Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1511

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2017
Datum publicatie
24-04-2017
Zaaknummer
18/830327-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij één van de inzittenden van de door hem bestuurde en onverzekerde bestelbus om het leven is gekomen. Daarnaast heeft verdachte twee keer een vriend van hem mishandeld. Aan één van die mishandelingen heeft het slachtoffer een gebroken onderarm overgehouden. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Het verweer van de verdediging dat de voorschriften omtrent de uitvoering van de ademanalyse niet zijn nageleefd, omdat verdachte een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken is onthouden, wordt verworpen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, een rijontzegging van 4 jaar en een geldboete van € 400,00. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf mede gelet op de houding van verdachte die de verantwoordelijkheid voor de dood van het slachtoffer (mede) bij het slachtoffer zelf lijkt te willen leggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 62, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2006-02-01
Wegenverkeerswet 1994 175, geldigheid: 2011-06-01
Wegenverkeerswet 1994 176, geldigheid: 2014-01-01
Wegenverkeerswet 1994 179, geldigheid: 2010-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830327-16

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/153178-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 april 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 april 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/830327-16

1.

primair

hij op of omstreeks 6 maart 2016, op de N46/Eemshavenweg, in de nabijheid van

Startenhuizen en Oosternieland, gelegen in de gemeente Eemsmond, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een

bedrijfsauto, merk: [auto], daarmede rijdende over de weg, de

provinciale weg N46, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, en terwijl hij, verdachte, onder invloed was van het gebruik van alcoholhoudende drank,

- met hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan,

althans gelet op de omstandigheden ter plaatse verantwoord was, genoemde weg

heeft bereden en/of (vervolgens) de afrit Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen

heeft genomen en/of

- op de afrit Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen in de (rechter)berm is gaan

rijden en/of (vervolgens) een stuurbeweging naar links heeft gemaakt,

tengevolge waarvan het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig in

de linkerberm is gaan rijden en/of (aldaar) is gekanteld en/of (vervolgens) in

de bermsloot terecht is gekomen,

waarbij [slachtoffer1] , inzittende van het door verdachte bestuurde

motorrijtuig, (deels) uit het motorrijtuig is geraakt/gevallen en/of onder het

gekantelde motorrijtuig bekneld is geraakt, waardoor die [slachtoffer1] werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet

heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,

achtste of negende lid van genoemde wet;

subsidiair

hij op of omstreeks 6 maart 2016, op de N46/Eemshavenweg, in de nabijheid van

Startenhuizen en Oosternieland, gelegen in de gemeente Eemsmond, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een

bedrijfsauto, merk: [auto], daarmede rijdende over de weg, de

provinciale weg N46,

- genoemde weg heeft bereden met hoge snelheid, althans een hogere snelheid

dan ter plaatse toegestaan, althans gelet op de omstandigheden ter plaatse

verantwoord was en/of (vervolgens) de afrit Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen

heeft genomen en/of

- op de afrit Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen in de (rechter)berm is gaan

rijden en/of (vervolgens) een stuurbeweging naar links heeft gemaakt,

tengevolge waarvan het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig in

de linkerberm is gaan rijden en/of (aldaar) is gekanteld en/of (vervolgens) in

de bermsloot terecht is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 6 maart 2016 te/nabij Startenhuizen, althans in de

gemeente Eemsmond, als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto, merk: [auto]

), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 675 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij op of omstreeks 6 maart 2016, te Startenhuizen, althans in de gemeente

Eemsmond, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam

gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten

AM, B en BE, was geschorst en aan hem daarna geen ander rijbewijs

voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of

categorieën was afgegeven, op de weg, N46/Eemshavenweg, als bestuurder een

motorrijtuig, (bedrijfsauto, merk: [auto] ), van die categorie of

categorieën heeft bestuurd;

4.

hij op of omstreeks 6 maart 2016 te Startenhuizen, althans in de gemeente

Eemsmond, als bezitter, althans als degene op wiens naam een motorrijtuig in

het kentekenregister is ingeschreven, in elk geval als houder in de zin van

artikel 2, tweede lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen,

van een motorrijtuig ( [auto] ), gekentekend [nummer] , daarmede heeft

doen rijden, althans heeft toegelaten dat daarmede werd gereden, op de voor

het openbaar verkeer openstaande weg, N46/Eemshavenweg, zonder dat hij voor

dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig genoemde Wet had gesloten en

in stand gehouden;

in de zaak met parketnummer 18/153178-16

5.

hij op of omstreeks 3 juli 2016 te [pleegplaats] , gemeente Eemsmond

[slachtoffer2] heeft mishandeld door hem

- meermalen in zijn gezicht te stompen/slaan en

- meermalen tegen zijn handen en polsen te stompen/slaan,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rechteronderarm en/of gebroken middenhandsbeentje links ten gevolge heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 2 mei 2016 te [pleegplaats] , gemeente Eemsmond

[slachtoffer2] heeft mishandeld door hem meermalen in/tegen zijn gezicht, zijn

hoofd en zijn lichaam te stompen/slaan.

De rechtbank heeft ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis de onder de verschillende parketnummers aangebrachte feiten doorlopend genummerd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde op basis van de stukken in het dossier kan worden bewezen.

Ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 18/830327-16 ten laste gelegde feiten 1 tot en met 4 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte op 6 maart 2016 een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft veroorzaakt, waarbij sprake was van de één na zwaarste vorm van schuld, te weten zeer onvoorzichtig rijgedrag. De verklaring van verdachte dat het ongeval is veroorzaakt door gladheid, wordt weerlegd door de verkeersongevalsanalyse. Verdachte heeft de auto bestuurd terwijl hij drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol had genuttigd. Met betrekking tot de alcoholtest, die ruim 1,5 uur na het ongeval heeft plaatsgevonden, zijn geen procedurefouten gemaakt. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat de uitslag van de alcoholtest niet klopt, maar ook uit andere stukken blijkt dat verdachte dusdanig beschonken was dat hij tot niets in staat was.

Het rijbewijs van verdachte was op het moment van het ongeval geschorst. Verdachte had dit op zijn minst redelijkerwijs moeten weten. De stukken omtrent de schorsing zijn verdachte per aangetekende en gewone post toegezonden op 3 november 2015. Dat verdachte de aangetekende brief niet heeft afgehaald, is voor eigen risico en maakt niet dat verdachte kan zeggen dat hij van niets weet.

Tot slot was de auto waarin verdachte op 6 maart 2016 reed, niet verzekerd, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2016.

De onder 5 en 6 ten laste gelegde mishandelingen kunnen worden bewezen op grond van de aangifte van Huizingh en de bekennende verklaring van verdachte. Dat er ten aanzien van feit 1 sprake is van zwaar lichamelijk letsel, blijkt uit de geneeskundige verklaring die op 7 juli 2016 is opgemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder 1, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft plaatsgehad, omdat verdachte een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken is onthouden. Verdachte heeft weliswaar niet expliciet om een tegenonderzoek gevraagd, maar hij heeft de uitslag van de ademanalyse wel betwist. Dit had voor de betrokken opsporingsambtenaar aanleiding moeten zijn bij verdachte te verifiëren of hij al dan niet van het recht op een tegenonderzoek gebruik wenste te maken. Aan de naleving van de voorschriften omtrent de uitvoering van de ademanalyse kleeft daarom een wezenlijk gebrek.

Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte geen roekeloos rijgedrag kan worden verweten. Uit de verkeersongevalsanalyse kan slechts worden afgeleid dat verdachte een stuurfout heeft gemaakt door te vroeg in te sturen waardoor de auto in de slip is geraakt en vervolgens in de sloot is beland. Niet gezegd kan worden dat hij dientengevolge buitengewoon onvoorzichtig is geweest.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte op het moment van aanhouding bekend was met het besluit tot schorsing van zijn rijbewijs. De omstandigheid dat verdachte kennis had kunnen nemen van de aangetekende brief maar dat niet heeft gedaan, brengt niet mee dat zulks voor risico van verdachte dient te komen en aldus bewezen kan worden dat hij redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, zoals onder 3 is ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat uit de bijlage die bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2016 is gevoegd, blijkt dat de auto tot 15 april 2016, dus ook ten tijde van het ongeval was verzekerd.

In de zaak met parketnummer 18/153178-16 (feiten 5 en 6) heeft de raadsman zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Dat het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verdachte per aangetekende brief aan hem is verzonden en retour is gekomen met de mededeling dat de brief niet is afgehaald, is volgens vaste jurisprudentie onvoldoende voor het bewijs dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

De rechtbank past ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 10 april 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op het moment van het ongeval was ik de bestuurder van de bus. Ik had die avond bier gedronken. Ik heb op de N46 tot de afslag Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen misschien iets te hard gereden.

2. Een naar wettelijke voorschrift opgemaakt proces-verbaal aanrijding misdrijf van Politie Noord-Nederland d.d. 25 april 2016, opgenomen als A04 in het dossier met nummer PL0100-2016065384 d.d. 21 maart 2016 (hierna: dossier I), inhoudende de relatering van verbalisanten:

Locatie ongeval: N46 (Eemshavenweg). Plaats: nabij Startenhuizen en Oosternieland, gemeente Eemsmond. Nadere plaatsaanduiding: afrit Zandeweer Garsthuizen Uithuizen. Soort weg: een voor het openbaar verkeer openstaande weg. De N46 is aangewezen als autoweg. Maximum snelheid: 100 km per uur.

Betrokken voertuig: bestelauto [nummer] Fiat Ducato. Eigenaar/houder: [bedrijfsnaam] , [straatnaam] , [plaatsnaam] . Bestuurder: [verdachte] .

Bij of kort na het ongeval is overleden [slachtoffer1] , passagier van bestelauto [nummer] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 7 maart 2016, opgenomen als bijlage B06 in dossier I, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 6 maart 2016, omstreeks 07:05 uur, reed ik op de provinciale weg N46 genaamd Eemshavenweg. Ik reed in de richting van Groningen. Ik zag op dat moment dat mij een ander voertuig tegemoet kwam rijden vanuit een flauwe bocht in het weggedeelte voor mij. Ik zag dat dit voertuig een meerkleurige bestelbus was waarvan de hoofdkleur paars was.

Omdat ik regelmatig op de N46 surveilleer weet ik redelijk wat ongeveer de snelheid is van de voertuigen die mij tegemoet komen. Ik zag dat de snelheid van de paarse bestelbus beduidend hoger was dan de snelheid die ter plaatse is toegestaan. Het voertuig was mij dan ook sneller genaderd dan wat normaal gebruikelijk zou zijn. Ik schat dat het voertuig reed met een snelheid van tussen de 120 en 140 km per uur.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 6 maart 2016, opgenomen als bijlage B16 in dossier I, inhoudende als verklaring van [naam]:

Ik zat voorin de bus, tussen [verdachte] die reed en [naam] . Op de Eemshavenweg reed [verdachte] ongeveer 140.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 6 maart 2016, opgenomen als bijlage B18 in dossier I, inhoudende als verklaring van [naam] :

Ik vond het rijgedrag van [verdachte] niet normaal en heel vervelend. [verdachte] nam de afslag Uithuizen op het allerlaatste moment. Ik merkte dat [verdachte] geen vaart minderde toen hij de afslag naar Uithuizen nam. Ik zag en voelde dat hij met de bus door de berm aan de rechterzijde naast het wegdek kwam. Daarop gaf [verdachte] een ruk aan het stuur. We zijn met de bus over de kop gegaan en belandden uiteindelijk in de sloot.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bedienaar ademanalyseapparaat van Politie Noord-Nederland d.d. 19 april 2016 met bijlage, gevoegd bij bijlage B12 in dossier I, inhoudende de relatering van verbalisant:

Op 6 maart 2016 heb ik verdachte [verdachte] bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek overeenkomstig de als bijlage bijgevoegde afdruk. Aan de verdachte is aanstonds medegedeeld dat het onderzoeksresultaat van de analyse van zijn adem 675 ug/l bedroeg.

7. Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 0603201608005413 d.d. 17 mei 2016, als los document gevoegd bij dossier I, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 6 maart 2016 hebben wij een nader onderzoek ingesteld naar aanleiding van een verkeersongeval, dat plaatsvond binnen de gemeente Eemsmond. Bij het ongeval was betrokken een bedrijfsauto, merk [auto] , kleur paars.

Wij zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de bedrijfsauto. De bestuurder van de bedrijfsauto reed daarmee over de provinciale weg N46, komende vanuit de richting van Groningen en gaande in de richting van de Eemshaven. Hij nam de afslag Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen. Op de afrit, op een recht weggedeelte direct na een flauwe bocht naar rechts, reed de bestuurder met de rechter wielen van het door hem bestuurde voertuig in de rechts naast de rijbaan gelegen berm. Vervolgens maakte hij een forse stuurbeweging naar links, waardoor het voertuig in een slip raakte. Het voertuig slipte over de rijbaan en kwam vervolgens in de linker berm terecht. Doordat de rechter wielen zich ingroeven in de linker berm kantelde het voertuig over de rechter zijkant

en kwam uiteindelijk deels op de rechter zijkant en deels op het dak tot stilstand in een links

naast de rijbaan gelegen sloot. De passagier die zich rechts achter in het voertuig bevond

werd tijdens het kantelen en rollen via de sponning van de ruit van de schuifdeur uit het voer-

tuig geworpen en belande met zijn hoofd en romp onder het voertuig. Ten gevolge hiervan

overleed deze passagier.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 24 augustus 2016 met bijlage, als los document gevoegd bij dossier I, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Op 15 maart 2016 kreeg verdachte twee weken de gelegenheid om middels een geldige polis aan te tonen dat voor het door hem ten tijde van het ongeval bestuurde motorrijtuig, voorzien van het kenteken [nummer] , een geldige verzekering was afgesloten. Op 7 april 2016 toonde [verdachte] mij een "groene kaart" behorende bij het betrokken motorrijtuig. Ik nam contact op met de op de “groene kaart” vermelde verzekeringmaatschappij om te vragen of voor het motorrijtuig, voorzien van kenteken [nummer] een geldige verzekering was afgesloten. Mij werd medegedeeld dat de verzekering voor het genoemde motorrijtuig in verband met het niet nakomen van de betalingsverplichting door de verzekeringsmaatschappij was beëindigd.

Op 6 maart 2016 was voor het betreffende motorrijtuig geen verzekering afgesloten. Volgens de bijlage, een geprint formulier met informatie over het kenteken [nummer] , afkomstig van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, waren er op de peildatum 6 maart 2016, geen verzekeringsgegevens bekend.

De rechtbank volstaat ten aanzien van de feiten 5 en 6 met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 april 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 5 juli 2016, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016191234 d.d. 25 juli 2016 (hierna: dossier II), inhoudende de verklaring van

[slachtoffer2] .

3. Een geneeskundige verklaring, op 7 juli 2016 opgemaakt en ondertekend door

J.S. Woltjer, huisarts, opgenomen op pagina 12 van dossier II.

Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank het in de zaak met parketnummer 18/830327-16 onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de bus heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Het verweer van de verdediging dat de voorschriften omtrent de uitvoering van de ademanalyse niet zijn nageleefd, wordt verworpen. Verdachte heeft niet om een tegenonderzoek gevraagd. Zijn enkele opmerking dat het 'volgens hem niet kan' betreft in elk geval niet een zodanig uitdrukkelijke en ondubbelzinnige betwisting van de uitslag, dat deze voor de verbalisanten aanleiding had moeten zijn te verifiëren of verdachte een tegenonderzoek wilde.

Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte met een hogere snelheid heeft gereden dan verantwoord was. Dit blijkt weliswaar niet uit de verkeersongevalsanalyse, maar wel uit diverse getuigenverklaringen. Het voorgaande samen maakt dat het gedrag van verdachte zonder meer kan worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig rijgedrag dat verwijtbaar is.

Tot slot blijkt, anders dan de raadsman heeft gesteld, uit het proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2016 en de bijbehorende bijlage, dat de door verdachte bestuurde bus op

6 maart 2016 niet verzekerd was. De op de bijlage vermelde datum van 15 april 2016 waar de raadsman naar heeft verwezen, betreft de datum waarop de aansprakelijkheid van de kentekenhouder is geëindigd.

De rechtbank acht tevens in de zaak met parketnummer 18/153178-16 beide mishandelingen - de feiten 5 en 6 - wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/830327-16

1. primair

hij op 6 maart 2016 op de N46/Eemshavenweg, in de nabijheid van Startenhuizen en Oosternieland, gelegen in de gemeente Eemsmond, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bedrijfsauto, merk [auto] , daarmede rijdende over de weg, de provinciale weg N46, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig, en terwijl hij, verdachte, onder invloed was van het gebruik van alcoholhoudende drank

- met een hogere snelheid dan, gelet op de omstandigheden, ter plaatse verantwoord was, genoemde weg heeft bereden en de afrit Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen heeft genomen en

- op de afrit Zandeweer/Uithuizen/Garsthuizen in de rechterberm is gaan rijden en een stuurbeweging naar links heeft gemaakt,

ten gevolge waarvan het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig in de linker berm is gaan rijden en is gekanteld en in de bermsloot terecht is gekomen,

waarbij [slachtoffer1] , inzittende van het door verdachte bestuurde motorrijtuig, deels uit het motorrijtuig is geraakt en onder het gekantelde motorrijtuig bekneld is geraakt, waardoor die [slachtoffer1] werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 6 maart 2016 in de gemeente Eemsmond, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, merk [auto] ), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 675 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

4.

hij op 6 maart 2016 in de gemeente Eemsmond, als bezitter van een motorrijtuig ( [auto] ), gekentekend [nummer] , daarmede heeft doen rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, N46/Eemshavenweg, zonder dat hij voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden;

in de zaak met parketnummer 18/153178-16

5.

hij op 3 juli 2016 te [pleegplaats] , gemeente Eemsmond, [slachtoffer2] heeft mishandeld door hem

- meermalen in zijn gezicht te stompen/slaan en

- meermalen tegen zijn handen en polsen te stompen/slaan,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rechteronderarm, ten gevolge heeft gehad;

6.

hij op 2 mei 2016 te [pleegplaats] , gemeente Eemsmond, [slachtoffer2] heeft mishandeld door hem meermalen in/tegen zijn gezicht, zijn hoofd en zijn lichaam te stompen/slaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/830327-16

1. primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet;

2. overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

4. als bezitter een motorrijtuig op een weg doen rijden zonder dat hij voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen heeft gesloten en in stand gehouden;

in de zaak met parketnummer 18/153178-16

5. mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

6. mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een rijontzegging van 4 jaar en ter zake van het onder 4 ten laste gelegde tot een geldboete van

€ 400,00 subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte, gelet op de conclusie van de psychiater, als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een eigen woning en een stratenmakersbedrijf heeft. Verdachte wil wel meewerken aan een klinische behandeling, maar hij wil zijn woning niet verliezen doordat hij de hypothecaire penningen niet meer kan betalen. Verdachte staat open voor ambulante behandeling bij de AFPN en VNN. Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de raadsman de rechtbank verzocht verdachte en aangever, die al meer dan 20 jaren bevriend zijn, door te verwijzen naar mediation.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij één van de inzittenden van de door hem bestuurde bestelbus om het leven is gekomen. Vastgesteld is dat verdachte drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. Gelet op het tijdsverloop van ruim 1,5 uur na het ongeval acht de rechtbank waarschijnlijk dat het ademalcoholgehalte ten tijde van het ongeval nog hoger is geweest. Door het verkeersgedrag van verdachte is aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Daar komt bij dat de door verdachte bestuurde bestelbus niet was verzekerd.

Daarnaast heeft verdachte twee keer een vriend van hem mishandeld. Aan één van die mishandelingen heeft het slachtoffer een gebroken onderarm overgehouden. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook ten tijde van deze delicten was verdachte onder invloed van alcohol.

Uit de justitiële documentatie d.d. 14 maart 2017 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, onder meer ter zake zware mishandeling en het onder invloed van alcohol besturen van een motorvoertuig.

Er heeft multidisciplinair onderzoek plaatsgevonden. De psycholoog, drs. J.M. de Jonge, relateert in haar rapport d.d. 29 maart 2017 dat het onderzoek grote beperkingen kende, omdat verdachte tijdens de afspraken, drie in totaal, telkens onder invloed van alcohol was en zeer beperkt zijn medewerking heeft verleend. De psychiater, C.J.F. Kemperman, heeft wel volledig onderzoek kunnen doen en komt in het rapport van 20 februari 2017 tot de conclusie dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Beide deskundigen adviseren een behandeling met aandacht voor de verslavingsproblematiek van verdachte.

In het advies van 4 april 2017 constateert de reclassering dat in de delictgeschiedenis van verdachte een patroon zichtbaar is van grensoverschrijding met betrekking tot alcohol en geweld. Er is geen sprake van ziekte-inzicht of probleembesef. Het enige probleem dat verdachte indringend ervaart is dat hij geen rijbewijs meer heeft. Hij gaat in beginsel uit van zichzelf, zonder daarbij veel rekening te houden met anderen. Dat alcoholgebruik in beide zaken delictgerelateerd is ziet verdachte niet meteen. Hij geeft aan het gebruik wel aan te willen pakken, maar daarvoor geen professionele hulp nodig te hebben.

De rechtbank overweegt dat verdachte op de terechtzitting te kennen heeft gegeven zich niet verantwoordelijk te voelen voor fatale afloop van de autorit. Dadelijk na het ongeval heeft verdachte een poging gedaan de verantwoordelijkheid in de schoenen van het slachtoffer te schuiven; het slachtoffer zou hebben gereden. Inmiddels erkent verdachte weliswaar zelf de bus te hebben bestuurd, maar blijft hij op weinig constructieve wijze de VOA-bevindingen betwisten. Zo stelt verdachte zich op het standpunt dat hij ondanks het nuttigen van alcohol prima in staat was om te rijden en dat hij ook daadwerkelijk veilig gereden heeft. Hiermee is dan weer moeilijk te rijmen dat verdachte de verantwoordelijkheid voor de fatale consequenties mede bij het slachtoffer legt, die immers ‘zelf in de bus is gestapt’. Ook met zijn stellige mededeling dat hij niet wist dat – buiten de andere passagiers – het slachtoffer zich tijdens de fatale rit in zijn bus bevond, lijkt verdachte de verantwoordelijkheid voor de dood van het slachtoffer (mede) bij het slachtoffer zelf te willen leggen.

Dit alles moet voor de nabestaanden van het slachtoffer een uiterst pijnlijke gewaarwording zijn geweest.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de feiten, niets anders dan een gevangenisstraf passend. Ook zal de rechtbank ter bescherming van de verkeersveiligheid verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval door ernstige schuld, waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen en het alcoholgebruik hoger is dan 570 ug/l, wordt een gevangenisstraf van 24 maanden en een rijontzegging voor de duur van 4 jaar gehanteerd. In onderhavig geval is daarnaast sprake van twee mishandelingen, waarvan één met zwaar lichamelijk letsel als gevolg en werkt het strafblad van verdachte strafverzwarend.

Met name gelet op de houding van verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen om daaraan de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden te koppelen. Indien verdachte in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling kan alsdan beoordeeld worden of en zo ja welke bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling gekoppeld kunnen worden.

De rechtbank ziet tevens geen aanleiding om met betrekking tot de beide mishandelingen mediation in te schakelen, zoals de raadsman heeft verzocht.

Alles afwegende acht de rechtbank, hoewel zij tot vrijspraak van feit 3 komt, de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd tot € 750,00, gelet op vergelijkbare zaken. De vordering kan derhalve tot een bedrag van € 845,95 worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de vordering van de benadeelde partij wil voldoen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 62 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte ter zake het onder 1 primair, 2, 5 en 6 bewezen verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Ten aanzien van feit 1 primair voorts

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 4 jaar.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte ter zake het onder 4 bewezen verklaarde tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.345,96 (zegge: duizend driehonderd vijfenveertig euro en zesennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer2] te betalen een bedrag van € 1.345,96 (zegge: duizend driehonderd vijfenveertig euro en zesennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 95,96 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en

mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2017.

Mr. Venema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.