit de exploitatie van het gastouderbureau21 en is overgeboekt na het indienen van de (opzettelijk onjuiste) aangiftes inkomstenbelasting over 2009 en 2010 (op 13 april 2010 en 28 maart 2011), zodat ook hier vast staat dat het gebruikte geld uit misdrijf afkomstig was. Ook deze verwerving alsmede het overdragen van het geld dat daarvoor benodigd was, kunnen, op dezelfde grond als hierboven overwogen, als witwassen worden gekwalificeerd.

Nu verdachte wist dat het door hem gebruikte geld en de daarmee bewerkstelligde verwerving van het onroerend goed in [plaats] en [plaats] van misdrijf afkomstig was, gelet op het feit dat de rechtbank eerder bewezen heeft verklaard dat hij opzettelijk onjuiste aangiftes inkomstenbelasting heeft gedaan, en het gaat om meerdere (omvangrijke) bestedingen, is sprake van gewoontewitwassen als bedoeld in artikel 420ter Sr.

Het onder feit 3 tenlastegelegde kan derhalve eveneens wettig en overtuigend bewezen worden, doch kan deels niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd.

Gebruik maken van vervalste stukken

Tijdens het boekenonderzoek door de Belastingdienst heeft verdachte op 25 juli 2011 aan de controlerend ambtenaar een tekstbestand overgelegd, inhoudende een overzicht van bij- en afschrijvingen op de zakelijke rekening van het gastouderbureau ( [rekeningnummer] ) tussen 10 december 2008 en 4 mei 2010.22 Bij vergelijking van dit tekstbestand met de originele afschriften van deze rekening23, kan worden vastgesteld dat hierin een aantal bij- en afschrijvingen ontbreken of onjuist zijn weergegeven. Verdachte heeft aanvankelijk erkend dat hij het tekstbestand heeft gemanipuleerd, in die zin dat hij teksten en bedragen heeft weggehaald of gewijzigd.24 In een latere verklaring en ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat de geconstateerde verschillen het gevolg zijn geweest van het gebruikte scanprogramma, dan wel door onzorgvuldig (en dus niet opzettelijk) knippen en plakken in het bestand. De rechtbank hecht geen geloof aan deze latere verklaringen, die naar haar oordeel de aard en omvang van de discrepanties niet kunnen verklaren, en acht op basis van de eerdere bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij vervalste bescheiden ter raadpleging aan de controlerend ambtenaar ter beschikking heeft gesteld, zoals onder feit 1 aan hem is tenlastegelegd.

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte zijn op zijn computer een zestal facturen aangetroffen, die ogenschijnlijk afkomstig zijn van het bedrijf [naam] en die betrekking lijken te hebben op werkzaamheden aan de woning op het perceel [naam] te [plaats] .25 Medeverdachte [medeverdachte] heeft echter verklaard dat hij deze facturen niet herkent en dat hij op dat moment nog geen werkzaamheden bij verdachte in rekening had gebracht.26 Ook [medeverdachte] ’s partner [naam] (die de administratie van dit bedrijf verzorgde) heeft verklaard dat zij geen facturen heeft opgemaakt met betrekking tot deze werkzaamheden.27 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de facturen heeft opgesteld samen met een andere medewerker van het bedrijf van [naam] , ene [naam] , dat hij de daarin opgenomen bedragen heeft geschat aan de hand van hetgeen hij met betrekking tot de werkzaamheden had waargenomen en dat de in de facturen opgenomen bedragen niet feitelijk zijn betaald, maar op een later moment zouden worden verrekend met een openstaande vordering van hem op [naam] .28 Wat er ook van deze verklaring zij, vast staat dat deze facturen niet, zoals zij doen voorkomen, daadwerkelijk door het bedrijf van [naam] zijn opgemaakt of door verdachte zijn voldaan, zodat zij vals zijn.

Verdachte heeft de facturen als bijlagen bij een e-mail van 5 maart 201229 toegestuurd aan zijn hypotheekadviseur [naam] . In deze e-mail merkt verdachte op dat de facturen dienen ter onderbouwing van de ingebrachte eigen middelen. [naam] heeft de door verdachte overgelegde facturen vervolgens bij e-mail van 7 maart 2012 doorgezonden aan [naam] , de behandelend medewerker van de [naam] Bank, met daarbij de opmerking: “Bijgaand de reeds betaalde facturen […] Ik ga er vanuit dat e.e.a. hiermee opgelost is en dat we op korte termijn naar de notaris kunnen.” Hieruit, en uit de verklaringen van [naam]30 en [naam]31, blijkt dat de facturen zijn overgelegd als bewijs van het feit dat door verdachte eigen middelen waren aangewend voor de bouw van de vakantiewoning in [plaats] , hetgeen voorwaarde was voor de [naam] Bank om tot verstrekking over te gaan van gelden uit het (bij de aangevraagde hypotheek) behorende bouwdepot.

Om dezelfde reden is door verdachte bij de e-mail van 8 maart 2012 aan [naam]32 ook een bankafschrift overgelegd, waaruit zou blijken dat er op 5 november 2011 een bedrag van

€ 128.000,-- zou zijn overgeboekt aan een ander bedrijf van [naam] .33 Bij vergelijking met de originele afschriften van de rekening 53.08.198, die al eerder in het kader van het onderzoek waren opgevraagd, blijkt dat een dergelijke overboeking op 5 november 2011 in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden. Wel correspondeert het overgelegde afschrift in grote lijnen met het originele afschrift met datum 1 december 2010 en volgnummer 12, waarin de overboeking staat vermeld van het al eerdergenoemde bedrag van € 108.000,-- op 5 november 2010 aan een bedrijf van [naam] .34 Ook dit stuk is derhalve evident vervalst. De verklaring die verdachte hierover ter terechtzitting heeft gegeven en die er kort gezegd op neerkomt dat hij het betreffende afschrift van 1 december 2010 heeft afgegeven aan een ander, die (buiten zijn medeweten) deze vervalsing zou hebben aangebracht, waarna hij het afschrift terug had gekregen en, zonder dat de vervalsing hem was opgevallen, door heeft gestuurd aan [naam] , acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen en een vervalst bankafschrift, die bestemd waren om tot bewijs van de inbreng van eigen middelen te dienen, door deze aan zijn hypotheekadviseur te verzenden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 juli 2011in Nederland, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en/of bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, deze in vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld,

immers heeft hij toen en aldaar een overzicht van bij- en/of afschrijvingen van de rekening [rekeningnummer] (over de periode vanaf 10 december 2008 tot en met 4 mei 2010) voor raadpleging beschikbaar gesteld aan de Belastingdienst (ter controle van de aangifte(n) inkomstenbelasting over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010)

en bestaande de vervalsing hierin dat op dat overzicht:

- een bijschrijving van 6.118 euro (22 juni 2009, JAN-JUL NR. 194436676T900011

KINDEROPVANG 2009 ( [naam] )) ontbreekt (AH-06F, p. 929), en

- een afschrijving van 6.000 euro (26 juni 2009, Hr [naam] [plaats]

Reservering [naam] ) ontbreekt en

- een afschrijving van 222,60 euro (22 maart 2010, Mw [naam] [plaats]

Uitbetaling gastouder Juni 2009) ontbreekt , en

- een afschrijving van 1.100 euro (22 maart 2010, [nummer] [naam] Nabetaling 2009

gastouder) is vermeld, terwijl er in werkelijkheid een afschrijving van 690 euro (22 maart

2010 [nummer] [naam] Nabetaling 2009 gastouder (in verhouding), is gedaan, en

- een afschrijving van 22.000 euro (22 maart 2010, Hr [naam] [plaats]

Reservering) ontbreekt;

2.

hij op of omstreeks 5 maart 2012 en 8 maart 2012 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen (D-110 en D-111 en D-112 en D-113 en D-114 en D-115) en een vervalst bankafschrift (D-030), elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar voornoemde geschriften heeft verzonden naar [naam] ,

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- die facturen (D-110 en D-111 en D-112 en D-113 en D-114

en D-115) niet (afkomstig) zijn van [naam] en

de vermelde kosten nimmer zijn gefactureerd (aan [naam] ),

en

- op dat bankafschrift een overboeking van 128.000 euro (5 november

2011, [naam] Depot-betaling) is vermeld,

terwijl die overboeking (toen) niet heeft plaatsgevonden

terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren voor zodanig gebruik;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 2 januari 2009 tot en met 3 januari 2012 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte een of meerdere voorwerpen, te weten

- een of meer geldbedragen heeft verworven en heeft overgedragen,

en

- een (recreatie)woning op het perceel [naam] ' te [plaats] , en

- de onroerende zaak [nummer] te [plaats] ( Oostenrijk ),

heeft verworven, terwijl hij, verdachte wist, dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 14 april 2010 en 29 maart 2011 in Nederland telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2009 en 2010 onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst Apeldoorn,

terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan,

- dat in de (elektronische) aangifte betreffende 2009 een te laag bedrag

bij netto omzet (106.480 euro) was vermeld en

- dat in de (elektronische) aangifte betreffende 2010 een te laag bedrag

bij netto omzet (154.502 euro) was vermeld en

- dat in de (elektronische) aangifte(n) betreffende 2009 en 2010 een te

laag bedrag te betalen inkomstenbelasting was vermeld.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Zoals hierboven is overwogen, is de verwerving van de in feit 1 bewezenverklaarde geldbedragen het onmiddellijke gevolg van door de verdachte zelf gepleegde fiscale misdrijven en valt die met die strafbare gedraging samen. Nu niet vastgesteld kan worden dat het handelen van de verdachte er tevens op gericht is geweest om de criminele herkomst van het geld daadwerkelijk te verbergen of te verhullen, zal de rechtbank verdachte in zoverre van alle rechtsvervolging ontslaan.

Het bewezen verklaarde levert voor het overige op:

1. als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze in vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen;

2. opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

3. primair gewoontewitwassen;

4. opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn – uitgezonderd een onderdeel van feit 3, zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen – strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van verdachte. Volgens de raadsman is er, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, geen ruimte meer voor het opleggen van een gevangenisstraf en verzoekt de raadsman om toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangiftes inkomstenbelasting door een aanzienlijke hoeveelheid omzet die hij had verkregen via zijn gastouderbureau niet aan de belastingdienst door te geven. De bedragen die verdachte buiten de aangiftes inkomstenbelasting heeft gehouden, heeft hij onder meer geïnvesteerd in onroerend goed, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij zijn eigen financiële belangen voorop heeft gesteld en hierdoor de fiscus en daarmee de samenleving voor een aanzienlijk bedrag heeft benadeeld. Toen bij verdachte een boekenonderzoek werd uitgevoerd, waarbij bleek dat hij niet over een deugdelijke boekhouding beschikte, heeft hij tekstfiles aan de Belastingdienst aangeleverd van overzichten van zijn bankrekeningen die vervalst bleken te zijn. Ook heeft verdachte bij een hypotheekaanvraag gebruik gemaakt van valse facturen en een vervalst bankafschrift. Uit deze voorbeelden blijkt dat verdachte het kennelijk niet zo nauw neemt met de waarheid, terwijl nu juist bij belastingcontroles en het aanvragen van een hypotheek vertrouwd moet kunnen worden op de juistheid van aangeleverde stukken.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten op zichzelf zonder meer de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf rechtvaardigen. Omdat er sprake is van aanzienlijk tijdverloop, verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten en omdat de rechtbank de onroerende goederen die door verdachte geheel of gedeeltelijk zijn aangeschaft met door fiscale misdrijven verkregen gelden verbeurd zal verklaren, zal de rechtbank aan verdachte na te noemen, deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij overweegt de rechtbank dat het voorwaardelijke deel van die gevangenisstraf er enerzijds toe dient om verdachte te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen en anderzijds om de ernst van de feiten te benadrukken.

Nu het eerste bewezen verklaarde feit een overtreding betreft, moet de rechtbank daarvoor volgens de wet een afzonderlijke straf opleggen. Hoewel dit feit een ernstige overtreding betreft, zal de rechtbank, gelet op het feit dat aan verdachte reeds onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, in dit geval volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 4 weken.

Inbeslaggenomen goederen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de woning van verdachte in [plaats] en het onroerend goed in [plaats] ( Oostenrijk ). Voor het overige heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen documenten aan verdachte worden teruggegeven.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om teruggave van voormelde woning, grond en documenten aan verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de (recreatie)woning op het perceel [naam] te [plaats] en de onroerende zaak [nummer] te [plaats] ( Oostenrijk ), voor zover ze toebehoren aan verdachte, vatbaar voor verbeurdverklaring nu feit 3 met betrekking tot deze goederen is begaan.

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een archiefdoos en enveloppen met documenten, moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 62, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte terzake het onder 2, 3 primair en 4 bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte terzake het onder 1 bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een hechtenis voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat deze hechtenis niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen (recreatie)woning op het perceel [naam] te [plaats] en de onroerende zaak [nummer] te [plaats] ( Oostenrijk ).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven archiefdoos en enveloppen met documenten.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. J. van Bruggen en

mr. C.M.M. Oostdam, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 mei 2017.

Mrs. Sikkema en Van Bruggen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 zie HR 13 september 2016, NJ 2017/51

2 verklaring [verdachte] , V1-03, p. 1524

3 uittreksel handelsregister, D-004, p. 1697

4 journaal controlerend ambtenaar [naam] , D-101, p. 2204 e.v.

5 verklaring [verdachte] , V1-03, p. 1528

6 aangifte IB 2009, D-81A, p. 2130; aangifte IB 2010, D-81C, p. 2154

7 zie de overzichten in het O-PV op p. 28 en 29

8 rapport Uw Eigen Rekenkamer, “Analyse administratie en aangiften inkomstenbelasting de heer [verdachte] periode 2009 en 2010”

9 rapport van de deskundige [naam] d.d. 20 april 2017, p. 6

10 rapport van de deskundige [naam] , p. 7

11 verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 8 mei 2017

12 bijlagen bij het requisitoir van de officier van justitie, overgelegd ter terechtzitting van 9 mei 2017

13 zie het overzicht D-106, p. 2233

14 vergelijk de door [verdachte] aanvankelijk overgelegde lijst D-033A, p. 1929 e.v., en de later overgelegde lijst D-035, p. 1958 e.v.

15 zie hiervoor en andere betalingen het overzicht van de mutaties op de verschillende bankrekeningen, D-022, p. 1897 e.v.

16 verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 8 mei 2017

17 verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 8 mei 2017

18 vergelijk HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090, en recent HR 13 december 2016, ECLI:HR:2016:2842

19 D-017, p. 1747 e.v.

20 verklaring [verdachte] , V1-01, p. 1514 en 1515

21 verklaring [verdachte] , V1-01, p. 1515

22 D-021, p. 1766 e.v. en verklaring [naam] G1-01, p. 1625

23 in het dossier opgenomen als bijlagen bij AH-006, p. 239 e.v.

24 verklaring [verdachte] , V1-01, p. 1533

25 D-110 t/m D-115, p. 2237 e.v.

26 verklaring [naam] , V3-01, p. 1619

27 verklaring [naam] , G9-01, p. 1671

28 verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 8 mei 2017

29 D-135, p. 2318

30 verklaring [naam] , G2-01, p. 1638

31 verklaring [naam] , G3-01, p 1642

32 D-030A, p. 1919

33 D-030, p. 1918

34 D-029A, p. 1917