Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1283

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
LEE 17-906
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning bouwen. Uitleg planvoorschrift en hoofdgebouw. Bestaande afstand van de perceelsgrens. Geen strijd met het bestemmingsplan. Limitatieve weigeringsgronden. Geen aanleiding om nadere eisen te stellen. Parkeerbeleid niet onredelijk. Geen kortsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1858
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 17/906

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2017 in de zaken tussen

1. [verzoekster]te Groningen [adres], verzoekster sub 1,

2. [verzoeker]te Groningen [adres], verzoeker sub 2,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

(gemachtigde: mr. J.M. Smits),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

(gemachtigde: H.K. de Jonge).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [plaats], vergunning-houder.

Procesverloop

Bij primair besluit van 25 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van veertien appartementen op het perceel [plaats] te Groningen, waarbij ontheffing is verleend op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening.

Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers op 27 juni 2016 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 4 juli 2016 aangegeven dat de bij het bestreden besluit verleende omgevingsvergunning nog niet in werking is getreden, totdat op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, is ingestemd door het bevoegd gezag en het desbetreffende besluit in werking is getreden.

Verzoekers hebben bij brief van 6 juli 2016 het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Naar aanleiding van een bewonersbrief van 3 maart 2017, waarin aangegeven is dat binnenkort met de voorbereiding van de bouw op het binnenterrein gestart zal worden, hebben verzoekers bij brief van 3 maart 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 16 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van verzoekers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 17 maart 2017 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 22 maart 2017.

Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, I. Stoepker en

K. Kuiper.

Als vergunninghouder is [vergunninghouder] verschenen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Vergunninghouder heeft op 7 oktober 2015 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het realiseren van 14 appartementen op het perceel [adres] te Groningen bij verweerder ingediend.

De aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteit:

- bouwen.

1.2.

Verweerder heeft het bouwplan ter advisering voorgelegd aan de stadsbouwmeester. In een advies van 9 december 2015 heeft de stadsbouwmeester aangegeven dat het bouwplan, getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota en de aanbevelingen van het betreffende welstandsgebied, voldoet aan redelijke eisen van welstand.

In een nader advies van 7 oktober 2016 is de stadsbouwmeester ingegaan op de welstandscriteria. In voormeld advies heeft de stadsbouwmeester aangegeven dat de aanvraag een éénduidig, structurerend en logisch ontwerpidee dat is afgestemd op de context van de bestaande situatie. De aanvraag is consequent uitgewerkt, het materiaalgebruik en de detaillering zijn helder en logisch en ondersteunen het ontwerpidee. Gelet hierop voldoet de aanvraag aan redelijke eisen van welstand.

1.3.

Bij primair besluit van 25 april 2016 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 14 appartementen op het perceel [adres] te Groningen.

1.4.

Tegen dit besluit heeft verzoeker sub 2 bij brief van 27 mei 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Tegen dit besluit heeft verzoekster sub 1 bij brief van 3 juni 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Verzoekster sub 1 heeft bij brief van 5 juni 2016 de gronden van bezwaar aangevuld.

1.5.

Verzoekers hebben de bezwaarschriften mondeling toegelicht op een hoorzitting van 25 augustus 2016 van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, algemene kamer, van de gemeente Groningen (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.6.

De commissie heeft verweerder bij brief van 7 maart 2017 geadviseerd de bezwaarschriften van verzoekers ongegrond te verklaren en het primaire besluit te handhaven.

1.7.

Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit de bezwaarschriften van verzoekers ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening.

2.2.

Ingevolge het bestemmingsplan “Oranjebuurt/Noorderplantsoenbuurt” is aan het betreffende perceel de bestemming “wonen, archeologische waarde-2” toegekend.

Ingevolge artikel 11.1, onder a, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “wonen” aangewezen gronden bestemd voor: wonen.

Ingevolge artikel 11.2.2, onder b, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepaling: de afstand tussen vrijstaande hoofdgebouwen en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de bestaande afstand geldt.

Ingevolge artikel 11.3 van de planvoorschriften kan verweerder nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a. de woonsituatie:

Ten aanzien van de binnen de bestemming toegelaten gebruiksvormen dient rekening gehouden te worden met het instandhouden c.q. tot stand brengen van een redelijke lichttoetreding, alsmede de aanwezigheid van voldoende privacy;

b. het straat- en bebouwingsbeeld:

Ten aanzien van de binnen de bestemming toegelaten gebruiksvormen dient te worden gestreefd naar het instandhouden c.q. tot stand brengen van een, in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. In het algemeen zal bij bebouwing worden gestreefd naar:

- een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;

- een goede hoogte/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is.

c. de verkeersveiligheid:

Ten aanzien van de binnen de bestemming toegelaten gebruiksvormen dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. tot stand brengen van een verkeersveilige situatie;

d. de sociale veiligheid;

Ten aanzien van de binnen de bestemming toegelaten gebruiksvormen dient te worden voorkomen dat een ruimtelijke situatie ontstaat die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is;

e. de milieusituatie;

Ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten gebruiksvormen dient rekening te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeers-aantrekkende werking;

f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:

Ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten gebruiksvormen dient rekening te worden gehouden met gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, indien deze daardoor kunnen worden beïnvloed.

2.4.

Op 8 juni 2016 heeft de raad van de gemeente Groningen (hierna: de raad) het bestemmingsplan “Facetherziening Parkeren” vastgesteld.

Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto’s in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge artikel 4.4 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan passen burgemeester en wethouders deze bouwregels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

2.5.

Op 12 juni 2012 heeft verweerder op grond van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening de Beleidsregels parkeernormen 2012 (hierna: het parkeerbeleid) vastgesteld.

Met betrekking tot de parkeernorm voor ringwijken is in het parkeerbeleid onder meer het volgende aangegeven:

‘Voor locaties in de ringwijken geldt grotendeels hetzelfde als voor locaties in de binnenstad. De praktijk wijst uit dat ook hier het parkeren vaak niet op eigen terrein op te lossen is. Het gevolg is dan ook hier dat dergelijke bouwplannen niet worden gerealiseerd, terwijl dat wel gewenst is, gezien vanuit de economische ontwikkeling van de stad.

Er wordt daarom in de ringwijken bij bouwplannen met een maximale parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen standaard ontheffing voor die 5 parkeerplaatsen verleend.

De ontheffing wordt maximaal 1 keer per bouwontwikkeling gegeven. Als een bouwontwikkeling opgesplitst wordt ingediend ten behoeve van het verkrijgen van de ontheffing, verlenen wij de ontheffing slechts eenmalig.’

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1.

Aangezien vergunninghouder een aanvang kan nemen met de bouwwerkzaamheden, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan de zijde van verzoekers gegeven.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekers ter zitting hebben bevestigd dat de door hen naar voren gebrachte grond dat in dit geval tevens een omgevingsvergunning voor het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument vereist is, als ingetrokken dient te worden beschouwd. Hieruit volgt dat deze grond niet meer inhoudelijk besproken hoeft te worden.

5. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het bouwplan in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan. Ook voldoet het bouwen aan de eisen, zoals deze zijn opgenomen in de welstandsnota. Verweerder wijst erop dat de aanvraag getoetst is aan de van toepassing zijnde bepalingen uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Hieraan wordt voldaan. Met betrekking tot de parkeerbehoefte wijst verweerder erop dat met ingang van 8 juni 2016 het bestemmingsplan “Facetherziening Parkeren” geldt. Verder wijst verweerder erop dat de Oranje-Noorderplantsoenwijk gerekend wordt tot de “Ringwijken”. Omdat de praktijk uitwijst dat parkeren op eigen terrein in de ringwijken vaak niet is op te lossen, wordt daarom in deze wijken bij een bouwplan met een maximale parkeerbehoefte van vijf parkeerplaatsen een standaardontheffing voor die vijf parkeerplaatsen verleend op grond van het parkeerbeleid. Volgens verweerder is bij het onderhavige bouwplan geen sprake van een behoefte van meer dan vijf parkeerplaatsen. Gelet hierop hoeft er naar de mening van verweerder dan ook niet voor parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gezorgd.

5.1.

Verzoekers betogen dat het onderhavige bouwplan in strijd komt met artikel 11.2.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, aangezien uit de bouwtekeningen blijkt dat niet aan deze afstandseis wordt voldaan. In dit verband wijzen verzoekers erop dat de op de gronden aanwezige garageboxen niet noodzakelijk waren voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming, zodat de garageboxen niet onder de definitie van hoofdgebouw, als bedoeld in artikel 1.44 van de planvoorschriften vallen. Naar de mening van verzoekers is het onderhavige bouwplan in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan en heeft verweerder de omgevingsvergunning vanwege deze reden ten onrechte niet geweigerd. Evenmin heeft verweerder een besluit tot afwijking van voormeld planvoorschrift genomen. Voorts is aangegeven dat de ramen binnen twee meter van de erfgrens gesitueerd zijn, hetgeen strijdig is met artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tot slot hebben verzoekers aangevoerd dat ten onrechte door verweerder ten onrechte geen nadere eisen zijn gesteld aan het bouwplan.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat op de plek van de te bouwen appartementen voorheen garageboxen stonden. Naar de mening van verweerder betrof het op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan zelfstandige garageboxen die ook als zodanig waren bestemd. Gezien deze bestemming is verweerder van mening dat de garageboxen aangemerkt dienen te worden als hoofdgebouwen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aan de hand van de plankaart aangegeven dat de gronden, waarop voorheen de garageboxen stonden, de bestemming “wonen”, met de nadere aanduiding “garageboxen”, hebben. Verweerder wijst erop dat de garageboxen op minder dan drie meter uit de perceelsgrens stonden. Hieruit volgt volgens verweerder dat de bestaande afstand geldt. Nu de appartementen op dezelfde afstand van de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd als de garageboxen is naar de mening van verweerder voldaan aan het bepaalde in artikel 11.2.2, onder b, van de planvoorschriften.

5.3.

Ingevolge artikel 1.44 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan wordt onder hoofdgebouw verstaan: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Ingevolge artikel 11.1, onder n, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor “wonen” aangewezen gronden bestemd voor: een garagebox, dan wel opslag, uitsluitend ter aanduiding “specifieke vorm van wonen-garageboxen”, met dien verstande dat ter plaatse de maximale bouwhoogte 3 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 11.2.2, onder b, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepaling: de afstand tussen vrijstaande hoofdgebouwen en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de bestaande afstand geldt.

5.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval de ingevolge artikel 11.2.2, onder b, van de planvoorschriften voorgeschreven bestaande afstand tot de zijdelingse perceelsgrens geldt. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de plankaart, behorend bij het bestemmingsplan, volgt dat de gronden, waarop voorheen de garageboxen stonden, de bestemming “garagebox, dan wel opslag” heeft, gelet op de aanduiding “specifieke vorm van wonen – garagebox”. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de op die gronden voorheen aanwezige garageboxen als hoofdgebouw aangemerkt dienen te worden. Hieruit volgt dat verweerder in het kader van artikel 11.2.2, onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan terecht is uitgegaan van de bestaande afstand. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de appartementen op dezelfde afstand worden gebouwd als de garageboxen, heeft verweerder de omgevingsvergunning in zoverre naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan verleend. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

6.1.

Verzoekers betogen dat verweerder de omgevingsvergunning in dit geval ten onrechte heeft verleend zonder gebruikmaking van zijn bevoegdheid om nadere eisen te stellen. In dit verband wijzen verzoekers erop dat zij straks tegen een zes meter hoge muur aan kijken die volgens de bouwtekening gelijk aan de erfscheiding gebouwd wordt. In deze muur zijn volgens de bouwtekening twee ramen gemaakt die een direct zicht in de tuin en op de woning van verzoekster sub 1 mogelijk maken. In de visie van verzoekers komt het bouwplan om die reden in strijd met artikel 5:50 van het BW. Naar de mening van verzoekers had verweerder nadere eisen behoren te stellen. In dit verband wijzen zij erop dat er onvoldoende rekening is gehouden met het in stand houden c.q. tot stand brengen van een redelijke lichttoetreding. Verder is er door verweerder onvoldoende rekening gehouden met de privacy van verzoekers en een samenhangend geheel van straat- en bebouwingsbeeld. Volgens verzoekers is er geen goede verhouding tussen bouwmassa en de open ruimte, aangezien de open ruimte vol wordt gebouwd. Verder wijzen verzoekers erop dat uit een door iTX Bouwconsult opgestelde bezonningsstudie van 18 mei 2016 naar voren komt dat er door de hoogbouw op het binnenterrein sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Hierbij achten verzoekers van belang dat uit voormelde bezonningsstudie afgeleid dient te worden dat zij op het balkon of dakterras of in de tuin geen zon meer zullen zien en geconfronteerd zullen worden met een aanzienlijke schaduwwerking. Ook gelet hierop zijn verzoekers van mening dat verweerder in dit geval ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om nadere eisen te stellen.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Dit brengt naar de mening van verweerder met zich dat de gestelde strijdigheid met artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen weigeringsgrond in de zin van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo oplevert. Met betrekking tot het stellen van nadere eisen geeft verweerder aan dat dit een bevoegdheid betreft en dat van die bevoegdheid in dit geval geen gebruik is gemaakt. In dit verband wijst verweerder erop dat het bouwplan als gevolg van overleg tussen de stedenbouwkundigen van de gemeente en de stadsbouwmeester aanpassingen heeft ondergaan en dat er van een onevenredige inbreuk op de belangen van verzoekers in dit geval geen sprake is. Gelet hierop bestond er volgens verweerder geen aanleiding om nadere eisen te stellen.

6.3.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het onderhavige bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Bij de te beoordelen omgevingsvergunning is van belang dat de toetsingsgronden, als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dwingend van aard zijn. Dit betekent dat de omgevingsvergunning geweigerd moet worden indien de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden. Andersom geldt echter dat als de bouwactiviteit in overeenstemming is met de in het eerste lid genoemde toetsingsgronden de omgevingsvergunning moet worden verleend door verweerder. De door verzoekers gestelde strijdigheid met artikel 5:50, eerste lid, van het BW vormt geen zelfstandige weigeringsgrond, als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Uit het voorgaande volgt dan ook dat verweerder de omgevingsvergunning niet kan weigeren om die reden. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

6.3.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan met de gevolgen van de toegestane bouwhoogte al rekening is gehouden en dat een afweging van belangen in dat kader al heeft plaatsgevonden. De eventuele beperking van deze bouw-hoogte met gebruikmaking van de bevoegdheid om nadere eisen te stellen, is een discretionaire bevoegdheid van verweerder, waarvan de bestuursrechter het gebruik terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen, zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014:4260, volgt dat het stellen van nadere eisen de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden niet mag belemmeren.

Verweerder heeft aangegeven van deze bevoegdheid in dit geval geen gebruik te hebben gemaakt, aangezien het bouwplan als gevolg van overleg tussen de stedenbouwkundigen van de gemeente en de stadsbouwmeester aanpassingen heeft ondergaan en dat er van een onevenredige inbreuk op de belangen van verzoekers in dit geval geen sprake is. Geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de bevoegdheid om nadere eisen te stellen. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat het bouwplan passend is binnen een stedelijke omgeving en dat de gekozen situering, mede gelet op de positieve welstandsadviezen, recht doet aan het straat- en bebouwingsbeeld. Van een onevenredige vermindering van zon- en lichtinval is in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

7.1.

Verzoeker sub 2 betoogt dat het hem bevreemdt dat verweerder een omgevings-vergunning voor het bouwplan heeft verleend, zonder dat er rekening is gehouden met de normen van verweerder voor wat betreft het aanleggen van parkeerplaatsen. Naar de mening van verzoeker sub 2 zouden er 4,2 parkeerplaatsen (afgerond 5 parkeerplaatsen) op het terrein moeten worden gerealiseerd.

7.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Oranje-Noorderplantsoenwijk gerekend wordt tot de “Ringwijken”. Omdat de praktijk uitwijst dat parkeren op eigen terrein in de ringwijken vaak niet is op te lossen, wordt daarom in deze wijken bij een bouwplan met een maximale parkeerbehoefte van vijf parkeerplaatsen een standaardontheffing voor die vijf parkeerplaatsen verleend op grond van het parkeerbeleid. Volgens verweerder is bij het onderhavige bouwplan geen sprake van een behoefte van meer dan vijf parkeerplaatsen. Gelet hierop hoeft er naar de mening van verweerder dan ook niet voor parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gezorgd.

7.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het parkeerbeleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Indien en voor zover verzoeker sub 2 heeft willen betogen dat er sprake is van kennelijk onredelijk beleid, volgt de voorzieningenrechter hem niet in dit betoog. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat aan het parkeerbeleid een gedegen en deugdelijke belangenafweging ten grondslag ligt, waarbij erop gewezen is dat zonder een standaardontheffing voor kleine bouwplannen in stedelijk gebied (minder dan vijf parkeerplaatsen) op zichzelf stedenbouwkundig aanvaardbare bouwplannen in verband met de parkeernorm nimmer gerealiseerd zouden kunnen worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker sub 2 geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder in dit geval gehouden zou zijn om van het parkeerbeleid af te wijken. Deze grond van verzoekster sub 2 slaagt niet.

8. Gelet op de voorgaande overwegingen dient de houdbaarheid van bestreden besluit in beroep als overwegend positief te worden ingeschat. Om die reden bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Aangezien de beroepstermijn nog niet is verstreken en andere bezwaarmakers mogelijk beroep tegen het bestreden besluit instellen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:86, derde lid, van de Awb.

9. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.

De griffier De voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: