Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1824

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2017
Datum publicatie
18-05-2017
Zaaknummer
18/850096-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 18 mei 2017 een dertigjarige verdachte vrijgesproken van poging doodslag op een prostituee en diefstal met geweld, gepleegd op 23 oktober 2008. Ondanks een DNA-match is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs aanwezig is dat de verdachte zich aan genoemde strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850096-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
18 mei 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 oktober 2008 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) met een stomp/hard voorwerp een of meermalen op/tegen het hoofd en/of lichaam en/of hand(en)/arm(en) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 oktober 2008 te Groningen aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (schedelbreuk(en) en/of gebroken/verbrijzelde (wijs)vinger(s) en/of (linker)pink), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met een stomp/hard voorwerp een of meermalen op/tegen het hoofd en/of lichaam en/of

hand(en)/arm(en) te slaan;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 oktober 2008 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) met een stomp/hard voorwerp een

of meermalen op/tegen het hoofd en/of lichaam en/of hand(en)/arm(en) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 23 oktober 2008 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer] met een stomp/hard voorwerp een of meermalen op/tegen het hoofd en/of lichaam en/of hand(en)/arm(en) heeft geslagen, welk feit voor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten schedelbreuk(en) en/of gebroken/verbrijzelde (wijs)vinger(s) en/of gebroken

(linker)pink), ten gevolge heeft gehad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard, nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het inzetten van de bijzondere opsporingsbevoegdheid van artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering niet noodzakelijk en gerechtvaardigd was, terwijl de stelselmatig informatie inwinners ook nog eens op onrechtmatige wijze uitvoering hebben gegeven aan hun opdracht. De stelselmatig informatie inwinners zijn door hun intimiderende manier van optreden de woning van verdachte binnengekomen en hebben verdachte daar onder zware druk gezet om toe te geven dat hij de dader is geweest, waarbij zij zelfs hebben gedreigd hem uit het raam op drie hoog te gooien. De opsporingsambtenaren hebben hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De intimiderende, bedreigende actie van de opsporingsambtenaren levert een laakbare schending van de privacy op, waardoor verdachte zowel in emotioneel als juridisch opzicht enorm is getroffen. Het verlies aan geloof in een eerlijke rechtsgang en de rechtsstaat is van grote invloed geweest op zijn proceshouding, waardoor hij al geruime tijd onterecht gedetineerd is. Bewijsuitsluiting of strafvermindering zou een veel te softe reactie zijn.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de inzet van de opsporingsbevoegdheid ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet zijn overschreden, waardoor geen sprake is van een vormverzuim. Zelfs als daar anders over geoordeeld zou worden, is niet aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort gedaan, nu verdachte zijn eigen proceshouding kan bepalen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de ernst van de ten laste gelegde misdrijven en de stand van het onderzoek op het moment dat werd overgegaan tot stelselmatige informatie inwinning, toepassing van artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering rechtvaardigden.

Op grond van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat de stelselmatig informatie inwinners zich hebben voorgedaan als familieleden van aangeefster en verdachte in zijn woning ermee hebben geconfronteerd dat zij hebben gehoord dat hij aangeefster mishandeld zou hebben. Hiermee hebben zij verdachte uitspraken over zijn mogelijke betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten willen ontlokken, dan wel in ieder geval onrust bij verdachte willen veroorzaken van waaruit hij mogelijk handelingen zou verrichten waaruit die betrokkenheid zou blijken. De rechtbank is van oordeel dat de stelselmatig informatie inwinners tot zover binnen hun opdracht en rechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank acht het echter niet toelaatbaar dat één van de stelselmatig informatie inwinners, om de druk op verdachte op te voeren, daarbij heeft opgemerkt dat als hij zeker had geweten dat verdachte het had gedaan hij aan de andere kant van het raam zou belanden. Met deze als bedreiging aan te merken opmerking in combinatie met de omstandigheid dat verdachte thuis is opgezocht door de zogenaamde familieleden en is gemaand zich bij de politie te melden om daar de waarheid te vertellen, is naar het oordeel van de rechtbank een ongeoorloofde psychische druk op verdachte uitgeoefend om bij de politie een bekentenis af te leggen. Hiermee is in strijd gehandeld met het pressieverbod van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert. Nu de ongeoorloofde druk echter niet heeft geleid tot verklaringen van verdachte, is verdachte niet getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Dat verdachte tot aan het onderzoek ter terechtzitting heeft gezwegen over zijn bezoek aan aangeefster, is een eigen afweging van verdachte geweest en het nadeel dat hierdoor mogelijk voor verdachte is veroorzaakt dient geheel voor eigen rekening te komen. Nu het vormverzuim niet zodanig is dat geoordeeld dient te worden dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, bestaat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, evenmin aanleiding aan dit vormverzuim enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal volstaan met de constatering daarvan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de feiten zijn gepleegd door de laatste klant van aangeefster die avond, dat het bovenin de prullenbak aangetroffen en inbeslaggenomen condoom van die laatste klant moet zijn geweest en dat het DNA-profiel dat is verkregen uit de spermacellen uit dat condoom overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Daar komt bij dat de uiterlijke kenmerken van verdachte, als ook zijn leeftijd en werk op dat moment, overeenkomen met de door aangeefster verstrekte informatie over die laatste klant. Weliswaar is verdachte niet zo klein als aangeefster heeft geschat, maar met zijn 1.73 meter blijft verdachte een kleine man. De officier van justitie hecht er verder waarde aan dat uit de gegevens van het internetgebruik van verdachte blijkt dat hij, nadat hij op 21 november 2016 heeft kennisgenomen van een krantenartikel over deze zaak, meerdere websites heeft bezocht waarop informatie over het opsporingsonderzoek te vinden was.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet vaststaat dat het inbeslaggenomen condoom het condoom is van de laatste klant van aangeefster. Aangeefster heeft slechts in algemene zin haar werkwijze met betrekking tot het weggooien van gebruikte condooms uitgelegd, zonder specifiek bevraagd te zijn over de gang van zaken die betreffende avond. Aangeefster heeft verder verklaard dat de dader kleiner is dan zij, terwijl verdachte juist groter is dan aangeefster. De verklaring van aangeefster met betrekking tot de lengte van de dader is betrouwbaar, nu zij voortdurend in fysiek contact is geweest met de dader. Daarnaast heeft verdachte enkele uiterlijke kenmerken, zoals een bult op zijn voorhoofd, die door aangeefster niet zijn genoemd in haar beschrijving van de dader. Dat verdachte naar aanleiding van het artikel uit de op zijn deurmat aangetroffen opengeslagen krant informatie heeft gezocht op internet is niet vreemd en levert geen bewijs van zijn betrokkenheid bij de feiten op.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat aangeefster op de avond van 23 oktober 2008 werkzaam was als prostituee en meerdere klanten op haar werkkamer heeft ontvangen, waarvan verdachte er één is geweest. Vast staat verder dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd door de laatste klant die haar heeft bezocht.

Dat verdachte die laatste klant is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank niet buiten alle twijfel uit het dossier worden afgeleid. Weliswaar komt het DNA-profiel dat is verkregen uit de spermacellen, aangetroffen in het inbeslaggenomen condoom, overeen met het DNA-profiel van verdachte, maar dat dit het condoom is van de laatste klant en dus dat van de dader, kan niet worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat dit condoom bovenaan in de pedaalemmer is aangetroffen acht de rechtbank daarvoor onvoldoende, nu het hier blijkens de foto’s een tot aan de rand met keukenpapier en tissues gevulde pedaalemmer betreft en, bij gebreke van een verklaring van aangeefster hierover, niets bekend is over de wijze waarop de gebruikte condooms die avond door aangeefster zijn weggegooid. Zo is bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat aangeefster bij het weggooien van het door de dader gebruikte condoom de inhoud van de pedaalemmer aan één zijde naar beneden heeft gedrukt om plaats in de pedaalemmer te maken. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat de dader het door hem gebruikte condoom voor vertrek uit de pedaalemmer heeft gehaald en heeft meegenomen. De rechtbank acht voorts relevant dat aangeefster, zelf 1.63 meter lang, heeft verklaard dat de dader ongeveer tot haar wenkbrauwen komt (waarna door de politie is vastgesteld dat de dader dan ongeveer 1.56 meter lang moet zijn). Verdachte is met een lengte van 1.73 meter echter groter dan aangeefster. Nu aangeefster meerdere malen over de lengte van de dader is bevraagd en heel specifiek heeft aangegeven waarop ze deze lengte van de dader heeft gebaseerd, terwijl ze hem van dichtbij heeft kunnen waarnemen, komt de rechtbank deze waarneming van aangeefster betrouwbaar voor. Hoewel verdachte voldoet aan andere door aangeefster en getuigen genoemde, meer algemene (uiterlijke) kenmerken van de dader, past verdachte, gezien zijn lengte, niet in het door aangeefster gegeven signalement. De rechtbank constateert dat aangeefster in haar verklaringen geen informatie heeft gegeven over het uiterlijk van haar andere klanten die dag. Op grond van het dossier kan dan ook niet worden uitgesloten dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, eerder op de avond aangeefster heeft bezocht en niet haar laatste klant is geweest.

Uit het vanaf 2015 verrichte opsporingsonderzoek is verder als opmerkelijk resultaat naar voren gekomen dat verdachte op 21 november 2016 en de dagen daarna op internet naar informatie over het opsporingsonderzoek heeft gezocht. Gelet op het krantenartikel over deze zaak, dat de politie op 21 november 2016 zichtbaar op zijn deurmat in zijn afgesloten portiek heeft gelegd, is dit evenwel niet zodanig opvallend dat dit als bewijs van verdachtes betrokkenheid kan worden gebruikt, ook niet (of juist niet) indien dit in samenhang wordt beschouwd met de omstandigheid dat verdachte de avond van 23 oktober 2008 aangeefster heeft bezocht.

Nu onvoldoende bewijs voorhanden is om vast te stellen dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, dient verdachte van beide feiten te worden vrijgesproken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. E.C.M. Wolfert en
mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 mei 2017.

Mr. E.C.M. Wolfert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.