Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1855

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2017
Datum publicatie
22-05-2017
Zaaknummer
18/750022-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5417
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Arville. Witwassen. De Noordelijke Fraudekamer heeft verdachte veroordeeld voor het witwassen van enkele miljoenen euro’s. Zij is betrokken geweest bij het onderbrengen van een deel van dit geld in goed verborgen grondkluizen bij familieleden en kennissen en bij het opzetten van een schijnconstructie rond een door haar gebruikte auto. Daarnaast heeft zij grote bestedingen gedaan, onder meer aan de verbouwing van een woning, en heeft zij dankzij het zwarte geld van haar partner jarenlang in luxe kunnen leven. Gelet op de omvang van het witwassen legt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van twee jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

qRECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750022-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer d.d. 22 mei 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 september 2016, 27 maart 2017 en 28 maart 2017.

De inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 27 en 28 maart 2017. Verdachte is op deze zittingen verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. E.E.G. Duijts en mr. S. Kromdijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode 1 november 2009 tot en met 22 mei 2014, in de gemeente Leeuwarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte

I) in of omstreeks de periode van 13 mei 2014 tot en met 22 mei 2014, althans de periode van 1 november 2009 tot en met 22 mei 2014, in de gemeente Leeuwarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten

- 149.050,- euro, althans een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [medeverdachte1] ),

- 148.500,- euro, althans een hoeveelheid geld, en/of een horloge, merk Zenith, M1000, Defy Xtreme, althans een horloge, aangetroffen in een kluis in een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [medeverdachte2] ),

- 279.950,- euro, althans een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in een woning aan de [straatnaam] Leeuwarden (woning [naam] ),

- 599.250,- euro, althans een hoeveelheid geld, en/of zeventien goudstaven, althans een of meerdere goudstaven, aangetroffen in een kluis in een kelderbox behorende bij een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [naam] ),

- 749.920,- euro, althans een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] ),

- 1.000.500,- euro, althans een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in de een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [medeverdachte5] ), en/of

- 100.050,- euro, althans een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in een unit van een loods aan of nabij de [straatnaam] te Leeuwarden (loods in gebruik bij verdachte [medeverdachte6] ),

zijnde in totaal 3.027.220,- euro,

zeventien goudstaven, en/of

een horloge, merk Zenith, M1000, Defy Xtreme,

-de vindplaats verborgen en/of verhuld, en/of

-verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die bovengenoemde voorwerp(en) was,

bestaande hierin dat verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met haar medeverdachte [medeverdachte6] en/of een of meer ander(en), althans alleen, dat/die voorwerp(en) heeft/hebben verborgen (gehouden) in een of meer vaste en/of afsluitbare en/of (goed) verstopte en/of alleen voor verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte6] toegankelijke (vloer/grond)kluis/kluizen, op een of meerdere verschillende (bovengenoemde) locatie(s) en/of adres(sen) in de gemeente Leeuwarden, terwijl zij, verdachte, en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

EN/OF

II)

in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 5 september 2011, in de gemeente Leeuwarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (van) een voorwerp(en), te weten (in totaal ongeveer) 205.000 euro, althans (ongeveer) 70.000 euro en/of 70.000 euro en/of 65.000 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld,

-overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt,

bestaande hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met haar medeverdachte [medeverdachte6] en/of een of meer anderen, althans alleen,

- dat/die geldbedrag(en) heeft/hebben overgedragen of ter beschikking gesteld of doen/laten overdragen of ter beschikking stellen aan [naam] en/of [naam] , en/of tevens (deels) in de vorm van contante (maandelijkse) vergoeding(en) en/of aflossing(en) van een door die [naam] en/of [naam] afgesloten persoonlijke lening, en/of

- ( daarbij) heeft/hebben afgesproken dat die [naam] en/of [naam] (vervolgens) dat/die geldbedrag(en) ten behoeve van verdachte [medeverdachte6] zou(den) overmaken aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) te Leeuwarden, en/of

- ( aldus) heeft/hebben bewerkstelligd dat die [naam] en/of [naam] dat/die geldbedrag(en) heeft/hebben ontvangen en/of (deels ook) vergoed gekregen en/of (in drie betalingen) heeft/hebben overgemaakt aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) te Leeuwarden, conform de instructie(s) van verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte6] , te weten ten behoeve van de betaling van een (totaal) bedrag/schuld van 205.000 euro van verdachte [medeverdachte6] aan de Staat, in het kader van de afwikkeling van een procedure tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte [medeverdachte6] ,

terwijl zij, verdachte, en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

EN/OF

IIIa)

in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot 10 april 2012, te Leeuwarden en/of Bergschenhoek en/of Harderwijk, althans in de gemeente(n) Leeuwarden en/of Lansingerland en/of Harderwijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

-verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op (een) voorwerp(en), te weten (een) auto('s), merk [auto] , kenteken [nummer] , en/of [auto] , kenteken [nummer] , of wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had,

bestaande hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met haar medeverdachte [medeverdachte6] en/of een of meer anderen, althans alleen,

- heeft/hebben bewerkstelligd dat die auto('s), [auto] en/of [auto] , op naam van [medeverdachte7] , althans op naam van een ander dan verdachte of haar medeverdachte [medeverdachte6] , werd(en) gesteld, en/of

-terwijl verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte6] (steeds) de feitelijke eigendom en/of het gebruik van die auto('s) had(den);

terwijl zij, verdachte, en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

EN/OF

IIIb)

in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot 13 mei 2014, te Leeuwarden en/of Steenwijkerwold, althans in de gemeente(n) Leeuwarden en/of Steenwijkerland en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

-verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op een voorwerp, te weten een auto, merk [auto] , kenteken [nummer] , of wie dat voorwerp voorhanden had,

bestaande hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met haar medeverdachte [medeverdachte6] en/of een of meer anderen, althans alleen,

-heeft/hebben bewerkstelligd dat die auto op naam van [naam] en/of (vervolgens) op naam van die [naam] , althans op naam van een ander dan verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte6] , werd gesteld, en/of

-terwijl (daarbij) verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte6] (steeds) de feitelijke eigendom en/of het gebruik van die auto had(den), en/of de overige auto-gerelateerde kosten steeds (contant) werden vergoed/betaald door verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte6] aan die [naam] en/of [naam] ,

terwijl zij, verdachte, en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

EN/OF

IV)

in of omstreeks de periode van 1 december 2011 tot 13 mei 2014, in de gemeente Leeuwarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

-(van) een voorwerp(en), te weten (in totaal ongeveer) 90.000 euro, althans een hoeveelheid geld, ten behoeve van de aankoop en/of de hypothecaire financiering van de woning [straatnaam] te Leeuwarden,

en/of

(vervolgens) (in totaal ongeveer) 120.000 euro, en/of (in totaal ongeveer) 294.896 euro, althans 253.000 euro, althans (telkens) een hoeveelheid geld, ten behoeve van (de) verbouwing(en) en/of inrichting van de woning [straatnaam] te Leeuwarden,

overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt,

en/of

-(van) een voorwerp, te weten de woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden verworven en/of gebruik gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder I, II, IIIa, IIIb en IV ten laste gelegde kan worden bewezen, nu daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs is. De door de officier van justitie in haar schriftelijk requisitoir opgeworpen punten worden hieronder door de rechtbank besproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte (hierna: [verdachte] ) moet worden vrijgesproken van het onder I, II, IIIa, IIIb en IV ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen aanwijzingen bestaan voor de betrokkenheid van [verdachte] bij de onder I ten laste gelegde kluizen en evenmin bij de onder II ten laste gelegde betaling aan het CJIB. De betrokkenheid van [verdachte] bij de onder IIIa ten laste gelegde [auto] en [auto] wordt volgens de raadsman enkel gebaseerd op het feit dat [verdachte] in gemeenschap van goederen is gehuwd met [medeverdachte6] . Dit huwelijk maakt [verdachte] echter nog geen medepleger van witwashandelingen. Ten aanzien van de [auto] heeft de raadsman aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat [verdachte] aan [naam] gevraagd zou hebben of hij de [auto] wilde kopen en op naam zou willen hebben, nog niet maakt dat [verdachte] daarmee heeft verhuld wie de rechthebbende op die auto was. Met betrekking tot het onder IV ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat nergens uit blijkt dat [verdachte] als medepleger kan worden aangemerkt voor wat betreft de financiering van de aankoop en de inrichting van de woning. Voorts dient [verdachte] van het gebruik van de woning te worden vrijgesproken, omdat er geen (voorwaardelijk) opzet van [verdachte] op het gebruik van geld met een criminele herkomst in het spel is geweest.

Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte7] heeft de raadsman betoogd dat deze niet (alleen) kunnen dienen als bewijsmiddel, nu deze onbetrouwbaar moeten worden geacht.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Onder de naam “Arville” is door de politie onderzoek gedaan naar de financiële positie van verdachte [medeverdachte6] (hierna: [medeverdachte6] ). In de periode van 2012-2013 kwam bij de politie onder de aandacht dat [medeverdachte6] en zijn echtgenote [verdachte] zich een levensstijl veroorloofden die in geen verhouding stonden met hun officieel bekende inkomsten of vermogen. Het onderzoek heeft uiteindelijk geresulteerd in de aanhouding op 13 mei 2014 van – onder meer – [medeverdachte6] en [verdachte] op verdenking van witwassen. Op de dag van de aanhouding, en op verschillende dagen later in de maand mei 2014, zijn doorzoekingen verricht in woningen en andere panden van [medeverdachte6] en [verdachte] zelf en van familieleden en bekenden. Daarbij heeft de politie een aanzienlijk aantal verborgen grondkluizen gevonden, waarin grote contante geldbedragen (in totaal ruim 3 miljoen euro), goudstaven en een waardevol horloge werden aangetroffen .

Algemene bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten gaat de rechtbank op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen uit van het navolgende.

Juridisch kader

Voor een veroordeling voor witwassen is vereist dat het betreffende voorwerp of de betreffende voorwerpen, middellijk of onmiddellijk afkomstig is of zijn uit enig misdrijf. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid uit welk misdrijf dat desbetreffende voorwerp afkomstig is. De vaststelling dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf volstaat.

Indien, zoals in deze zaak het geval is, op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald, nauwkeurig aangeduid misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien een dergelijke verklaring door de verdachte niet wordt gegeven, kan de rechter concluderen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.1

Aanwijzingen voor een criminele herkomst

Vooropgesteld moet worden dat uit het financiële onderzoek naar [medeverdachte6] en [verdachte] is komen vast te staan dat zij in de onderzoeksperiode (23 oktober 2008 tot en met 13 mei 2014) slechts konden beschikken over beperkte financiële middelen. Het saldo van hun gezamenlijke bankrekeningen op 23 oktober 2008 – de dag dat [medeverdachte6] vrijkwam uit detentie na een veroordeling voor de smokkel van softdrugs – bedroeg € 34,42. Tot zijn detentie genoten hij en [verdachte] (vanaf 1989) een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand van de gemeente Leeuwarden. Geen van beiden heeft over de daaropvolgende jaren 2008 tot en met 2013 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting. Uit de ambtshalve bij de Belastingdienst bekende gegevens blijken de volgende bruto inkomsten uit arbeid:

Jaartal 2008 2009 2010 2011 2012 2013

[medeverdachte6] 3.435 13.372 13.812 16.610 23.949 34.399

[verdachte] 10.500 6.518 -2.029 -1.910 -1.675 -40.214.2

Het gaat derhalve om bescheiden inkomsten, waarbij opgemerkt moet worden dat [verdachte] een negatief inkomen had in verband met het feit dat zij de eerder genoten bijstandsuitkering aan de gemeente terug diende te betalen. Van enig vermogen bij [medeverdachte6] of [verdachte] is over deze jaren niets bekend.

Niettemin heeft, zoals eerder opgemerkt, de politie in de maand mei 2014 op verschillende locaties in Leeuwarden grondkluizen aangetroffen, waarin zich grote contante geldbedragen en in een enkel geval ook andere waardevolle goederen bevonden. De rechtbank zal hieronder nader overwegen dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de inhoud van deze kluizen aan [medeverdachte6] toebehoorde. Daar komt bij dat de politie de (traceerbare) bestedingen, onder meer (zoals hieronder nader zal worden uiteengezet) ten behoeve van de aankoop van een auto en de aankoop en verbouwing van een woning, van [medeverdachte6] en [verdachte] heeft becijferd op een bedrag van nog eens ruim 3 miljoen euro. Nu het overgrote deel van deze bestedingen niet terug kan worden gevonden op de bankafschriften van de rekeningen van [medeverdachte6] en [verdachte] , kan worden aangenomen dat deze bestedingen eveneens met contant geld zijn gedaan.

Het enkele feit dat iemand zonder bekend (hoog) legaal inkomen of vermogen kan beschikken over een contant geldbedrag van ruim 3 miljoen euro en in een periode van vijf jaar nog eens bedrag van een dergelijke omvang contant kan besteden, rechtvaardigt op zichzelf al het vermoeden dat al dit geld uit misdrijf afkomstig is. Een andere manier om dergelijke hoeveelheden contant geld te genereren laat zich immers moeilijk voorstellen. Dit vermoeden wordt in het onderhavige geval nog eens versterkt door de wijze waarop de aangetroffen geldbedragen werden bewaard, namelijk in zeer goed verstopte grondkluizen die waren aangebracht op verschillende locaties en bij verschillende personen uit de kring rondom [medeverdachte6] en [verdachte] . Nog afgezien van het feit dat er aanzienlijke risico’s zijn verbonden aan het op deze schaal bewaren van contant geld, duidt de manier van verbergen erop dat beoogd werd om de aanwezigheid van dit contante geld aan het oog van de bovenwereld te onttrekken.

Onder deze omstandigheden kan – zoals uit de hierboven aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad volgt – van een verdachte worden gevergd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft, die het vermoeden dat sprake is van een criminele herkomst kan weerleggen. In het onderhavige geval hebben [medeverdachte6] en [verdachte] zich beiden, zowel bij de politie als ter terechtzitting, beroepen op hun zwijgrecht, ook na herhaalde confrontatie met de bevindingen van het onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat het contante geld waarover [medeverdachte6] en [verdachte] in de jaren 2008 tot en met hun aanhouding hebben kunnen beschikken, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Wetenschap

Zoals hiervoor overwogen, kan op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet met zekerheid worden vastgesteld van welk concreet misdrijf of misdrijven het contante geld dat [medeverdachte6] voorhanden heeft gehad de opbrengst is geweest, en evenmin of dit geld verkregen is door een door hemzelf gepleegd misdrijf, hoewel voor dat laatste – zoals hieronder nog nader zal worden overwogen – wel de nodige aanwijzingen bestaan. Desondanks staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [medeverdachte6] wist dat het geld van enig misdrijf afkomstig was, alleen al omdat een andere (legale) herkomst zich onder de gegeven omstandigheden niet laat voorstellen. De rechtbank laat daarbij in belangrijke mate meewegen dat [medeverdachte6] zelf op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in de herkomst van het geld of zijn gedachtes daarover.

Nu uit het dossier en de nader te omschrijven gang van zaken blijkt dat [verdachte] voor het overgrote deel goed op de hoogte was van de gang van zaken in het gezamenlijke huishouden en daar zelf een rol bij speelde, moet ook zij hebben geweten dat het beschikbare contante geld niet uit legale bron afkomstig was. De rechtbank betrekt daarbij dat ook [verdachte] op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang of met een alternatieve lezing is gekomen.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte7]

De rechtbank zal hieronder ingaan op het bewijs ten aanzien van de verschillende ten laste gelegde feiten. Daarbij zullen ook verklaringen die medeverdachte [medeverdachte7] (hierna [medeverdachte7] ) heeft afgelegd tot het bewijs worden gebezigd. [medeverdachte7] heeft over de ten laste gelegde feiten meerdere uitgebreide en zeer gedetailleerde verklaringen afgelegd, die voor de politie aanleiding zijn geweest om nader onderzoek te doen. In die gevallen waarin de verklaringen concreet verifieerbaar waren, bleken zij vrijwel steeds in overeenstemming te zijn met de werkelijkheid. In het bijzonder wijst de rechtbank op het feit dat op aanwijzing van [medeverdachte7] diverse goed verborgen grondkluizen zijn aangetroffen, die eerder niet waren ontdekt. De rechtbank is daarnaast niet gebleken dat [medeverdachte7] een persoonlijk voordeel heeft gehad bij de door hem afgelegde verklaringen. Integendeel, door te verklaren als hij heeft gedaan heeft [medeverdachte7] grote nadelige gevolgen voor zichzelf en zijn gezin ondervonden. Immers, als gevolg van bedreigingen heeft [medeverdachte7] met zijn gezin de bescherming van justitie moeten inroepen. Bovendien heeft [medeverdachte7] in zijn verklaringen ook uitgebreid belastend over zichzelf en zijn eigen aandeel in de strafbare feiten verklaard.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door de verdediging is betoogd, de verklaringen van [medeverdachte7] , ondanks zijn rol als medeverdachte in dit onderzoek, als onbetrouwbaar te bestempelen en niet te gebruiken als bewijsmiddel.

Vrijspraken

De rechtbank acht het onder II ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. [verdachte] zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling van de officier van justitie dat [verdachte] op een zodanige (feitelijke of intellectuele) wijze betrokken is geweest bij (de schijnconstructie rond) het betalen van een totaalbedrag van € 205.000 aan het CJIB ter voldoening van een eerder aan [medeverdachte6] opgelegde ontnemingsvordering dat gesproken kan worden van het medeplegen van de ten laste gelegde verhullingshandeling.

De rechtbank acht het onder IIIa ten laste gelegde evenmin wettig en overtuigend bewezen, nu ook in dit geval uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat [verdachte] zodanig (feitelijk of intellectueel) betrokken is geweest bij de schijnconstructie rond de [auto] en de [auto] dat zij als medepleger van de ten laste gelegde verhullingshandelingen kan worden aangemerkt. Verdachte zal daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder I ten laste gelegde

In de bijlage, gevoegd bij dit vonnis, zijn zakelijk weergegeven de door de rechtbank toegepaste bewijsmiddelen, die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.

Bewijsoverwegingen

Zoals hiervoor reeds overwogen en uit de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen blijkt, heeft de politie tijdens doorzoekingen op verschillende locaties in Leeuwarden goed verborgen grondkluizen aangetroffen, die in de meeste gevallen gevuld waren met grote hoeveelheden contant geld. In het vonnis van heden in de strafzaak tegen [medeverdachte6] heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de (deels hierboven ook weergegeven) verklaringen van [medeverdachte7] en resultaten van DNA-onderzoek aan de elastiekjes waarmee de aangetroffen bankbiljetten waren samengebonden, overwogen dat de inhoud van alle gevonden kluizen aan [medeverdachte6] toebehoorde en dat hij zich – door deze zo goed te verstoppen dat de meeste kluizen alleen op aanwijzingen van [medeverdachte7] konden worden gevonden en door dit te doen in de woningen van familieleden en bekenden – schuldig heeft gemaakt aan zowel het verbergen van de vindplaats van als het verhullen van de werkelijk rechthebbende op deze inhoud.

Thans dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of (en zo ja, in welke gevallen) [verdachte] als medepleger van deze witwashandelingen kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval met betrekking tot de kluizen die zijn aangetroffen in de woningen aan de [straatnaam] , de [straatnaam] , de [straatnaam] en de [straatnaam] . Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Over de kluis aan de [straatnaam] heeft, zoals uit bewijsmiddel 2 blijkt, [medeverdachte7] verklaard dat hij meerdere keren uit de daar aanwezige kluizen werd betaald voor zijn verbouwingswerkzaamheden en dat [verdachte] daarbij aanwezig was. Ook was [verdachte] volgens [medeverdachte7] in ieder geval één keer aanwezig toen [medeverdachte6] een grote hoeveelheid geld onderbracht in de woning van [naam] aan de [straatnaam] en was zij er tevens bij toen [medeverdachte6] met haar zus [medeverdachte5] overlegde over het plaatsen van een kluis aan de [straatnaam] . Dat [verdachte] goed op de hoogte was van het feit dat er op andere locaties in Leeuwarden geld werd bewaard, volgt ook uit het in de bewijsmiddelen weergegeven gesprek tussen haar en [medeverdachte6] in hun auto op 8 april 2014, waarin het zonder twijfel gaat over het controleren van een geldbedrag dat zich elders bevindt. De bakengegevens maken aannemelijk dat het hier gaat om de [straatnaam] , waar de auto zich immers kort na dit gesprek in de directe omgeving bevindt, en deze veronderstelling wordt bevestigd door het gegeven dat het in het gesprek gaat om de mogelijkheid dat [medeverdachte7] wellicht toegang heeft gehad tot het geld in kwestie en de betreffende woning toebehoort aan diens moeder [naam].

De rechtbank heeft hiervoor in zijn algemeenheid al overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat alle contante gelden waarover [medeverdachte6] en [verdachte] in de periode van 2008 tot en met hun aanhouding konden beschikken, van enig misdrijf afkomstig moeten zijn geweest en dat [verdachte] dat moet hebben geweten. Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] daarnaast niet alleen wetenschap had van het feit dat (een deel van) dit criminele geld verborgen werd in kluizen, maar ook dat zij een actieve rol heeft gehad bij het gebruik en het plaatsen van die kluizen. Haar bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank van voldoende gewicht om in de genoemde gevallen te kunnen spreken van het medeplegen van de verweten witwashandelingen, namelijk het verborgen houden van de vindplaats van de (inhoud van de) kluizen en het verhullen van de rechthebbende daarop. Omdat niet is komen vast te staan dat [verdachte] tot in detail op de hoogte was van de inhoud van de kluizen, zal de rechtbank overigens van de in de tenlastelegging genoemde concrete geldbedragen vrijspreken en bewezen verklaren dat haar handelen gericht was op een hoeveelheid geld.

Hoewel bepaald niet onaannemelijk is dat [verdachte] ook van de andere in de tenlastelegging genoemde kluizen afwist, kan dit niet met de vereiste zekerheid uit het dossier worden afgeleid. De rechtbank zal haar derhalve voor het overige van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van het onder IIIb ten laste gelegde:

In de bijlage, gevoegd bij dit vonnis, zijn zakelijk weergegeven de door de rechtbank toegepaste bewijsmiddelen, die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.

Bewijsoverwegingen

Hoewel [naam] blijkens de bewijsmiddelen het geld voor de aankoop van de [auto] van “ [naam] ” (de rechtbank begrijpt: [naam] , de voormalige partner van de dochter van [medeverdachte6] ) zegt te hebben gekregen, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het geld afkomstig was van [medeverdachte6] . Uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat [naam] na de aankoop van deze auto daar nog enige bemoeienis mee heeft gehad, terwijl uit de bewijsmiddelen wel volgt dat de auto na de aankoop doorlopend in gebruik is geweest bij [verdachte] . Dat [medeverdachte6] en [verdachte] de feitelijk eigenaar c.q. gebruiker van deze auto waren, wordt verder bevestigd door de verklaring van [naam] dat de lasten van de auto door [medeverdachte6] en [verdachte] (contant) aan hem werden vergoed.

Gelet op de eerder opgenomen algemene overwegingen, waarin de rechtbank heeft geconcludeerd dat al het contante geld waarover [medeverdachte6] en [verdachte] in de jaren 2008 tot en met hun aanhouding konden beschikken van enig misdrijf afkomstig moet zijn geweest, kan het niet anders zijn dan dat ook deze auto gefinancierd is met crimineel geld. De rechtbank heeft hiervoor ook al overwogen dat [verdachte] van de criminele herkomst van al het destijds beschikbare contante geld moet hebben afgeweten. Voor de voor haar gebruik aangekochte [auto] geldt dat – zeker bij gebreke aan een alternatieve verklaring van de kant van [verdachte] – evenzeer. Bovendien was [verdachte] op de hoogte van de uit de bewijsmiddelen blijkende schijnconstructie, in ieder geval voor zover de door haar gebruikte auto op naam stond van [naam] , nu – zoals gezegd – de lasten van deze auto onder meer door [verdachte] contant aan [naam] werden vergoed. Zij heeft derhalve actief meegewerkt aan de verhulling van de werkelijk rechthebbende op deze auto. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank overigens ook voor [naam] en [naam] , die onder de gegeven omstandigheden (een auto voor een ander op naam nemen, waarvan de aankoop c.q. de lasten contant door die ander werden vergoed) op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij betrokken waren bij het op deze wijze witwassen van crimineel geld.

Ten aanzien van het onder IV ten laste gelegde:

In de bijlage, gevoegd bij dit vonnis, zijn zakelijk weergegeven de door de rechtbank toegepaste bewijsmiddelen, die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (hierna: de woning) is aangekocht door en ten behoeve van [medeverdachte6] en [verdachte] en dat zij ook daadwerkelijk, na een grootschalige verbouwing, daar zijn gaan wonen, terwijl deze woning op naam van [medeverdachte7] stond.

Ten aanzien van de aankoop en de financiering

In het vonnis van heden in de strafzaak tegen [medeverdachte6] heeft de rechtbank ten aanzien van de aankoop van de woning vastgesteld dat deze is gefinancierd door middel van een hypothecaire lening (die overigens verkregen is met vervalste stukken) en door de inbreng van een bedrag van € 90.000 dat gepresenteerd is als eigen middelen van [medeverdachte7] , waarvan hij in werkelijkheid een deel (€ 55.000) rechtstreeks contant van [medeverdachte6] heeft ontvangen en het resterende deel (€ 35.000) afkomstig was uit een gefingeerde lening die zou zijn verstrekt door [naam].

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat [verdachte] bij deze schijnconstructie rond de aankoop en financiering van de woning op enigerlei wijze betrokken is geweest. De rechtbank zal haar derhalve van het tenlastegelegde witwassen van het bedrag van € 90.000 vrijspreken.

Ten aanzien van de verbouwing en de inrichting

Uit de verklaringen van [medeverdachte7] blijkt dat hij met zijn bouwbedrijf de verbouwing (casco werk en installaties) van de woning in opdracht van [medeverdachte6] heeft verricht voor een bedrag van € 120.000 en dat [medeverdachte6] en [verdachte] daarnaast voor een bedrag van € 253.000 hebben geïnvesteerd in de verdere verbouw en de inrichting van de woning. Dat laatste bedrag is een schatting, maar vindt steun in het gegeven dat [medeverdachte7] (vanuit zijn ervaring als aannemer) een onderbouwde berekening heeft gemaakt van de verschillende verbouwings- en inrichtingsposten en in het eerdergenoemde rapport van [naam] , die heeft aangegeven dat er minimaal een dergelijk bedrag aan de verbouwing en inrichting van deze woning is besteed. De rechtbank merkt overigens op dat [medeverdachte6] en [verdachte] , hoewel daartoe uitgenodigd, deze bedragen niet hebben bestreden maar zich opnieuw op hun zwijgrecht hebben beroepen.

Uit de bewijsmiddelen (in het bijzonder de verklaring van [medeverdachte7] , maar ook die van [naam] en [naam] ) volgt dat het grootste deel van de bestede geldbedragen (de genoemde € 253.000 en een bedrag van € 85.000 van de genoemde € 120.000) rechtstreeks (contant) afkomstig waren van [medeverdachte6] . De rechtbank heeft ook geen reden om hieraan te twijfelen, nu het geld besteed is aan de verbouwing en inrichting van de woning die door [medeverdachte6] en [verdachte] werd gebruikt. [verdachte] was bij dat laatste actief betrokken, zoals blijkt uit de verklaringen van [naam] en [naam] . Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen in haar algemene bewijsoverwegingen, kan het niet anders zijn dan dat al het geld dat [medeverdachte6] in de periode van 2008 tot en met zijn aanhouding tot zijn beschikking heeft gehad, van enig misdrijf afkomstig was. [medeverdachte6] en [verdachte] waren daar – zoals al eerder overwogen – van op de hoogte, maar dat geldt naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden (grootschalige contante geldbetalingen door [medeverdachte6] en [verdachte] in combinatie met het feit dat de woning op zijn naam moest staan en de financiering verkregen werd door middel van valse stukken en een gefingeerde lening) ook voor [medeverdachte7] . Dat betekent dat [medeverdachte6] en [verdachte] zich door deze geldbedragen op de bovenomschreven wijze te besteden schuldig hebben gemaakt aan witwassen. Voor [medeverdachte7] geldt hetzelfde, voor zover het de € 85.000 betreft die aan hem is betaald.

Ten aanzien van het overige deel van de € 120.000, te weten een bedrag van € 35.000, heeft [medeverdachte7] verklaard dat dit afkomstig is uit het bouwdepot. Dit bouwdepot vormt onderdeel van de hypotheek die [medeverdachte6] en [medeverdachte7] , zoals hiervoor al overwogen, onder valse voorwendselen verkregen hebben. De rechtbank heeft hierboven ook al overwogen dat zij niet bewezen acht dat [verdachte] bij deze gang van zaken betrokken is geweest, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat zij van de criminele herkomst van deze € 35.000 op de hoogte was. De rechtbank zal [verdachte] derhalve van het witwassen van dit bedrag vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder I, IIIb en IV ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode 1 november 2009 tot en met 22 mei 2014, in de gemeente Leeuwarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere perso(o)n(en) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte

I)

in de periode van 13 mei 2014 tot en met 22 mei 2014, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met één of meer andere perso(o)n(en), van voorwerpen, te weten

- een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [medeverdachte1] ),

- een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in een woning aan de [straatnaam] Leeuwarden (woning [naam] ),

- een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in een kelderbox behorende bij een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [naam] ),

- een hoeveelheid geld, aangetroffen in een kluis in de een woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden (woning [medeverdachte5] ),

-de vindplaats verborgen, en

-verhuld wie de rechthebbende op die bovengenoemde voorwerpen was,

bestaande hierin dat verdachte telkens tezamen en in vereniging met haar medeverdachte [medeverdachte6] en/of een of meer ander(en), die voorwerpen verborgen heeft gehouden in vaste en afsluitbare en (goed) verstopte en alleen voor verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte6] toegankelijke (vloer/grond)kluizen op bovengenoemde locaties in de gemeente Leeuwarden,

terwijl zij, verdachte, en haar medeverdachte(n) telkens wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

EN

IIIb)

in de periode van 1 februari 2011 tot 13 mei 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met andere personen verhuld wie de rechthebbende was op een voorwerp, te weten een auto, merk [auto] , kenteken [nummer] , bestaande hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met haar medeverdachte [medeverdachte6] en anderen, heeft bewerkstelligd dat die auto op naam van [naam] en vervolgens op naam van [naam] werd gesteld, terwijl daarbij verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte6] steeds de feitelijke eigendom en het gebruik van die auto hadden, en de overige auto-gerelateerde kosten steeds contant werden vergoed/betaald door verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte6] aan die [naam] ,

terwijl zij, verdachte, en haar medeverdachten wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

EN

IV)

in de periode van 1 december 2011 tot 13 mei 2014, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met één of meer andere perso(o)n(en),

-voorwerpen, te weten in totaal ongeveer 85.000 euro en in totaal ongeveer 253.000 euro, ten behoeve van de verbouwing en inrichting van de woning [straatnaam] te Leeuwarden, overgedragen en omgezet

en

-(van) een voorwerp, te weten de woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden verworven en gebruik gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en haar medeverdachte(n) telkens wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van gewoontewitwassen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] ter zake van het onder I, II, IIIa, IIIb en IV ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie in geen verhouding staat tot de eis in de zaak van medeverdachte [medeverdachte6] , aan wie veel meer en veel zwaardere feiten verweten worden, en gepleit voor het opleggen van een maximale werkstraf en een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van [verdachte] zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportage, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Evenals haar partner [medeverdachte6] heeft [verdachte] jarenlang geprofiteerd van de opbrengsten van wat vermoedelijk zware criminaliteit is geweest. Haar luxueuze levensstijl bestond onder meer uit het aankopen van vele dure gebruiksartikelen, het ondergaan van cosmetische chirurgie, het gebruik maken van dure auto’s en het bewonen van een uitvoerig verbouwde villa. Daarnaast heeft de politie op verschillende plaatsen in Leeuwarden in goed verborgen grondkluizen contante geldbedragen van in totaal ruim drie miljoen euro, goudstaven en een luxe horloge aangetroffen. Officieel beschikte [verdachte] niet over enig legaal inkomen. Om voor de buitenwereld te verhullen over hoeveel geld zij en haar partner in werkelijkheid konden beschikken, zijn allerlei schijnconstructies opgezet. Hoewel de rechtbank slechts in beperkte mate bewezen acht dat [verdachte] actief bij deze schijnconstructies betrokken was, heeft zij zich wel op uitgebreide schaal schuldig gemaakt aan witwassen.

Van witwassen is algemeen bekend dat dit een ontwrichtend effect heeft op de maatschappij en het economische verkeer en samenhangt met doorgaans zeer ernstige strafbare feiten. [verdachte] heeft zich hieraan niets gelegen laten liggen. Gelet op de omvang, de duur en de ernst van de bewezen verklaarde witwasfeiten, en gelet op de omstandigheid dat [verdachte] hiervoor geen enkele verantwoording heeft willen nemen, laat staan dat zij heeft laten blijken zich van de laakbaarheid van haar handelen bewust te zijn, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar gerechtvaardigd. De straf valt hiermee lager uit dan door de officier van justitie gevorderd, deels omdat de rechtbank op een aantal onderdelen tot vrijspraak komt, en voor het overige om de straf meer in verhouding te brengen met de straf die aan [medeverdachte6] zal worden opgelegd voor veel meer en ernstigere feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder II en IIIa is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder I, IIIb en IV ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. C.M.M. Oostdam en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2017.

Mrs. Oostdam en Van der Lelie zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 : HR 28 jan 2014, ECLI:NL:HR:2014:197 en HR 14 jun 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197.

2 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 8-4-2016, pag 6-7 van map 29.