Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1062

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
18/830394-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en winkeldiefstal.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 246
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830394-16

ter berechting gevoegd parketnummer 18/220574-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

thans verblijvende in de PI Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 oktober 2016 te Groningen op de openbare weg, aan/nabij Poelestraat tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone 5S) en/of een (ABN AMRO) bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen met zijn medeverdachte(n), althans alleen, die [slachtoffer1] zodanig snel, plotseling en/of onverhoeds heeft aangesproken en/of vastgepakt (gehouden) en/of (daarbij) die [slachtoffer1] een (tong)zoen heeft gegeven en/of blijven geven, waardoor die [slachtoffer1] niet in staat was die handeling(en) te voorkomen, af te weren of daartegen weerstand te bieden, althans zich niet/onvoldoende aan de greep van verdachte(n) kon onttrekken, terwijl (ondertussen) haar tas werd geopend/doorzocht;

2.

hij op of omstreeks 21 oktober 2016 te Groningen [slachtoffer1] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer1] zodanig snel, plotseling en/of onverhoeds aangesproken en/of vastgepakt (gehouden) en/of (daarbij) die [slachtoffer1] een (tong)zoen gegeven en/of blijven geven, althans met zijn tong in de mond van die [slachtoffer1] is gegaan en/of blijven gaan, waardoor die [slachtoffer1] niet in staat was die handeling(en) te voorkomen, af te weren of daartegen weerstand te bieden, althans zich niet/onvoldoende aan de greep van verdachte(n) kon onttrekken;

3. (parketnummer 18/220754-16, de rechtbank leest: 18/220574-16)

hij op of omstreeks 27 oktober 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee blikjes Poliakov wodka, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. De raadsman heeft met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde betoogd dat het opzet op de tenlastegelegde diefstal in vereniging niet kan worden bewezen, nu verdachte heeft ontkend te hebben gestolen en op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden uitgesloten dat de medeverdachte zonder (voorafgaand) overleg met verdachte de diefstal heeft gepleegd. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er voor het onder 2 ten laste gelegde onvoldoende bewijs voorhanden is, omdat verdachte heeft ontkend aangeefster een (tong)zoen te hebben gegeven en op de bij het dossier behorende camerabeelden niet te zien is dat verdachte aangeefster een (tong)zoen geeft. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde aangevoerd dat er onvoldoende bewijs in het dossier zit om tot een bewezenverklaring te komen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 oktober 2016 opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier met nummer 2016300828 d.d. 28 november 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer1] :

Op 21 oktober 2016 kwam er in de Poelestraat te Groningen een man op mij aflopen, die mij aansprak. Vervolgens pakte hij me vast en wilde hij me zoenen. Ik zag dat hij zijn mond richting mijn mond bewoog en zijn lippen op mijn lippen drukte. Vervolgens voelde ik dat zijn tong contact maakte met mijn mond en tong. Ik voelde dat hij mij een tongzoen gaf. Ik gaf direct aan dat ik dit niet wilde en probeerde de man weg te drukken. Terwijl de man dit deed voelde ik dat iemand aan mijn tas trok. In mijn tas had ik mijn telefoon en wat pasjes. Ik voelde dat mijn telefoon uit mijn tas werd gehaald. Ik kon er niets tegen doen omdat de man me met kracht vasthield. De man bleef doorgaan met zoenen.

De telefoon die gestolen is betreft een Apple Iphone 5S. De bankpas die gestolen is betreft een pas van de ABN-AMRO.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen inzake camerabeelden van de gemeente van Politie Noord-Nederland d.d. 24 oktober 2016, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik, verbalisant, heb camerabeelden bekeken van de gemeente Groningen van 21 oktober 2016. Dit betreffen de camera’s RDM11-Poelestraat 28 en RDM10-Poelestraat 38A. Ik zie op camera RDM11-Poelestraat 28 dat er een vrouw door de Poelestraat loopt die voldoet aan het signalement van aangeefster, namelijk een blanke vrouw, blond haar, grijze capuchontrui, een zwarte broek en zwarte schoenen. De vrouw loopt om 06:30:05 voor de bar Players langs. Op camera RDM10-Poelestraat 38A zie ik dat er rechts boven in beeld drie personen staan. Ik zie dat één van de mannen, NN01, richting aangeefster loopt met zijn armen gespreid alsof hij haar wil omhelzen. Ik zie dat de man de aangeefster vastpakt en richting een winkelpui duwt. Ik zie dat aangeefster en NN01 richting de Schoolstraat lopen.

3. Een beschrijving van de ter terechtzitting d.d. 10 maart 2017 getoonde camerabeelden met opschrift ‘Dryade’, inhoudende als eigen waarneming van de rechtbank:

Op camera RDM10-Poelestraat 38A d.d. 21 oktober 2016 is te zien dat er om 06:30:10 in de Poelestraat een groepje van drie personen staat. Er is sprake van contact over en weer tussen de drie personen. Rond 06:30:20 is te zien dat één van deze personen, persoon 1, met gespreide armen naar een andere persoon, persoon 2, boven in beeld loopt. Persoon 1 duwt persoon 2 richting een winkelpui. Om 06:30:31 loopt er uit het zojuist genoemde groepje een persoon, persoon 3, richting de personen 1 en 2. De laatst overgebleven persoon van het groepje, persoon 4, blijft staan. Er wordt vervolgens door de personen 1, 2 en 3 over en weer geduwd en getrokken. Om 06:31:33 loopt persoon 3 weg bij de personen 1 en 2. Persoon 3 loopt richting persoon 4 en passeert deze. Persoon 4, die een tasje draagt, volgt persoon 3. Om 06:32:27 is te zien dat persoon 1 aan persoon 2 zit en persoon 2 een wegdraaiende beweging maakt.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen camerabeelden van Politie Noord-Nederland d.d. 9 november 2016, opgenomen op pagina 29 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:
Ik verbalisant zie dat om 06.32.25 uur verdachte [naam] samen met aangeefster door de Poelestraat loopt. Verdachte [naam] heeft op de beelden een lichtblauwe spijkerbroek aan en draagt een donkerblauwe jas. Verdachte [naam] slaat een arm om de aangeefster heen. Aangeefster lijkt dit niet te willen en trekt zich los. Vervolgens lopen zij om 06.32.25 uur het beeld uit richting de Schoolstraat.
Op de camerabeelden van het Ommelanderhuis in de Schoolstraat loopt op 11 minuten en 30 seconden, wat 06.31.30 uur inhoudt, verdachte [naam] samen met de aangeefster door de Schoolstraat. Verdachte [naam] heeft op de beelden een lichtblauwe spijkerbroek aan en draagt een donkerblauwe jas. De tijden van de camerabeelden kunnen verschillen omdat het verschillende beveiligingscamera systemen betreft en niet elk systeem op een tijdserver is aangesloten.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 oktober 2016, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

U toont mij een foto waarop aangeefster en een man in de Schoolstraat lopen. Dat ben ik. Het meisje loopt erachter.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 oktober 2016, opgenomen op pagina 5 van het dossier met nummer PL0100-2016306110 d.d. 24 november 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer3] :

Op 27 oktober 2016 was ik aan het werk in de [naam winkel] in de Poelestraat te Groningen. Op een gegeven moment kwamen er drie mannen de winkel binnen. De mannen pakten zes blikjes Poliakov wodka, waarvan er drie werden afgerekend. Zelf heb ik twee blikjes afgepakt die ze in hun jas hadden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 28 oktober 2016, opgenomen op pagina 3 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij, verbalisanten, bekeken op 28 oktober 2016 de camerabeelden van de nachtwinkel. Ik, verbalisant 1, zag dat er een man binnenkwam. Ik, verbalisant 2, herken hem als verdachte [naam] . Ik, verbalisant 1, zag dat [naam] een drietal blikjes uit de koelkast pakt en daarvan twee in zijn jaszakken stopt. Eén blikje biedt [naam] ter betaling aan, de andere twee laat hij in zijn zakken zitten. Ik zag dat de medewerker van de nachtwinkel de twee blikjes uit de jaszak van verdachte [naam] haalt.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Identiteit van aangeefster en verdachte

De rechtbank overweegt ten aanzien van de personen die worden aangeduid als ‘persoon 1 en persoon 2’ het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 19 e.v. van het dossier met nummer 2016300828, blijkt dat er op camera RDM11-Poelestraat 28 te zien is dat er een vrouw, later aangeduid als persoon 2, rond 06:30:05 door de Poelestraat loopt die voldoet aan het signalement van aangeefster. Gelet op de aangifte van aangeefster stelt de rechtbank vast dat dit aangeefster is. Vervolgens wordt in ditzelfde proces-verbaal gerelateerd hoe persoon 2, dus aangeefster, door persoon 1 met gespreide armen wordt tegemoet getreden en vastgepakt. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat deze man haar vervolgens onder meer tongzoende en dat zij hem, toen hij daarmee stopte, is gevolgd, de Schoolstraat in. In het proces-verbaal van bevindingen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier heeft de verbalisant opgemerkt dat persoon 1 en aangeefster samen richting de Schoolstraat liepen. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 29 leidt de rechtbank verder af dat de camerabeelden van de Poelestraat en de Schoolstraat op elkaar aansluiten in die zin dat persoon 1, die met aangeefster de Poelstraat uit loopt, met haar in beeld komt in de Schoolstraat. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij degene is die met aangeefster door de Schoolstraat liep, waarbij hij zichzelf heeft herkend op een fragment van de camerabeelden van het Ommelanderhuis. Op basis van de aangifte, de omschreven camerabeelden, de genoemde processen-verbaal en de verklaring van verdachte dat hij met aangeefster door de Schoolstraat liep, stelt de rechtbank vast dat persoon 1 verdachte [naam] is.

Diefstal met geweld, in vereniging gepleegd

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er sprake is geweest van ‘medeplegen’. De rechtbank overweegt hierbij als volgt. Ter terechtzitting zijn er ten overstaan van de rechtbank, de officier van justitie, verdachte en zijn raadsman camerabeelden getoond van het gebeuren in de Poelestraat te Groningen. De rechtbank stelt op basis van deze beelden vast dat de drie mannen die bij elkaar stonden bij elkaar hoorden, omdat zij over en weer contact met elkaar hadden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er slechts een kort tijdsverloop zit tussen het moment dat verdachte naar aangeefster is gelopen, de medeverdachte daarbij is komen staan en dat er over en weer werd geduwd en getrokken. Er zit eveneens slechts een tiental seconden tussen het moment dat de medeverdachte zich van verdachte en aangeefster distantieert en het moment dat verdachte aangeefster loslaat. De rechtbank gaat er op grond van deze vaststelling, de overige bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, van uit dat het op deze wijze benaderen van aangeefster, door verdachte, gericht was op het voorbereiden en gemakkelijk maken van de diefstal. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat verdachte en de medeverdachte dit van te voren zo hebben afgesproken. Er is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking, waarbij zowel verdachte als de medeverdachte een bijdrage aan het delict heeft geleverd die van voldoende gewicht is om van medeplegen te spreken. De rechtbank is, met de officier van justitie, dan ook van oordeel dat het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging’ wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid (tongzoen)

De rechtbank heeft geconstateerd dat op de camerabeelden niet te zien is of tijdens het vastpakken van en het duwen en trekken van/aan aangeefster, verdachte haar een tongzoen heeft gegeven. De beelden sluiten echter ook niet uit dat dit wel is gebeurd. Nu de verklaring van aangeefster op alle andere onderdelen wat betreft de diefstal met geweld, waarvan ook het tongzoenen deel uitmaakt, volledig wordt ondersteund door de camerabeelden, ondersteunen de camerabeelden naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende de aangifte waar het gaat om het tongzoenen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding te twijfelen aan de verklaring van aangeefster op dit punt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hetgeen onder 2 is ten laste gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de verklaring van aangever [slachtoffer3] en de camerabeelden van de [naam winkel] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee blikjes Poliakov Wodka heeft gestolen in de [naam winkel] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 21 oktober 2016 te Groningen op de openbare weg de Poelestraat tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone 5S) en een (ABN AMRO) bankpas, toebehorende aan [slachtoffer1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte tezamen met zijn medeverdachte die [slachtoffer1] zodanig snel en plotseling heeft aangesproken en vastgepakt (gehouden) en (daarbij) die [slachtoffer1] een tongzoen heeft gegeven en is blijven geven, waardoor die [slachtoffer1] niet in staat was die handeling(en) te voorkomen, af te weren of daartegen weerstand te bieden, terwijl (ondertussen) haar tas werd geopend/doorzocht;

2.

hij op 21 oktober 2016 te Groningen [slachtoffer1] door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer1] zodanig snel en plotseling aangesproken en vastgepakt (gehouden) en (daarbij) die [slachtoffer1] een tongzoen gegeven en is blijven geven, waardoor die [slachtoffer1] niet in staat was die handeling te voorkomen, af te weren of daartegen weerstand te bieden;

3. (parketnummer 18/220574-16, ter berechting gevoegd)

hij op 27 oktober 2016 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee blikjes Poliakov wodka, toebehorende aan [naam winkel] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen;

2. feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

3. diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten en de gevolgen die het slachtoffer heeft ondervonden van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat er ten behoeve van verdachte een Dublinclaim ligt, waardoor hij uiterlijk 30 september 2016 Nederland dient te verlaten. Het opleggen aan verdachte van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient echter, gelet op de ernst van de feiten, te prevaleren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wanneer de rechtbank wel tot bewezenverklaring van één of meer ten laste gelegde feiten komt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend is. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, tezamen en in vereniging gepleegd en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte heeft tezamen en in vereniging met een onbekend gebleven medeverdachte het slachtoffer van haar mobiele telefoon en haar bankpas beroofd. Verdachte heeft daarnaast het slachtoffer tegen haar wil ge(tong)zoend, waarmee hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft aangetast. De rechtbank weegt voorts mee dat het slachtoffer minderjarig was en, doordat zij zich in de vroege ochtend vrijwel alleen op straat bevond, zich in een kwetsbare positie bevond. Verdachte en medeverdachte hebben derhalve op brutale en verwerpelijke wijze de eigendommen van het slachtoffer afgenomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog lang nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Dat geldt ook voor het slachtoffer in deze zaak, zoals blijkt uit de bij de vordering van de benadeelde partij opgenomen beschrijving van de gevolgen die het voorval voor haar heeft gehad.

Daarnaast heeft verdachte een diefstal gepleegd in een nachtwinkel te Groningen. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit, dat schade en overlast voor winkeliers veroorzaakt.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor gelijksoortige feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer1] heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman aangegeven dat hij bij bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde de materiële schade niet betwist en zich ten aanzien van de immateriële schade refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten onder 1 en 2, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 63, 246, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.911,40

(zegge: negentienhonderd elf euro en veertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer1] , te betalen een bedrag van € 1.911,40 (zegge: negentienhonderd elf euro en veertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 29 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 311,40 aan materiële schade en € 1.600,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. M. Haisma en

mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door A. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2017.