Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1144

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
18/930279-16 en 23/003464-14 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:3619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het 1 primair (poging doodslag), subsidiair (poging zware mishandeling) en meer subsidiair (bedreiging) ten laste gelegde. De rechtbank overweegt hierbij dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde dichtknijpen en dichtgeknepen houden van de keel van aangeefster. De enkele verklaring van aangeefster is daartoe onvoldoende. De letselrapportage van de forensisch arts en zijn aanvullende verklaring bij de rechter-commissaris bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs, nu de conclusie van de forensisch arts is dat het letsel van aangeefster is veroorzaakt door een forse inwerking van stomp botsend of drukkend geweld. Deze conclusie laat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat het letsel op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld door het hardhandig wegduwen van aangeefster waarover verdachte ter zitting het een en ander heeft verklaard. Nu het door verdachte toegepaste geweld niet op andere wijze is tenlastegelegd dan als voornoemd dichtknijpen en dichtgeknepen houden, dient verdachte van alle drie tenlastegelegde varianten te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat zij verdachtes stelling, dat aangeefster het door de forensisch arts geconstateerde letsel aan zichzelf heeft toegebracht, niet volgt.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van verzet bij zijn aanhouding en het beledigen van een politieagent.

Toegepaste artikelen 36f, 57, 180, 266, 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 180
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummers 18/930279-16 en 23/003464-14 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

28 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,

thans verblijvende in P.I. Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken van 10 januari 2017 en 14 maart 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is bij dagvaarding ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet de keel van die [slachtoffer1] heeft dichtgeknepen en/of enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer1] heeft afgesloten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer1] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet de keel van die [slachtoffer1] heeft dichtgeknepen, en/of enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer1] heeft afgesloten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgend, dat

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, [slachtoffer1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de keel van die [slachtoffer1]

dichtgeknepen en/of enige tijd dichtgeknepen gehouden, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer1] afgesloten;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze,,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer opsporingsambtenarenambtenaren van de politie Noord Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, hierin bestaande dat verdachte nadat hij was aangehouden en zou worden overgebracht naar het politiebureau met die ambtenaren het gevecht is aangegaan en heeft geprobeerd om bij de bewapening van een van die ambtenaren te komen;

art 180 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer2] , agent van de politie Noord Nederland, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, die [slachtoffer2] in diens/dier tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd door die [slachtoffer2] in het gezicht te spuwen;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, onder 2 en onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit gaat de officier van justitie uit van de verklaringen van aangeefster. Hij acht deze verklaringen consistent en ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen. De aangifte wordt ondersteund door de processen-verbaal van bevindingen van de politie en door de letselrapportage van de forensisch arts Snijders. Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten en naar de verklaring van verdachte dat hij heeft gespuugd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair opgemerkt dat verdachte het ten laste gelegde ontkent en dat de aangifte niet wordt ondersteund door verklaringen anders dan uit dezelfde bron. Met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte is geprovoceerd en mishandeld door een agent en dat hij heeft gereageerd uit machteloosheid. Hij had zich moeten beheersen maar kon dat op dat moment niet opbrengen. De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit voor alle tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de feiten 2 en 3 bewezen kunnen worden verklaard maar dat daarbij in aanmerking moet worden genomen dat verdachte op dat moment heel boos was door het onrecht dat hem werd aangedaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hierbij dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde dichtknijpen en dichtgeknepen houden van de keel van [slachtoffer1] . De enkele verklaring van [slachtoffer1] is daartoe onvoldoende. De letselrapportage van de forensisch arts en zijn aanvullende verklaring bij de rechter-commissaris bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs, nu de conclusie van de forensisch arts is dat het letsel van [slachtoffer1] is veroorzaakt door een forse inwerking van stomp botsend of drukkend geweld. Deze conclusie laat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat het letsel op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld door het hardhandig wegduwen van die [slachtoffer1] waarover verdachte ter zitting het een en ander heeft verklaard. Nu het door verdachte toegepaste geweld niet op andere wijze is tenlastegelegd dan als voornoemd dichtknijpen en dichtgeknepen houden, dient verdachte van alle drie tenlastegelegde varianten te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat zij verdachtes stelling, dat [slachtoffer1] het door de forensisch arts geconstateerde letsel aan zichzelf heeft toegebracht, niet volgt.

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2 en onder 3 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 22 oktober 2016, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier met registratienummer PL0100-2016301698 d.d. 24 oktober 2016, inhoudende de verklaring van verbalisant [slachtoffer2] :

Op zaterdag 22 oktober 2016 omstreeks 02.20 uur waren wij ter plaatse aan de Greveling.

Ik hoorde dat [verdachte] constant aan het woord was, ik hoorde hem schreeuwen. Ik hoorde dat collega [naam] vroeg of de man rustig mee wilde gaan. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij niet mee zou gaan en dat hij zou gaan vechten. Ik heb hem ook nogmaals gevraagd of hij mee wilde gaan. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij zou gaan vechten en dat hij niet mee ging. Hierop ben ik naar [verdachte] toegelopen en heb ik hem bij zijn linkerarm beetgepakt. Ik zag dat collega [naam] hem bij zijn andere arm beet pakte. Ik merkte dat collega [naam] hem niet goed vast had. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterarm in de richting van mijn bewapening probeerde te komen. Ik heb hem vervolgens met mijn linkerzij op de bank geduwd. Ik zag dat [verdachte] met zijn rug op de bank belandde. Ik zag en voelde dat [verdachte] zich hevig verzette. Ik zag, op een moment, dat hij mij aan keek. Onze hoofden bevonden zich op dit moment zo 40 centimeter van elkaar. Ik zag dat hij zijn wangen bolde en dat hij met kracht in de richting van mijn gezicht spuwde. Ik voelde direct hierna dat de spuug op mijn mond, mijn wangen, mijn neus en mijn ogen terecht kwam. Ik voelde mij zeer aangetast in mijn eerbaarheid.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 22 oktober 2016, opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verbalisant [naam] :

Op zaterdag 22 oktober 2016 rond 02.03 uur kreeg ik, verbalisant, de melding van

huiselijk geweld aan de [straatnaam] te [pleegplaats] . Ik zag dat [verdachte] opgefokt reageerde. Hij sprak met duidelijke stemverheffing en bewoog zijn armen op en neer. Ik trachtte met [verdachte] in gesprek te komen. Dit wilde niet lukken omdat [verdachte] bleef roepen en schelden in de richting van de politie. Na meerdere malen hem verzocht te hebben om mee te werken ging [verdachte] staan en gaf aan niet mee te willen werken. Hij gaf duidelijk in bewoordingen en in zijn houding aan, te willen gaan vechten. Hierop heb ik zijn rechterpols beetgepakt en zag ik dat collega [slachtoffer2] hem aan de linkerkant beet pakte. Dit werd meteen een gevecht met [verdachte] waarbij andere collega's ons te hulp schoten. Ik zag ineens dat [verdachte] in het gezicht van collega [slachtoffer2] spuwde. Dit deed hij met kracht.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 22 oktober 2016, opgenomen op pagina 25 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verbalisant [naam] :

[naam] legde [verdachte] uit dat hij was aangehouden en vroeg hem meerdere keren om rustig mee te gaan. Ik zag en hoorde dat [verdachte] schreeuwde dat zij geen leugens moest vertellen anders zou hij het gevecht aangaan met de politie. Ik zag dat [verdachte] zijn vuisten balde en in een vechthouding ging staan. Ik zag vervolgens dat [naam] en [slachtoffer2] [verdachte] bij zijn armen pakten en hem op de bank fixeerden en onder controle probeerden te brengen. Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] met kracht spuugde in de richting van [slachtoffer2] .

4. De door verdachte ter terechtzitting van 14 maart 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb mij tegen de aanhouding door de politie verzet en ik heb een agent bespuugd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 en onder 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 22 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen opsporingsambtenarenambtenaren van de politie Noord Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, hierin bestaande dat verdachte nadat hij was aangehouden en zou worden overgebracht naar het politiebureau met die ambtenaren het gevecht is aangegaan en heeft geprobeerd om bij de bewapening van een van die ambtenaren te komen;

3.

hij op 22 oktober 2016 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer2] , agent van de politie Noord Nederland, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, die [slachtoffer2] in diens tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd door die [slachtoffer2] in het gezicht te spuwen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2.

wederspannigheid;

3.

eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting wordt heropend en dat de rechtbank een bevel geeft tot observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum (PBC), zoals bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1 primair, onder 2 en onder 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en daarnaast een maatregel ex artikel 38v Sv zal opleggen, inhoudende dat de veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer1] , gedurende een periode van 5 jaren en te bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, en te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 4 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte van alle tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken en subsidiair verzocht om een eventueel op te leggen vrijheidsstraf te beperken tot de duur van de voorlopige hechtenis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van verzet bij zijn aanhouding en het beledigen van een politieagent. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte de politieagenten heeft belemmerd in hun werk en daarbij één van die agenten in zijn gezicht heeft gespuugd. Het gebruik van geweld tegen en het beledigen van een ambtenaar in functie is temeer ernstig omdat die ambtenaar daardoor wordt aangetast in zijn gezag. Ook getuigt het van geen enkel respect voor het openbaar gezag.

Verdachte is, zo blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 15 februari 2017, meermalen veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten en liep ten tijde van onderhavige delicten in een proeftijd.

Verdachte is meerdere malen in het kader van de strafrechtelijke afdoening in contact geweest met gedragsdeskundigen, maar dat heeft, blijkens eerder rapportages, niet geleid tot een eenduidig beeld van de geestestoestand van verdachte. Ook een eerder traject bij het PBC in 2014 heeft niet tot een duidelijke diagnose geleid daar verdachte weigerde zijn medewerking te verlenen. De in het kader van onderhavige zaak rapporterend psychiater heeft in het Traject Consult d.d. 15 november 2016 aangegeven een nader gedragskundig onderzoek niet zinvol te achten. Ter terechtzitting heeft verdachte wederom aangegeven geen medewerking te zullen verlenen aan gedragskundigonderzoek. De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden dan ook niet opportuun om wederom een observatie in het PBC te bevelen. Daar komt bij dat verdachte zal wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De reclassering heeft in haar rapport d.d. 10 januari 2017 aangegeven dat het op basis van verdachtes houding en het ontbreken van een duidelijk diagnostisch beeld, niet mogelijk is gebleken een passend plan van aanpak op te stellen en adviseert de zaak af te doen zonder het opleggen van reclasseringstoezicht.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Zij komt tot een aanzienlijk lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is gevorderd omdat zij verdachte van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde zal vrijspreken.

Benadeelde partij [slachtoffer2] (feit 3)

[slachtoffer2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De vordering behelst een bedrag van € 200,00 en betreft immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden arrest van 05 februari 2015 van het Gerechtshof te Amsterdam, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 12 januari 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 08 maart 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld arrest voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gepersisteerd bij zijn vordering.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

De hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld arrest gestelde proeftijd.

Nu de veroordeelde de in voormeld arrest gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd arrest van 05 februari 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 180, 266, 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en onder 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2] , te betalen een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2016.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

23/003464-14:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 05 februari 2015, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mrs. F. Sieders en C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2017.

Mr. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.