Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1203

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
18.830400-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 27 maart 2017 een man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Op 31 oktober 2016 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Verdachte heeft, alvorens zich de fiets van aangever wederrechtelijke toe te eigenen, aangever bedreigd met geweld en geweld gepleegd door de aangever te prikken met een scherp of puntig voorwerp.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830400-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/840046-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 1998 te [geboorteplaats verdachte] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats verdachte] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 maart 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen . Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Groningen op de openbare weg (aan/nabij [adres] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte driegend op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of (daarbij) dreigend een scherp en/of puntig voorwerp heeft vastgehouden en/of aan die [slachtoffer 1] getoond, en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt (waarbij een worsteling met die [slachtoffer 1] is ontstaan) en/of (waarbij) die [slachtoffer 1] met dat scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken/geprikt, althans (in de borst) geraakt;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Groningen op de openbare weg (aan/nabij [adres 2] en/of [adres] ) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

- aan/nabij [adres 2] naar de fiets van die [slachtoffer 1] is gegaan en/of (vervolgens) die fiets heeft opgetild/gepakt, althans getracht op te tillen/te pakken, en/of (vervolgens)

- aan/nabij [adres] die fiets van die [slachtoffer 1] heeft gepakt en/of op die fiets is gaan zitten en/of (vervolgens) heeft getracht weg te fietsen, terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging(en) tot diefstal (telkens) werd(en) vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte op/aan openbare weg

- [adres 2] dreigend op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of die [slachtoffer 1] heeft (beet)gepakt en/of (vervolgens) met die [slachtoffer 1] heeft geworsteld, althans gerukt/geduwd/vastgepakt/geslagen, en/of

- [adres] dreigend op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of (daarbij) dreigend een scherp en/of puntig voorwerp heeft vastgehouden en/of aan die [slachtoffer 1] getoond, en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt (waarbij een worsteling met die [slachtoffer 1] is ontstaan) en/of (waarbij) die [slachtoffer 1] met dat scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken, althans (in de borst) geraakt;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met een scherp en/of puntig voorwerp (in/bij de borst) te steken/prikken, althans te raken;

2.

hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (kamer in) woning aan [adres 3] heeft weggenomen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld op de openbare weg tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte op de openbare weg, na door die [slachtoffer 1] te zijn aangesproken en/of gevolgd een of meermalen dreigend op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "oprotten" en/of "ga weg blijf van me af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (vervolgens) dreigend een scherp en/of puntig voorwerp heeft vastgehouden en/of aan die [slachtoffer 1] getoond, en/of die [slachtoffer 1] een of meermalen heeft vastgepakt (waarbij een worsteling met die [slachtoffer 1] is ontstaan) en/of (waarbij) die [slachtoffer 1] met dat scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken, althans (in de borst) geraakt;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Groningen , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (kamer in) woning aan [adres 3] weg te nemen enig goed van zijn gading, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning/kamer te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een ruit/afdichting van die woning/kamer heeft vernield/geforceerd, en/of die woning/kamer is binnengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, op de openbare weg, tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte op de openbare weg, na door die [slachtoffer 1] te zijn aangesproken en/of gevolgd een of meermalen dreigend op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "oprotten" en/of "ga weg blijf van me af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (vervolgens) dreigend een scherp en/of puntig voorwerp heeft vastgehouden en/of aan die [slachtoffer 1] getoond, en/of die [slachtoffer 1] een of meermalen heeft vastgepakt (waarbij een worsteling met die [slachtoffer 1] is ontstaan) en/of (waarbij) die [slachtoffer 1] met dat scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken/geprikt, althans (in de borst) geraakt;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Groningen in een woning, gelegen [adres 3] en in gebruik bij [slachtoffer 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen;

3.

hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (kamer in) woning aan [adres 3] heeft weggenomen een tas, een rugzak, een (gouden) ketting, een X-Box One met controllers en een of meer spellen, een jas en/of een of meer schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde geconcludeerd tot vrijspraak, omdat uit de stukken in het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte heeft ingebroken in de woning aan de [adres 3] te Groningen door middel van het ingooien van een ruit. De officier van justitie heeft daarentegen geconcludeerd dat het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde wel bewezen kan worden. Op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] die verklaart dat hij verdachte uit de woning aan de [adres 3] heeft zien komen en dat die persoon degene is die later door de politie is aangehouden, de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van [getuige] , is wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte op

31 oktober 2016 huisvredebreuk heeft gepleegd.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde geconcludeerd dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het verband tussen het steken met de spaak en het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de fiets ontbreekt, nu verdachte aangever heeft gestoken ter afwering en niet met het oogmerk om de fiets van aangever weg te nemen. Het oogmerk op het wegnemen van de fiets van aangever ontbreekt, waardoor ook poging tot diefstal van de fiets niet bewezen kan worden. De raadsman heeft aangevoerd dat slechts het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, te weten mishandeling, bewezen kan worden.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het volgende. Weliswaar is komen vast te staan dat verdachte zich in de buurt van de woning aan de [adres 3] te Groningen bevond, maar uit de verklaring van aangever [slachtoffer 1] blijkt onvoldoende dat verdachte daadwerkelijk in de woning aan de [adres 3] te Groningen is geweest. Het dossier bevat voorts geen andere verklaringen waaruit blijkt dat verdachte daadwerkelijk in de woning is geweest.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte op 29 oktober 2016 een inbraak heeft gepleegd aan de [adres 3] te Groningen . Voorts zijn de spullen die zouden zijn weggenomen bij deze inbraak niet bij verdachte aangetroffen.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 13 maart 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 31 oktober 2016 ben ik in Groningen aangesproken door een jongen op een fiets. Ik wilde wegrijden op de fiets van die jongen. Ik heb op de fiets van die jongen gezeten. Ik had een metalen spaak van mijn wiel vast en ik heb hem daarmee aangeraakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 oktober 2016, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier met nummer 2016310653 d.d. 14 december 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:

Op 31 oktober 2016 fietste ik in Groningen . Ik zag dat de jongen de [adres] in liep. Ik zag dat hij iets in zijn hand had. Het leek op een steekvoorwerp. Door zijn lichaamshouding leek het erop dat hij mij wilde gaan steken. De jongen pakte mij beet en er ontstond een korte worsteling. De jongen liep toen naar mijn fiets toe en pakte mijn fiets. Hij ging erop zitten en probeerde weg te fietsen. Ik voelde pijn aan mijn linkerborst en mijn linkerschouder. Ik zag dat er een steek-/prikwondje zat op mijn linkerborst.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 31 oktober 2016, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:

Op 31 oktober 2016 zag ik in de [adres] te Groningen twee mannen tegenover elkaar staan. Ik hoorde één van hen roepen: “Hij probeert mij te steken!”. Ik zag dat de andere man vervolgens een fiets pakte en hierop probeerde weg te fietsen.

4. Een geneeskundige verklaring, op 3 november 2016 opgemaakt en ondertekend door P.G. de Groot, forensisch arts, voor zover inhoudende, als zijn verklaring, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 1] had pijn ter plaatse van zijn borstkas links. Aan de linkerzijde van zijn borstkas had hij een kleine verwonding. Zijn T-shirt toonde op die plaats enkele kleine bloedvlekken en zijn trui en jas toonden een prikgaatje in het textiel. Het letsel past goed bij de opgegeven toedracht, omdat het formaat en de vorm van het uiteinde van de metalen spaak waarmee betrokkene zou zijn gestoken globaal overeen komt met het formaat en de vorm van de verwonding.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat voldoende blijkt dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de fiets van aangever [slachtoffer 1] heeft weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat uit het dreigen met geweld, het daadwerkelijk plegen van geweld en het vastpakken van de fiets om vervolgens weg te fietsen, blijkt dat verdachte in die situatie op enig moment de bedoeling had om zich de fiets van aangever wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank heeft voorts op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] en de letselverklaring geconcludeerd dat verdachte voorafgaand aan de wegnemingshandeling en kennelijk met het oog daarop aangever een scherp of puntig voorwerp heeft getoond en daarmee ook heeft geprikt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 31 oktober 2016 te Groningen op de openbare weg (aan/nabij [adres] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte dreigend op die [slachtoffer 1] is afgelopen en dreigend een scherp of puntig voorwerp heeft vastgehouden en aan die [slachtoffer 1] heeft getoond en vervolgens die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt (waarbij een worsteling met die [slachtoffer 1] is ontstaan) en (waarbij) hij die [slachtoffer 1] met dat scherpe of puntige voorwerp heeft geprikt.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair. diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft tevens gevorderd aan de voorwaardelijk op te leggen straf de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals genoemd in het reclasseringsrapport. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte recent nog is veroordeeld en dat zonder behandeling sprake is van een hoog recidiverisico.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een lagere straf opgelegd moet worden dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat hij minder bewezen acht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld door aangever [slachtoffer 1] te prikken met een scherp of puntig voorwerp. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van aangever. Voorts worden door dergelijke gedragingen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, recentelijk onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf tevens de over verdachte opgemaakte rapportages betrokken. De reclassering heeft geconstateerd dat verdachte zijn leven niet op orde heeft en dat hij een negatieve houding heeft ten opzichte van begeleiding en behandeling. Uit de psychologische rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de zin van een norm-overschrijdende gedragsstoornis, die zich lijkt te ontwikkelen tot een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Uit het psychologisch rapport blijkt daarnaast dat bij verdachte sprake is van cannabisgebruik en een mogelijke posttraumatische stressstoornis. Bij gelijkblijvende omstandigheden wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. Gelet op dit hoge recidiverisico adviseren zowel de reclassering als de psycholoog aan verdachte onder meer als bijzondere voorwaarden op te leggen het ondergaan van een klinische behandeling, gevolgd door een ambulante behandeling om te kunnen werken aan zijn cannabisgebruik en de scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven thans positief tegenover het naleven van de geadviseerde bijzondere voorwaarden te staan. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank acht een onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf van aanzienlijke duur gepast, aangezien verdachte binnen korte tijd is gerecidiveerd. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte, hoewel de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, dezelfde straf opleggen als door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank van oordeel is dat een lagere straf geen recht doet aan de ernst van het feit.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] integraal toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 1 juli 2016, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen , is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 16 juli 2016.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 15 februari 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zijn schriftelijke vordering gewijzigd in die zin dat hij thans van mening is dat de proeftijd met een jaar moet worden verlengd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig thans te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar en wijziging van de bijzondere voorwaarden in die zin dat deze gelijk komen te luiden als de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd in deze strafzaak.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 7 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op de start van het reclasseringstoezicht telefonisch meldt bij Reclassering Bouman GGZ te Rotterdam, en dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan plaatsing in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. dat de veroordeelde meewerkt aan plaatsing in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en dat veroordeelde zich houdt aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de Reclassering Bouman GGZ heeft opgesteld, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. dat de veroordeelde zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling laat opnemen in FVK Blaak, St. Antes of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, voor maximaal 12 maanden, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

5. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.125,63 (zegge: tweeduizend honderdvijfentwintig euro en drieënzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 2.125,63 (zegge: tweeduizend honderdvijfentwintig euro en drieënzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 625,63 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/840046-15:

Verlengt de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 1 juli 2016 vastgestelde proeftijd met één jaar en wijzigt de bijzondere voorwaarden in die zin dat deze gelijk komen te luiden als de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd in deze strafzaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. J. de Vroome en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2017.