Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1101

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
18/830313-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
-
Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830313-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.H. Bouwman, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2016 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Vlagtwedde, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade met daarin ongeveer E 480,- althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat, -verdachte die [slachtoffer1] , die buiten stond, (met kracht) naar binnen heeft geduwd richting de kassa van het tankstation (waarbij verdachte doeken om zijn hoofd had gewikkeld) en/of -verdachte tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd: "Ik wil geld en/of meekomen jij" en/of "I want money", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of -verdachte dreigend zijn lichaam naar voren heeft gebogen in de richting van die [slachtoffer1] ;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 augustus 2016 te [pleegplaats] , gemeente Vlagtwedde, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen E 480,- althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat, -verdachte die [slachtoffer1] , die buiten stond, (met kracht) naar binnen heeft

geduwd richting de kassa van het tankstation (waarbij verdachte doeken om zijn hoofd had gewikkeld) en/of -verdachte tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd: "Ik wil geld en/of meekomen jij" en/of "I want money", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of -verdachte dreigend zijn lichaam naar voren heeft gebogen in de richting van

die [slachtoffer1] .

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft zich daartoe gebaseerd op onder meer de verklaring van aangeefster [slachtoffer1] en de bekennende verklaring die verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft afgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het primair ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

  1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2017;

  2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 23 augustus 2016, opgenomen op pagina 106 e.v. van het dossier met nummer 2016241534 d.d. 25 oktober 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer1] mede namens [slachtoffer2] ;

  3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 23 augustus 2016, opgenomen op pagina 181 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van de verbalisanten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 23 augustus 2016 te [pleegplaats] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen

tot de afgifte van een kassalade met daarin ongeveer E 480,- toebehorende aan [slachtoffer2]

, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat,

-verdachte die [slachtoffer1] , die buiten stond, met kracht naar binnen heeft geduwd richting de kassa van het tankstation waarbij verdachte doeken om zijn hoofd had gewikkeld en

-verdachte tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd: "Ik wil geld en meekomen jij" en "I want money" en

-verdachte dreigend zijn lichaam naar voren heeft gebogen in de richting van

die [slachtoffer1] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair Afpersing.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 422 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Voorts heeft de officier van justitie de oplegging van een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen gevorderd.

Hij heeft daartoe aangevoerd rekening te hebben gehouden met de grote impact die het incident op het slachtoffer heeft gehad, maar ook met de omstandigheid dat verdachte volgens de gedragsdeskundige verminderd toerekeningsvatbaar is.

Standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 23 augustus 2016 heeft verdachte het [slachtoffer2] te [pleegplaats] betreden met een doek om zijn hoofd gewikkeld. Na het duwen van de medewerkster richting de kassa, heeft verdachte haar onder bedreiging met geweld gedwongen geld af te staan.

Met zijn gedraging heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Ook heeft verdachte het gevoel van veiligheid voor andere medewerkers bij tankstations, bij het verrichten van hun werkzaamheden, ernstig aangetast. Voorts heeft verdachte door zijn handelingen getoond geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een overval in een winkel, waarbij sprake is van licht geweld/bedreiging wordt daar een gevangenisstraf van twee jaar gehanteerd. De rechtbank neemt deze straf als uitgangspunt.

Uit het psychologisch rapport d.d. 6 februari 2017, opgemaakt door R.A. Sterk, psycholoog blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). Ook is bij hem sprake van cannabisafhankelijkheid die momenteel in remissie is, maar die ten tijde van het ten laste gelegde wel actief was. Daarnaast lijdt verdachte aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en is sprake van intellectuele beperkingen in de vorm van een beperkt werkgeheugen en een gebrekkige verwerkingssnelheid. Van voornoemde psychische problematiek was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte voelde zich onvoldoende geholpen door de hulpverlening en was de dagen voorafgaand aan het ten laste gelegde ontredderd en ten einde raad. Op dergelijke momenten schiet zijn emotionele draagkracht te kort en handelt hij impulsief. Het ten laste gelegde lijkt een voorbeeld van destructieve daad als oplossing voor een emotioneel probleem. Verdachte moet in staat worden geacht de wederrechtelijkheid van zijn handelen in te kunnen zien. Hij kan zijn wil echter niet overeenkomstig eerdergenoemd inzicht geheel in vrijheid bepalen. De psycholoog adviseert daarom het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate toe te rekenen.

Door de gedragsdeskundige wordt de kans op herhaling als matig verhoogd ingeschat. Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is vanuit forensisch oogpunt behandeling geïndiceerd. Deze behandeling dient zich te richten op zijn borderline persoonlijkheidsstoornis, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan zijn cannabisafhankelijkheid die in remissie is. De behandeling die verdachte thans volgt bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN) sluit volgens de deskundige goed aan bij de geconstateerde psychische problematiek en dient te worden gecontinueerd.

Door de reclassering wordt geadviseerd om bij een (deels) voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: meldplicht, ambulante behandelverplichting, het betalen van schadevergoeding, het meewerken aan middelencontroles en het blijven wonen in een begeleide woonsetting, zolang de reclassering dit nodig acht.

De rechtbank neemt de conclusies van de gedragsdeskundige over. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Mede gelet op de bevindingen van de gedragsdeskundige acht de rechtbank het geboden dat verdachte wordt behandeld. Gebleken is dat deze behandeling reeds is aangevangen, nadat de voorlopige hechtenis voorwaardelijk is geschorst. Het is dan ook niet wenselijk dat het reeds ingezette behandeltraject wordt doorkruist door detentie. Aan verdachte zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd die gelijk is aan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast zal aan hem, ter compensatie van het niet opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf een lange voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden alsook een forse taakstraf worden opgelegd.

Alles overwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden en zal deze opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 422 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 365 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1, 8933 AJ Leeuwarden en zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde de reeds aangevangen ambulante behandeling bij AFPN zal continueren dan wel zich zal laten begeleiden/behandelen door een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zal meewerken aan schadebemiddeling.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. J. de Vroome en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2017.

Mr. J. de Vroome is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.