Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1192

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
LEE 16/1311
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB rechtvaardigt de aanwezigheid van een belanghebbende tijdens reguliere arbeidstijden op een werkplek in een bedrijf de vooronderstelling dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Nu eiser zelf heeft erkend aanwezig te zijn geweest in het bedrijf tijdens reguliere arbeidsuren, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij daar geen op geld waardeerbare arbeid heeft verricht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4555). Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van de getuige van voldoende gewicht om een ander licht te werpen op de onder meer door eiser afgelegde verklaringen. Die verklaringen zijn onvoldoende concreet om daar een zwaarder gewicht aan toe te kennen dan aan de verklaring van de getuige. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de verklaring van de getuige er toe dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de vooronderstelling als eerder aangegeven in zijn specifieke geval niet gerechtvaardigd is. Uit de verklaring van de getuige blijkt immers dat de insteek voor de aanwezigheid van eiser in het bedrijf een sociaal-maatschappelijke is geweest. Die insteek is ter zitting door verweerder niet ontkend. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, herroept de primaire besluiten en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. U. van Ophoven),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Marne, verweerder

(gemachtigde: B.P. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Participatiewet met ingang van 1 november 2014 ingetrokken.

Bij besluit van 11 september 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het over de periode 1 november 2014 tot en met 31 mei 2015 betaalde bedrag aan bijstand,
€ 6.405,05, teruggevorderd.

Bij besluit van 15 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 en het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen de heer [naam getuige] , die op verzoek van eiser als getuige is gehoord.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 15 maart 2012 een uitkering op grond van voorheen de Wet Werk en Bijstand (WWB), thans de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande.

2. Naar aanleiding van een anonieme melding, inhoudende dat eiser werkzaam zou zijn bij garage [naam garagebedrijf] in [vestigingsplaats] heeft een sociaal rechercheur bij het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen, tevens toezichthouder, een onderzoek ingesteld naar de uitkeringsrechten van eiser. De sociaal rechercheur heeft zijn bevindingen neergelegd in het frauderapport van 21 mei 2015.

2.1.

Uit het frauderapport blijkt onder meer dat in de periode van 18 november 2014 tot en met 10 december 2014 en van 3 februari 2015 tot en met 8 april 2015 observaties zijn verricht bij de garage en bij eisers woning. Op 30 april 2015 heeft de sociaal rechercheur in het kantoor van het bedrijf een gesprek met eiser gevoerd. Eiser heeft een verklaring afgelegd, die hij ondertekend heeft. Op diezelfde dag is met de eigenaar van de garage een gesprek gevoerd en ook van dat gesprek is een verslag opgemaakt, dat de eigenaar heeft ondertekend.

2.2.

In het frauderapport is geconcludeerd dat uit het onderzoek en de afgelegde verklaringen blijkt dat eiser werkzaamheden verricht voor de garage. Eiser, noch de eigenaar van de garage, heeft een boekhouding of administratie bijgehouden, waaruit blijkt wanneer werkzaamheden zijn verricht. Daarom kan het recht op een bijstandsuitkering voor de periode 1 november 2014 tot 1 mei 2015 niet worden vastgesteld. Omdat eiser de inlichtingenplicht, als neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet niet is nagekomen, is geadviseerd de bijstandsuitkering met ingang van 1 november 2014 in te trekken en de ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering terug te vorderen.

2.3.

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 1 november 2014.

2.4.

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder het te veel ontvangen bedrag aan bijstandsuitkering, te weten € 6.405,05, teruggevorderd.

2.5.

De Intergemeentelijke Commissie Bezwaarschriften gemeenten Bedum, De Marne en Winsum heeft in het advies van 7 december 2015 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

2.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

3. Eiser heeft - kort gezegd - aangevoerd dat hij geen werkzaamheden heeft verricht en daarom de inlichtingenplicht niet heeft geschonden.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1327, naar welke uitspraak verweerder in het verweerschrift heeft verwezen) rechtvaardigt de aanwezigheid van een belanghebbende tijdens reguliere arbeidstijden op een werkplek in een bedrijf de vooronderstelling dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de in geding zijnde periode geregeld aanwezig was bij [naam garagebedrijf] .

4.4.

Nu eiser zelf heeft erkend aanwezig te zijn geweest in het bedrijf tijdens reguliere arbeidsuren, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij daar geen op geld waardeerbare arbeid heeft verricht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van
22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4555).

4.5.

De getuige heeft ter zitting - samengevat - verklaard dat hij naast [naam garagebedrijf] een eigen loods heeft, dat de showroom van [naam garagebedrijf] van hem is en dat hij daarmee in het bezit is van 1/3 van het bedrijf. Het bedrijf is een eenmansbedrijf en 2/3 van het bedrijf is in het bezit van R. [naam eigenaar] . De getuige heeft verklaard dat hij in 2014/2015 zeker vier of vijf dagen en eigenlijk zes dagen per week aanwezig was bij [naam garagebedrijf] , waar hij fungeert als adviseur. Daarvoor wordt hij niet betaald, omdat zijn inkomen zodanig is dat daar geen reden voor is. De getuige heeft verklaard dat hij in overleg met [naam eigenaar] heeft besloten eiser, na diens detentie, te helpen bij diens terugkeer naar een normaal leven. Er is contact geweest met de reclassering. Eiser mocht gaan wanneer hij wilde. De getuige heeft verklaard dat hij en [naam eigenaar] eiser vanaf het begin tot heden sociaal maatschappelijk hebben begeleid. Eiser was bang om alleen te zijn, dit had te maken met zijn psychische gesteldheid. Om die reden was eiser er vroeg en ging hij laat weer weg. Hij had geen enkele rol in het garagebedrijf. De getuige heeft verklaard dat eiser ongetwijfeld werkzaamheden zal hebben verricht, maar dat was voor eiser zelf, niet voor het garagebedrijf. Werkzaamheden verrichten voor het bedrijf was ook niet mogelijk, omdat eiser daartoe niet bevoegd was en ook de benodigde opleiding niet had. Daarbij is van belang dat het bedrijf bijzondere auto’s heeft, waar dan ook specifieke deskundigheid voor vereist is. Het bedrijf heeft geen eigen werkkleding. De getuige is betrokken geweest bij het aanvragen bij de gemeente van een opleiding voor eiser. Bij de werkcoach van eiser en bij de heer [naam gemeenteambtenaar] van de gemeente heeft de getuige hetzelfde verklaard als hij ter zitting heeft naar voren heeft gebracht. Eiser heeft geen financiële compensatie ontvangen, zo heeft de getuige verklaard.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van Vervat als getuige van voldoende gewicht om een ander licht te werpen op de door eiser en [naam eigenaar] afgelegde verklaringen. De verklaringen van eiser en [naam eigenaar] zijn onvoldoende concreet om daar een zwaarder gewicht aan toe te kennen dan aan de verklaring van de getuige.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt de verklaring van de getuige er toe dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de vooronderstelling als bedoeld onder 4.2 in zijn specifieke geval niet gerechtvaardigd is. Uit de verklaring van de getuige blijkt immers dat de insteek voor de aanwezigheid van eiser in het bedrijf een sociaal-maatschappelijke is geweest. Die insteek is ter zitting door verweerder niet ontkend. De rechtbank weegt voorts mee dat de gemachtigde van verweerder ter zitting op eigen initiatief tot twee keer toe heeft meegedeeld dat, naar aanleiding van de verklaring van de getuige ter zitting, men ook anders naar de aanwezigheid van eiser bij het bedrijf zou kunnen kijken dan verweerder heeft gedaan.

4.8.

Ten aanzien van hetgeen de getuige heeft verklaard over contacten met ambtenaren van de gemeente heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat hij daarover geen gegevens heeft aangetroffen in het dossier. Blijkbaar zijn van bedoeld overleg met ambtenaren van de gemeente geen notities gemaakt. Het ontbreken daarvan komt voor rekening en risico van verweerder.

4.9.

Voorts acht de rechtbank van belang dat de in het frauderapport vermelde door eiser verrichte werkzaamheden zoals het verrichten van onderhouds- en montagewerkzaamheden aan auto’s van klanten, het te woord staan van klanten en het zelfstandig halen en brengen van auto’s niet worden gestaafd door de door eiser en [naam eigenaar] ondertekende verklaringen en ook niet door de observaties.

4.10.

Uit de observaties kan slechts worden afgeleid dat de Daihatsu Charade met kenteken [kenteken 1] , die tot 16 maart 2015 op eisers naam stond, op 18 november 2014, op
27 november 2014 en op 2 december 2014 respectievelijk naast, voor en achter het hek van [naam garagebedrijf] geparkeerd stond en op 3 februari 2015, 24 februari 2015, 2 maart 2015 en 12 maart 2015 naast het hek van het bedrijf stond of “bij” het bedrijf. De Peugeot 106 met kenteken [kenteken 2] , die sinds 16 maart 2015 op eisers naam stond, is blijkens de observaties op 30 maart 2015, 7 april 2015 en op 30 april 2015 waargenomen bij het bedrijf. Uit de in totaal slechts twee keer dat eiser zelf bij het bedrijf is waargenomen, op 24 februari 2015 en op 30 maart 2015, kan ook niet iets concreets worden afgeleid. Het voorgaande betekent dat de observaties niet ten grondslag gelegd kunnen worden aan de intrekking en terugvordering van de uitkering.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal de primaire besluiten 1 en 2 herroepen. Dat betekent dat de intrekking en de terugvordering van de uitkering ongedaan worden gemaakt.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten 1 en 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.