Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1154

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
C/17/129105 / HA ZA 13-245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overheidsaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1747
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/129105 / HA ZA 13-245

Vonnis van 29 maart 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap

[de Holding] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap

[B.V.2] ,

statutair gevestigd in de gemeente [X] ,

3. [dhr. A],

wonende te [woonplaats]

eisers,

advocaat mr. M.R. Gans te Groningen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OOSTSTELLINGWERF,

zetelend te Oosterwolde,

gedaagde,

advocaten mr. J.V. van Ophem en mr. M. Bauman te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna afzonderlijk de Holding, [B.V.2] , [dhr. A] en de gemeente worden genoemd. Eisers zullen gezamenlijk als [eisers] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 augustus 2016 (verder: het tussenvonnis)

  • -

    de akte van [eisers]

  • -

    de antwoordakte van de gemeente.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist. De inhoud van dit vonnis moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Ten aanzien van de resterende geschilpunten wordt thans als volgt overwogen.

gederfde winst

voorts ten aanzien van de Holding (besluit- en vertragingsaansprakelijkheid); vordering onder a

2.2.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis overwogen en beslist dat de vorderingen, voor zover deze zijn ingesteld door [B.V.2] en [dhr. A] , niet toewijsbaar zijn. Voor wat betreft de vordering van de Holding heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat de gemeente onrechtmatig jegens de Holding heeft gehandeld door het nemen van de (nadien vernietigde) beslissingen op bezwaar van 22 maart 2007 en 9 april 2008. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat [eisers] bij de opstelling van de gestelde schade geen onderscheid heeft gemaakt ten aanzien van de verschillende posities van de Holding enerzijds en [B.V.2] anderzijds. Zij heeft de Holding daarom in de gelegenheid gesteld om bij akte een onderbouwing te geven van haar eigen schade, waarbij zij tevens diende aan te geven in welke periode deze schade is geleden. De rechtbank heeft hieraan toegevoegd dat iedere verdere beslissing ten aanzien van de vordering van de Holding, waaronder die over de causaliteit, zal worden aangehouden. Voorts is overwogen dat in een later stadium van het geding nog een oordeel zal worden gegeven over de vraag of de schending van beslistermijnen tot een zelfstandige schadevergoedingsplicht kan leiden omdat de Holding eerst haar eigen schade moet onderbouwen en daarmee mede inzichtelijk moet maken in hoeverre voor haar belang bestaat bij beoordeling van deze grondslag.

2.3.

[eisers] heeft bij akte betoogd dat het niet mogelijk is om een onderscheid te maken tussen de schade van de Holding enerzijds en [B.V.2] anderzijds omdat de schade van beide vennootschappen één en dezelfde zou zijn. De bouwmarkt is volgens [eisers] geëxploiteerd door de Holding via een afzonderlijke besloten vennootschap waarvan zij de enige aandeelhouder is ( [B.V.2] ). Met die vennootschap vormt zij ook een fiscale eenheid voor de belastingheffing. Daar komt bij dat de Holding ook de franchisenemer van de Gamma-formule was. De materiële ondernemer wier belangen in deze kwestie in het geding zijn, is daarmee de Holding. Alle revenuen die in het vennootschappelijke vehikel van [B.V.2] zouden zijn gegenereerd kwamen toe aan de Holding. De Holding was ook degene die optrad als kredietnemer voor de kredieten die nodig waren voor de exploitatie van de bouwmarkten. De Holding vraagt in deze zaak vergoeding van haar schade als gevolg van een rechtstreeks jegens haar gepleegde onrechtmatige daad. Er is daarom ook geen sprake van afgeleide schade als bedoeld in de zogenoemde "Poot-ABP-jurisprudentie". De schade die de Holding heeft geleden bestaat uit de gemiste inkomsten uit exploitatie van de bouwmarkt, aldus nog steeds [eisers]

2.4.

De gemeente heeft hiertegen ingebracht dat de schade die de Holding vergoed wil zien, enkel kan worden aangemerkt als de schade die door [B.V.2] is geleden. Nu in het tussenvonnis is geoordeeld dat de gemeente jegens [B.V.2] niet aansprakelijk is, stuit de vordering reeds hierop af omdat niet valt in te zien dat de schade van [B.V.2] gelijk is aan de schade van de Holding. [eisers] heeft - aldus de gemeente - hiervoor geen enkele onderbouwing gegeven. Volgens de gemeente vordert de Holding, anders dan [eisers] betoogt, afgeleide schade die zij als aandeelhouder lijdt, hetgeen in beginsel niet voor toewijzing in aanmerking komt.

2.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5.1.

Bij de inleidende dagvaarding is door de Holding en [B.V.2] gezamenlijk vergoeding gevorderd van een bedrag (exclusief wettelijke rente) van € 754.00,00, dat is gespecificeerd in productie 36 van [eisers] Dit overzicht betreft de beweerdelijke som van het - aldus [eisers] - vermoedelijke (gederfde) netto bedrijfsresultaat over de jaren 2006-2010, gebaseerd op aannames die volgens [eisers] hun grondslag hebben in marktonderzoek en de begroting die de franchiseorganisatie ten behoeve van de exploitatie heeft opgesteld. Daargelaten de vraag of hierbij is uitgegaan van een juiste periode en overigens juiste aannames (de gemeente heeft op dit punt uitgebreid verweer gevoerd), moet vastgesteld worden dat [eisers] zowel bij dagvaarding als in haar nadere toelichting bij akte zich in feite op het standpunt stelt dat de Holding en [B.V.2] materieel gezien één en dezelfde ondernemer zijn en dat de schade van de Holding daarom gelijk is aan de schade van [B.V.2] . De Holding vordert daarom exploitatieschade die zij in haar visie rechtstreeks lijdt. De rechtbank constateert dat aldus niet aan de orde is de situatie die speelde in het arrest van de Hoge Raad van 2 december 1994 inzake "Poot-ABP" (onder meer gepubliceerd in NJ 1995, 288) en de daarop voortbouwende jurisprudentie. De Holding vordert ook geen vergoeding voor de vermindering van haar aandelen wegens onrechtmatig handelen van de gemeente jegens [B.V.2] . Deze situatie kan ook niet aan de orde zijn omdat de rechtbank in haar tussenvonnis heeft geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens laatstbedoelde vennootschap. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering niet beoordelen aan de hand van de Poot-ABP-doctrine, maar zich bij de beoordeling beperken tot de vraag of de Holding zich op goede gronden op het standpunt kan stellen dat de exploitatieschade in wezen door haar is geleden.

2.5.2.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat uitgangspunt is dat ook binnen concernverband de verschillende vennootschappen afzonderlijke rechtssubjecten betreffen met een eigen vermogen. De enkele (gestelde) omstandigheid dat de Holding en [B.V.2] een fiscale eenheid zouden vormen maakt dit niet anders nu dit alleen van belang is in de relatie tot de Belastingdienst. Het zijn van een fiscale eenheid betekent niet dat de vermogens van een holding en een dochtermaatschappij, in afwijking van het hiervoor vermelde uitgangspunt, in juridisch opzicht samenvallen. Evenmin kan de omstandigheid dat de Holding jegens Intergamma als franchisenemer heeft te gelden van doorslaggevende betekenis zijn. Nog afgezien van het feit dat de franchiseovereenkomst pas is ondertekend op 22 februari 2010 en dus pas na het onherroepelijk worden van de beslissing op bezwaar van 9 december 2009 en derhalve niet ziet op de periode waarin de onrechtmatig geoordeelde besluiten zijn genomen, zijn de bedrijfsactiviteiten van [B.V.2] daarmee immers nog niet de bedrijfsactiviteiten van de Holding geworden, als gevolg waarvan de revenuen van [B.V.2] automatisch naar de Holding zouden vloeien. Zoals hiervoor overwogen moeten de vennootschappen immers als juridisch zelfstandige entiteiten worden aangemerkt. De achterliggende gedachte bij het oprichten van verschillende vennootschappen binnen één concern is nu ook juist dat aan bescherming van vermogens wordt gedaan. Op het moment dat er, zoals hier, voor wordt gekozen om de bedrijfsactiviteiten in een afzonderlijke vennootschap (werkmaatschappij) onder te brengen, heeft deze beschermingsconstructie als keerzijde dat het derven van winst als gevolg van onrechtmatig handelen door een derde in financieel opzicht alleen (althans rechtstreeks) de werkmaatschappij raakt en niet de holding. Een holding kan hierdoor wel schade lijden in de vorm van vermindering van de waarde van haar aandelen (afgeleide schade), maar zoals hiervoor is overwogen is de vordering hierop niet gebaseerd.

2.5.3.

Gelet op het vorenstaande kan de Holding dus in beginsel de gemiste winst door de vertraging bij de exploitatie van de bouwmarkt door [B.V.2] niet als haar eigen schade vorderen. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld waarom in dit geval (indien al mogelijk) een uitzondering op hetgeen hiervoor als vertrekpunt voor de beoordeling van de vordering uiteen is gezet, kan worden aangenomen. Geconstateerd moet worden dat haar betoog in wezen enkel is gebaseerd op de niet onderbouwde stelling dat "(…) alle revenuen die in het vennootschappelijke vehikel van [B.V.2] zouden zijn gegenereerd kwamen toe aan [de Holding] ", hetgeen als onvoldoende moet worden beschouwd. Aan bewijslevering ten aanzien van de eigen schade wordt daarom niet toegekomen. Gelet hierop moet als vaststaand worden aangenomen dat de Holding geen eigen schade heeft geleden. In zoverre is de situatie dan ook, anders dan de Holding "ten overvloede" heeft opgemerkt, niet vergelijkbaar met de zaak die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 1997, NJ 1997, 662 (Kip en Sloetjes-Coöperatieve Raiffeisen-Boerenleenbank Winterswijk B.A). In die zaak is immers geoordeeld dat Kip en Sloetjes (ook) eigen schade hadden geleden.

2.5.4.

[eisers] heeft zich voorts nog beroepen op de "subsidie-arresten" van de Hoge Raad van 3 februari 2006, NJ 2006, 325 en 31 oktober 2014, JB 2014, 255. Volgens [eisers] blijkt uit die arresten dat de Hoge Raad in die zaken geen onderscheid maakt tussen de formele en de materiële belanghebbende. In die zaken lag evenwel niet de vraag voor of een holding schadevergoeding kon claimen wegens gederfde winst van de werkmaatschappij als zijnde (rechtstreekse) eigen schade, maar of sprake was van een normschending jegens een partij die niet de formele aanvrager was van een subsidie. Deze arresten missen dan ook relevantie voor de beoordeling van het thans voorliggende geschilpunt.

2.5.5.

Gelet op het vorenstaande slaagt het verweer van de gemeente dat de vordering van de Holding moet worden afgewezen vanwege de omstandigheid dat onvoldoende is gesteld dat de Holding eigen schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van de gemeente. Dienovereenkomstig zal ten aanzien van dit onderdeel van de vordering van de Holding worden beslist. Dit brengt mee dat wegens gebrek aan belang niet behoeft te worden ingegaan op hetgeen [eisers] in haar akte en de eerder gewisselde processtukken over onder meer de causaliteit en de hoogte van de schade naar voren heeft gebracht. Evenmin wordt toegekomen aan de beoordeling van het gestelde onrechtmatig handelen jegens de Holding wegens het niet tijdig beslissen door de gemeente, nu ook hiervoor heeft te gelden dat niet is gebleken van rechtstreekse schade aan de zijde van de Holding. De vordering van de Holding zal daarom in zoverre eveneens worden afgewezen.

huurschade

voorts ten aanzien van [dhr. A] (vertragingsaansprakelijkheid); vordering onder c (primair)

2.6.

[eisers] heeft bij akte terecht opgemerkt dat de rechtbank in het tussenvonnis weliswaar heeft overwogen dat de gemeente jegens [dhr. A] niet aansprakelijk is vanwege het nemen van onrechtmatige besluiten en dat de vordering daarom zal worden afgewezen, maar dat nog niet is beslist over de vordering van [dhr. A] voor zover het om de zelfstandige grondslag gaat die inhoudt dat de gemeente op grond van het (ruimschoots) overschrijden van beslistermijnen aansprakelijk is.

2.6.1

Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Zoals al vermeld in het tussenvonnis is de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, onvoldoende voor het oordeel dat aldus onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW (zie het in het tussenvonnis vermelde arrest en de nadien gewezen arresten, waaronder redelijk recent nog HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1454). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding, en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden (en van eventuele andere derden, zijnde niet-belanghebbenden). In het tussenvonnis is reeds geoordeeld dat de belangen van [dhr. A] als eigenaar in zodanige mate bij het verlenen van de aangevraagde vrijstelling waren betrokken dat hij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) beschouwd moest worden.

2.6.2.

Tussen partijen is onder meer in geschil of de belangen van [dhr. A] in zijn hoedanigheid van eigenaar van het pand voor de gemeente kenbaar waren. [eisers] heeft hieromtrent in de gedingstukken naar voren gebracht dat voor de gemeente volstrekt helder geweest moet zijn dat de vermogensrechtelijke belangen van de eigenaar van het bedrijfspand (ook) bij de aanvraag waren betrokken. Begin 2006 was het pand ontruimd om de vestiging van de bouwmarkt mogelijk te maken. De vorige exploitant had zijn bedrijf inmiddels verplaatst naar elders. De gemeente was daarvan zonder meer op de hoogte te achten, aldus [eisers] Bij akte heeft [eisers] hieraan toegevoegd dat voor de gemeente duidelijk geweest moet zijn dat het bij de belangen van de eigenaar specifiek ging om de belangen van [dhr. A] . [dhr. A] heeft volgens haar mede in die hoedanigheid enige malen aan tafel gezeten bij bestuurders van de gemeente.

2.6.3.

De gemeente heeft hier tegen ingebracht dat de belangen van [dhr. A] voor haar niet kenbaar zijn geweest. In de eerste plaats was bij haar niet bekend dat [dhr. A] al in 2006 een huurovereenkomst met [B.V.2] zou hebben gesloten (overigens betwist de gemeente dat deze overeenkomst in 2006 is gesloten). [dhr. A] heeft de gemeente vóór 2011 niet van dat belang op de hoogte gesteld. De gemeente wist dan ook niet en kon ook niet weten dat [dhr. A] belang had bij een tijdige besluitvorming. De gemeente erkent dat zij met [dhr. A] in persoon besprekingen heeft gevoerd, maar [dhr. A] fungeerde op zulke momenten volgens haar louter als representant van de Holding in het kader van het ruimtelijke ordeningstraject, waarbij het al dan niet verlenen van de vrijstelling voorwerp van gesprek was. Zij heeft geen gesprekken met [dhr. A] gevoerd in zijn hoedanigheid van eigenaar van het vastgoed. Het had volgens de gemeente op de weg van [dhr. A] gelegen om zijn belangen bij haar onder de aandacht te brengen. Dat geldt temeer nu [dhr. A] niet bestuursrechtelijk "meeprocedeerde", terwijl hij dat als belanghebbende wel had kunnen doen, zoals de rechtbank in het tussenvonnis reeds heeft geoordeeld.

2.6.4.

De rechtbank stelt vast dat [eisers] , op wie in dit geval volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast ligt, haar stelling dat de belangen van [dhr. A] bij tijdige besluitvorming voor de gemeente kenbaar waren als bedoeld in de hiervoor vermelde jurisprudentie, uitsluitend baseert op de volgende door haar gestelde feiten en omstandigheden: 1) in 2006 was het bedrijfspand reeds ontruimd en de gemeente was daarvan op de hoogte te achten en 2) [dhr. A] heeft in zijn hoedanigheid van eigenaar van het bedrijfspand met bestuurders van de gemeente gesprekken gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] aldus haar stellingen, mede bezien in het licht van de gemotiveerde betwisting door de gemeente, op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat een bedrijfspand leeg staat (daargelaten de vraag of de gemeente van deze omstandigheid als zodanig op de hoogte was) noopt niet tot het oordeel dat voor de gemeente aldus ook kenbaar was dat [dhr. A] (beweerdelijk) in 2006 een huurovereenkomst met [B.V.2] had gesloten op grond waarvan hij huurinkomsten zou hebben ontvangen zodra de bouwmarkt geëxploiteerd kon worden. Voor het tweede gestelde feit geldt dat deze niet van enige nadere onderbouwing is voorzien. Zo heeft [eisers] bijvoorbeeld niet gesteld wat de inhoud van deze gesprekken is geweest en wanneer deze hebben plaatsgevonden. Nu de gemeente betwist dat zij met [dhr. A] heeft gesproken in zijn hoedanigheid van eigenaar en dat tijdens deze gesprekken de vermogensrechtelijke belangen van [dhr. A] aan de orde zijn geweest, kan het gestelde feit niet als vaststaand worden aangenomen. Bewijslevering is vanwege het niet voldoen aan de stelplicht niet aan de orde.

2.6.5.

Het vorenstaande brengt mee dat de vordering van [dhr. A] ook niet toewijsbaar is op grond van vertragingsaansprakelijkheid, reeds vanwege de omstandigheid dat de vermogensrechtelijke belangen van [dhr. A] voor de gemeente niet kenbaar waren. In het midden kan daarom blijven of overigens aan de vereisten voor toewijzing van de vordering is voldaan.

voorts ten aanzien van de Holding en [B.V.2] (vordering onder c, subsidiair)

2.7.

De Holding en [B.V.2] hebben bij repliek hun eis vermeerderd en wel in die zin dat, als de rechtbank de vordering van [dhr. A] (ofwel de huurschade) niet toewijsbaar zou achten, zij kort gezegd vorderen dat de gemeente wordt veroordeeld om een niet nader genoemd bedrag aan hen te betalen. Zij leggen hieraan ten grondslag dat zij een verplichting tot betaling jegens [dhr. A] zouden hebben "op grond van het feit dat er een huurverhouding is die tot betaling verplicht, dan wel dat uit de redelijkheid en billijkheid in die verhouding voortvloeit dat er huur dan wel een vergoeding ter grootte van de overeengekomen huur is verschuldigd dan wel - in ultimo - dat zij jegens [dhr. A] op grond van een dringende verplichting uit moraal of fatsoen verschuldigd zijn een bedrag ter grootte van de overeengekomen huur." De gemeente voert tot haar verweer aan dat voor toewijzing geen grond bestaat omdat de Holding dan wel [B.V.2] in de van belang zijnde periode geen huur of schadevergoeding heeft betaald aan [dhr. A] . Van enige schade aan de zijde van de Holding en/of [B.V.2] is dan ook geen sprake, aldus de gemeente. Dit verweer slaagt. Voor toewijzing van deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank in de eerste plaats vereist dat aan de zijde van de Holding en [B.V.2] sprake is van schade. Dat is door deze partijen echter niet gesteld, laat staan onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen.

kosten van rechtsbijstand in de bestuursrechtelijke procedures

voorts ten aanzien van de Holding en [B.V.2] (de vordering onder b)

2.8.1

De Holding en [B.V.2] hebben verder gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld om aan hen te betalen een nader vast te stellen bedrag aan geleden schade door het moeten maken van kosten van rechtsbijstand ter zake van de verkrijging van de vrijstelling, eventueel op te maken bij staat, dan wel te begroten op grond van artikel 6:97 BW, te vermeerderen met wettelijke rente. Bij dagvaarding is hieromtrent gesteld dat zij aanspraak maken op schadevergoeding "voor een deel van de kosten voor rechtsbijstand, in elk geval voor zover de oorzaak daarvan is terug te voeren op het onrechtmatig handelen van de Gemeente, in het bijzonder wat betreft de schending van de besluittermijnen. Een overzicht van deze schade zal bij nadere akte in het geding zal worden gebracht." De rechtbank heeft geconstateerd dat een dergelijke akte niet is genomen, terwijl bedoeld overzicht zich ook niet bij de andere gedingstukken van [eisers] bevindt. Evenmin is in de conclusie van repliek dan wel de akte na tussenvonnis enige onderbouwing over deze vordering te vinden. Een inhoudelijk debat over dit onderdeel van de vordering heeft dan ook niet plaatsgevonden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daarvoor nog gelegenheid te bieden reeds omdat de vordering, zoals hierna zal worden toegelicht, hoe dan ook niet toewijsbaar is.

2.8.2.

De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van de kosten van bezwaar en beroep het bepaalde in artikel 8:75 Awb geldt. In deze bepaling is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd verklaard een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter. Met deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter. De burgerlijke rechter dient daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren, ook als die vordering gegrond is op onrechtmatige daad (vergelijk HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456, waarbij erop is gewezen dat de bestuursrechter op grond van artikel 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht "in bijzondere gevallen" een hogere dan een forfaitaire vergoeding van die kosten kan toekennen). Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van artikel 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen. [eisers] heeft niet gesteld dat dit het geval is. De rechtbank zal de Holding en [B.V.2] daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering. Voor zover de vordering mede zou zien op kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de aanvraag overweegt de rechtbank dat zij in het tussenvonnis al heeft overwogen dat het primaire besluit, waarbij de vrijstelling is verleend, voor rechtmatig moet worden gehouden. Hierin kan dus geen grondslag worden gevonden om een schadevergoedingsplicht voor bedoelde kosten van rechtsbijstand aan te nemen. In zoverre zal de vordering worden afgewezen.

2.8.3.

Voor wat betreft [B.V.2] geldt overigens dat zij geen partij bij de bestuursrechtelijke procedures is geweest. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt reeds om die reden niet in te zien uit welken hoofde [B.V.2] gerechtigd zou zijn om vergoeding te vorderen van kosten van rechtsbijstand die met deze procedures gemoeid zijn geweest. Los daarvan is in het tussenvonnis geoordeeld dat de gemeente niet onrechtmatig jegens [B.V.2] heeft gehandeld. Een inhoudelijke basis voor toewijzing van deze vordering ontbreekt dan ook.

proceskosten

2.9.

De rechtbank zal [eisers] als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het geding. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van de gemeente gevallen, vastgesteld op een bedrag van € 3.715,00 aan griffierecht en € 8.027,50 aan salaris advocaat (2,5 punt in tarief VIII).

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart de Holding en [B.V.2] niet-ontvankelijk in hun vordering tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt in de bezwaar- en (hoger) beroepsfase met betrekking tot de in dit geding bedoelde binnenplanse vrijstelling en wijst de vordering van de Holding en [B.V.2] voor het overige af;

3.2.

wijst de vordering van [dhr. A] af;

3.3.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk, des dat één betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de gemeente vastgesteld op een bedrag van in totaal € 11.742,50;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. T.K. Hoogslag en mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.1

1 fn 85