Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1700

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
C/18/170676 / HA RK 16-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 8, 40, 45, 46 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) - belangenafweging- verwerken van persoonsgegevens onrechtmatig - toekennen immateriële schadevergoeding.

Een advocatenkantoor heeft WSNP-gegevens van verzoekster 'overgetypt' uit de Staatscourant Naar het oordeel van de rechtbank valt dat onder de definitie van 'het verwerken van persoonsgegevens'. De rechtbank is verder van oordeel dat het advocatenkantoor niet (voldoende) heeft uitgelegd welk gerechtvaardigd belang zij hierbij heeft, terwijl er wel een inbreuk wordt gemaakt op belangen van verzoekster. Na weging van deze belangen komt de rechtbank tot de conclusie dat het verwerken van de gegevens van verzoekster onrechtmatig is en kent haar immateriële schadevergoeding toe.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Wet bescherming persoonsgegevens 40
Wet bescherming persoonsgegevens 45
Wet bescherming persoonsgegevens 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0441
JBP 2017/43
JOR 2017/281 met annotatie van mr. F.C. van der Jagt-Vink

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/170676 / HA RK 16-269

Beschikking van 3 mei 2017

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. J.M. Moolhuizen te Appingedam,

tegen

de rechtspersoon

[bedrijf] ,

gevestigd te Leiden,

verweerder,

advocaat mr. J.M. Tason Avila te Leiden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 19 december 2016,

  • -

    de brief van 13 januari 2017 van verweerder,

  • -

    de brief van 19 januari 2017 van verzoekster.

2 De feiten

2.1.

Op 18 juni 2013 is ten aanzien van verzoekster de Wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing verklaard. In dat kader zijn op 19 juni 2013 door de griffier van deze rechtbank enkele persoonsgegevens van verzoekster gepubliceerd in de Staatscourant.

2.2.

Bij brief van 12 mei 2016 heeft verweerder aan verzoekster een aanbod tot rechtsbijstand gedaan. In de brief is het volgende opgenomen:

"In de Staatscourant staat vermeld dat de rechtbank Noord-Nederland op 20 mei 2016 een beëindigingszitting heeft ingepland in uw WSNP-traject. U heeft hierover mogelijk al een brief van de rechtbank ontvangen.

Indien u niet in persoon hoeft te verschijnen is dat meestal positief en wordt de zaak pro forma afgedaan met toekenning van een schone lei. Mocht u wel moeten verschijnen, dan kan dat betekenen dat uw bewindvoerder bezwaar heeft tegen toekennen van een schone lei.

Indien deze bezwaren door de rechter worden gehonoreerd heeft dit gevolgen voor u.

Als uw zaak dus niet pro forma wordt afgehandeld en u voor de rechtbank dient te verschijnen dan verdient het de aanbeveling om u hierover juridisch te laten adviseren. U kunt daarvoor contact met ons opnemen en wij kunnen u ook ter zitting bijstaan. Wij werken landelijk en hebben gedegen ervaring in deze zaken.

Onze advocaten werken op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand. In zaken zoals die van u

is onze bijstand in de regel geheel gratis. Als u al een advocaat in de arm heeft genomen in

deze kwestie, dan adviseren wij u hem of haar op de hoogte te stellen van de geplande zitting.

Mocht u van onze diensten gebruik willen maken of als u gewoon een vraag heeft naar aanleiding van deze brief, dan adviseren wij u om nu contact met ons op te nemen.

(…)."

2.3.

Bij brief van 21 juli 2016 heeft de heer [B] , directeur van de Volkskredietbank (VKB) Noord-Oost Groningen, aan verweerder het volgende verzocht:

"Recentelijk ontvingen wij van een cliënt bijgaande brief van uw kantoor. Uit deze brief maken wij op dat u kennelijk gebruik maakt van in Staatscourant bekend gemaakte persoonsgegevens om nieuwe cliënten te werven.

In onze optiek verwerkt u daarbij persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarvoor is toestemming nodig, dan wel een andere in de wet opgenomen grondslag voor gegevensverwerking.

Wij verzoeken u binnen 21 dagen na heden schriftelijk kenbaar te maken welke grondslag voor verwerking bij onderhavige brieven van toepassing is. Verder stellen wij het op prijs dat u bovengenoemde wijze van acquisitie nader toelicht en/of overigens uw zienswijze hierop geeft."

Als bijlage is een brief van 12 mei 2016 gevoegd, zoals geciteerd in 2.2, waarbij de naam en adresgegevens onleesbaar zijn gemaakt.

2.4.

Bij brief van 22 augustus 2016 heeft de VKB verweerder herinnerd aan de brief van 21 juli 2016 en opnieuw gevraagd om een reactie.

2.5.

Bij brief van 23 augustus 2016 heeft verweerder tegenover de VKB gereageerd. In de brief is het volgende opgenomen:

"Over het aanschrijven van particulieren die mogelijk bijstand nodig hebben tijdens een

inhoudelijke eindzitting heeft vorig jaar afstemming plaatsgevonden binnen het dekenberaad.

Aan de hand van de uitgangspunten van het dekenberaad is de ontvangen brief opgesteld.

De dekens waren van oordeel dat het mogelijk moest zijn om wervende activiteiten te

verrichten, maar dat daar behoedzaam mee omgegaan moet worden. Dat is ook precies hoe

tot het opstellen van deze brief is gekomen. (…) Omdat mensen in de WSNP zich in een kwetsbare positie bevinden is er voor gekozen om de brief heel algemeen en neutraal op te stellen. De diensten worden daarin geheel vrijblijvend aangeboden en voorkomen is dat men zich gedwongen voelt om contact op te nemen. (…)

De inhoud van de brief voldoet volledig aan de uitgangspunten die het dekenberaad heeft

gegeven, anders hadden wij hem nimmer (zo) opgesteld en verzonden. De tekst is

toegankelijk, verhelderend en dwingt tot niets en geeft een juist en volledig beeld. Dit wordt

bevestigd door de vele positieve reacties die ons kantoor heeft gehad op de verzending van

deze brief van zowel de ontvangers/particulieren als bijvoorbeeld (beschermings)bewindvoerders.

De brieven die wij sturen vallen onder ‘direct marketing’. Of het rechtmatig is wat we doen

hangt af van het doel van de verwerking en de grondslag. Omdat de gegevens die we

gebruiken niet door ons zelf verzameld zijn is het iets minder eenvoudig.

Voor de doelbinding moet bepaald worden of ons doel (kosteloze juridische bijstand bij WSNP zaken) verenigbaar is met het doel waarvoor de zaken gepubliceerd worden in de

Staatscourant. Dat lijkt mij wel te beargumenteren. Het ontvangen van aanbiedingen voor

rechtszittingen ligt niet buiten wat de ontvanger kan verwachten nadat zijn zitting

gepubliceerd wordt in het staatsblad. De informatie wordt bovendien met niemand gedeeld.

Zodra is vastgesteld dat de voorgenomen wijze van verwerking voor direct

marketingdoeleinden verenigbaar is met het doel we de gegevens hebben verkregen, dan

moeten we de verwerking uiteraard wel kunnen baseren op één van de in de WBP genoemde

grondslagen.

Dikwijls is direct marketing noodzakelijk voor een gerechtvaardigde belang bij een gezonde

bedrijfsvoering en zal een afweging van dat belang tegen het privacybelang van de

betrokkene in ons voordeel uitvallen. Het is duidelijk in het belang van ons kantoor om deze

mensen te benaderen, dit is bovendien zonder kosten voor de ontvanger van de brief. "

2.6.

Verweerder heeft geen melding gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens van het verwerken van persoonsgegevens.

2.7.

Na de mondelinge behandeling, gehouden op 19 december 2016, heeft verweerder bij brief van 13 januari 2017 het volgende meegedeeld:

"Het verzet van mevrouw [A] zal namens kantoor gehonoreerd worden. In die zin dat aan mevrouw [A] vanuit kantoor in ieder geval gegarandeerd kan worden dat haar persoonsgegevens niet nader zijn opgeslagen in onze systemen. Dit maakt het voor kantoor onmogelijk om in de toekomst nader gebruik te maken van de persoonsgegevens van mevrouw [A] ."

2.8.

Verzoekster heeft bij brief van 19 januari 2017 gereageerd.

3 Het verzoek

3.1.

[A] heeft verzocht:

  1. het college als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 51 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) een advies te laten uitbrengen als bedoeld in artikel 47 lid 2 Wbp;

  2. de verwerking van persoonsgegevens van verzoekster door verweerder als onrechtmatig aan te merken;

  3. verweerder te veroordelen om op de voet van artikel 46 Wbp alle op verzoekster betrekking hebbende gegevens uit de administratie en systemen van verweerder te verwijderen en verwijderd te houden en daarvan per omgaande een schriftelijke bevestiging te doen toekomen aan gemachtigde, uiterlijk twee dagen na betekening van de beschikking op dit verzoekschrift;

  4. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag (of een gedeelte hiervan), althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere dag of deel daarvan dat verweerder met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in gebreke blijft; en tevens;

  5. verweerder te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank nader te bepalen billijke vergoeding voor de door betrokkene geleden immateriële schade vanwege het in strijd handelen met de bij of krachtens de Wbp gegeven voorschriften, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf datum van verzoekschrift tot aan de dag van betaling;

  6. verweerder te veroordelen in de kosten van dit geding;

  7. de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal eerst in gaan op de procedurele kant van de zaak en vervolgens op de inhoud.

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 40 van de Wbp kan de betrokkene, indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, Wbp daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.

4.3.

In artikel 45, eerste lid, Wbp, is bepaald dat een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, Wbp alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41, Wbp voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan, zal gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

4.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 46, eerste lid, Wbp kan de belanghebbende, indien een beslissing als bedoeld in artikel 45 Wbp is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, Wbp toe of af te wijzen dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 al dan niet te honoreren.

4.5.

De rechtbank heeft (ter zitting) overwogen dat verzoekster, gelet op deze wettelijke bepalingen, voordat zij het beroepschrift bij de rechtbank indiende, verzet had kunnen indienen bij verweerder. De brieven die op 21 juli 2016 en op 22 augustus 2016 (met bijlagen) zijn verzonden door de VKB zijn niet te herleiden geweest tot verzoekster, doordat haar naam niet is genoemd en persoonsgegevens in de bijlage onleesbaar zijn gemaakt. Hoewel hiervoor bewust is gekozen door de VKB, is verweerder hierdoor niet in staat geweest om de door verzoekster ongewenste situatie te herstellen. Anderzijds heeft de rechtbank overwogen dat in de brief geen melding is gemaakt van de mogelijkheid verzet te doen tegen de verwerking van de persoonsgegevens. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het instellen van verzet niet verplicht is, alvorens een verzoek bij de rechtbank wordt ingediend. Gelet hierop heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek alsnog als verzet kan worden opgevat en heeft vervolgens verweerder in de gelegenheid gesteld om op het verzet te beslissen. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij brief van 13 januari 2017, en verzoekster bij brief van 19 januari 2017, gereageerd. Op deze nadere brieven zal hierna worden ingegaan.

4.6.

Met betrekking tot het verzoek aan de rechtbank om het college een advies te laten uitbrengen overweegt de rechtbank dat verzoekster zelf het college had kunnen benaderen om te bemiddelen of te adviseren. Daarvoor heeft zij niet gekozen. De rechtbank kan, ook tijdens deze procedure, advies inwinnen bij het college. De rechtbank zal echter nu, zonder dat advies, een beslissing nemen in het onderhavige verzoek.

4.7.

Ten aanzien van het verzoek om de verwerking van de persoonsgegevens van verzoekster als onrechtmatig aan te merken, overweegt de rechtbank het volgende. In de toezegging van verweerder van 13 januari 2017 om niet 'nader' de persoonsgegevens van verzoekster te verwerken wordt een impliciete erkenning gelezen dat de brief van 12 mei 2016 niet voldeed aan de wettelijke eisen.

Ook zonder deze impliciete erkenning is de rechtbank van oordeel dat verweerder -alleen al door het overtypen van de gegevens uit de Staatscourant, zelfs zonder deze gegevens op te slaan- de persoonsgegevens heeft verwerkt. De vraag die vervolgens voorligt is of het verwerken van die persoonsgegevens aan de wettelijke vereisten voldeed.

4.8.

Op grond van het bepaalde in artikel 8 Wbp mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt in de daar -limitatief- opgesomde gevallen, onder meer indien (sub f) de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

4.9.

De verwerking is derhalve uitsluitend toelaatbaar als zij noodzakelijk is met het oog op het gerechtvaardigd belang van -in dit geval- verweerder ten opzichte van het belang van verzoekster. De aanwezigheid van een wettelijke rechtvaardigingsgrond maakt, zo is ook overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011, NJ 2011/595, een belangenafweging aan de hand van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overbodig.

4.10.

Verweerder heeft in de brief van 12 mei 2016 gesteld dat het 'wel te beargumenteren valt' dat haar doel verenigbaar is met het doel waarvoor de zaken gepubliceerd worden in de Staatscourant. De rechtbank is van oordeel dat, op grond van artikel 8, sub f, Wbp, beoordeeld moet worden of er een gerechtvaardigd belang van verweerder bij de verwerking van persoonsgegevens aanwezig is. Een gerechtvaardigd belang kan aanwezig worden geacht in het geval de betreffende verwerking voor verweerder noodzakelijk is om haar reguliere bedrijfsactiviteiten te kunnen verrichten. Daarbij dient verweerder onder meer de volgende vragen te kunnen beantwoorden.

De eerste vraag die aan de orde komt is of verweerder werkelijk een gerechtvaardigd belang heeft bij de verwerking van de persoonsgegevens. Hieromtrent heeft verweerder niets naar voren gebracht. De tweede vraag is of met het verwerken van persoonsgegevens een inbreuk wordt gemaakt op belangen of fundamentele rechten van verzoekster, op welke vraag de rechtbank bevestigend antwoordt. Verzoekster is immers, door het onverwachts vinden van de brief op haar deurmat, geschrokken en geëmotioneerd, waarmee haar belang een gegeven is. De stelling van verweerder, dat verzoekster een dergelijke brief had kunnen verwachten, volgt de rechtbank niet omdat gegevens in de Staatscourant worden gepubliceerd met het oog op kennisgeving aan (en bescherming van) schuldeisers en niet met het oog op het ontvangen van aanbiedingen voor rechtsbijstand. Dat de informatie verder niet wordt gedeeld en dat de brief geen kosten meebrengt voor verzoekster, is daarbij niet relevant.

4.11.

Vervolgens is de vraag of gegevensverwerking achterwege dient te blijven, waarbij de vragen aan de orde komen of het nagestreefde doel ook op een andere manier kan worden bereikt dan wel of de verwerking evenredig is aan het nagestreefde doel. De rechtbank overweegt dat verweerder haar nagestreefde doel ook op een andere manier kan bereiken, omdat zij immers mensen niet direct hoeft te benaderen voor een gezonde bedrijfsvoering, maar ook in meer algemene zin reclame kan maken. Niet is gesteld of onderbouwd dat 'direct marketing' noodzakelijk is om als advocatenkantoor het hoofd boven water te houden. Gelet op het belang van verzoekster is de rechtbank van oordeel dat de verwerking van de persoonsgegevens niet evenredig is aan het doel van verweerder, zodat de gegevensverwerking achterwege dient te blijven. De rechtbank merkt de verwerking van de persoonsgegevens van verzoekster door verweerder dan ook aan als onrechtmatig.

4.12.

De rechtbank overweegt dat door de toezegging van verweerder al is voldaan aan het verzoek om de gegevens die betrekking hebben op verzoekster te verwijderen uit de administratie en systemen van verweerder. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder - een advocatenkantoor - zich aan die toezeggingen houdt, zodat het er voor gehouden moet worden dat het voor verweerder onmogelijk is om in de toekomst gebruik te maken van de persoonsgegevens van verzoekster. Het verzoek genoemd onder 3 zal daarom worden afgewezen, evenals het verzoek om een dwangsom op te leggen.

4.13.

Verzoekster heeft gevraagd om verweerder te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding voor de immateriële schade. De rechtbank overweegt dat hiertoe, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.10, aanleiding bestaat en zal een bedrag toekennen van € 100,00.

4.14.

Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, die aan de zijde van verzoekster worden begroot op een bedrag van € 1.192,00 (griffierecht € 288,00 en salaris gemachtigde 2 punten x € 452,00)

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

merkt de verwerking van de persoonsgegevens van verzoekster door verweerder aan als onrechtmatig;

5.2.

veroordeelt verweerder tot betaling van € 100,00 aan verzoekster wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na deze uitspraak, tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt verweerder in de kosten van dit geding, die aan de zijde van verzoekster worden begroot op een bedrag van € 1.192,00;

5.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst hetgeen meer of anders is verzocht, af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2017.1

1 type: 487 coll: