Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1054

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
16/4246
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij het vaststellen van de fictieve draagkracht moet worden uitgegaan van de gehele regeling inzake de beslagvrije voet in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dus ook met de verhoging van de beslagvrije voet in verband met woonkosten.

De financiële omstandigheden van eiseres nopen niet tot verdere verlaging van de boete, omdat niet alleen wordt uitgegaan van inkomen boven de beslagvrije voet, maar ook van het aanwezige vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4246

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. van Wolde),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Runhart).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete van € 1.164,00 opgelegd.

Bij besluit van 31 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres heeft sinds 3 april 2014 een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Van deze uitkering worden de inkomsten van eiseres uit loondienst afgetrokken.

1.2

Eiseres heeft bij de aanvang van haar bijstandsuitkering niet doorgegeven dat zij beschikte over een bankrekening met een saldo van € 3.377,25.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres een boete van € 1.164,00 opgelegd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiseres zich niet heeft gehouden aan de regels van haar uitkering, nu zij bij de aanvang daarvan niet de [bankrekening] heeft doorgegeven. Verweerder is niet gebleken van opzet of grove schuld, maar wel van verwijtbaarheid, zodat de boete is gebaseerd op 50% van het benadelingsbedrag, afgerond naar boven op een veelvoud van € 10,-. Omdat de boete binnen 12 maanden moet kunnen worden betaald, heeft verweerder besloten om iedere maand 10% van haar uitkering in te houden. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

1.4

Eiseres is op 16 augustus 2016 gehoord over haar bezwaarschrift door de adviescommissie bezwaarschriften. Op 16 augustus 2016 heeft deze commissie advies uitgebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder voor wat betreft de betaling van de boete een betalingsregeling heeft getroffen met eiseres. Er wordt elke maand 10% op haar uitkering ingehouden. Bij de betaling van de boete houdt verweerder geen rekening met de vermogensvrijlating. Alles wat eiseres op de bank- en spaarrekening heeft, dient ter betaling van de boete. Volgens verweerder beschikt eiseres over een spaarrekening met een saldo van € 3.478,78 op 31 december 2015.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat haar fictieve draagkracht onjuist is vastgesteld. Eiseres is van mening dat moet worden uitgegaan van de gehele regeling inzake de beslagvrije voet zoals neergelegd in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Eiseres heeft gesteld dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraken van 11 januari 2016 (onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:9 en ECLI:NL:CRVB:2016:12) expliciet verwijst naar het geheel van deze regels en niet enkel naar artikel 475d leden 1 en 2 Rv, waarin is bepaald dat de beslagvrije voet gelijk is aan 90% van de bijstandsnorm. Dat betekent volgens eiseres concreet dat in haar geval ook rekening moet worden gehouden met artikel 475d, vierde lid, Rv, waarin staat dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met de woonkosten. Volgens eiseres bedraagt de beslagvrije voet € 1.126,00 en is er geen aflossingscapaciteit, zodat aan eiseres geen boete moet worden opgelegd.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.

4.2

Niet in geschil is dat eiseres bij de aanvang van haar bijstandsuitkering niet heeft doorgegeven dat zij beschikte over een bankrekening met een saldo van € 3.377,25.

Gelet op dit saldo had eiseres bij de aanvang van de bijstand een vermogen boven de vrijlatingsgrens, waardoor zij in de periode van 3 april 2014 tot en met 6 september 2014

ten onrechte een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat het benadelingsbedrag € 2.884,25 is en dat sprake is van normale verwijtbaarheid, zodat aanleiding is om de boete te baseren op 50% van het benadelingsbedrag.

4.3

Naar vaste rechtspraak (uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10) moet een bestuursorgaan, indien het een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van een boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven.

4.4

Verweerder is bij de vaststelling van de hoogte van de boete uitgegaan van een fictieve draagkracht van 10% van de van toepassing zijnde norm, die in het geval van eiseres in januari 2016 € 972,70 bedraagt. Dit bedrag heeft verweerder afgerond tot € 97,- per maand. Verweerder heeft de boete op grond daarvan vastgesteld op 12 maal € 97,- =

€ 1.164,-.

4.5

Uit eerdergenoemde jurisprudentie volgt dat bij het verrekenen van de kosten van de bestuurlijke boete met algemene bijstand rekening moet worden gehouden met de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475c tot en met 475e Rv. Dit betekent dat de betrokkene dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Deze beslagvrije voet biedt bescherming, in die zin dat alleen de voor beslag vrije ruimte van de bijstand wordt aangewend voor de betaling van de boete. Degene die zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uit de algemene bijstand dan wel uit een inkomen ter hoogte van de algemene bijstand moet voldoen, heeft dan nog juist voldoende in handen voor de lopende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Zijn inkomen wordt echter teruggebracht tot een absoluut minimum.

4.6

De CRvB neemt voor de berekening van de op te leggen boete tot uitgangspunt dat deze bij normale verwijtbaarheid zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene bij een fictieve draagkracht gelijk aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet als bedoeld in Rv de hem opgelegde boete binnen 12 maanden kan voldoen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet - ongeacht of die ruimte de facto op andere wijze is beperkt of ingenomen - volledig beschikbaar is of wordt aangewend voor het betalen van de boete. Hetzelfde geldt voor eventueel aanwezige vermogen, met inbegrip van het vermogen beneden de vrijlatingsgrens.

4.7

Op grond van artikel 475d, vierde lid, aanhef en onderdeel b, Rv, wordt de beslagvrije voet verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.

4.8

Vaststaat dat verweerder bij de berekening van de boete geen rekening heeft gehouden met de in 4.6 genoemde verhoging van de beslagvrije voet in verband met woonkosten als bedoeld in artikel 475d, vierde lid, aanhef en onderdeel b, Rv.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus de beslagvrije voet niet in overeenstemming met de bepalingen in de artikelen 475c tot en met 475e Rv vastgesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om het beroep van eiseres gegrond te verklaren wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het bestreden besluit te vernietigen.

5. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

5.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder de juistheid van de berekening die eiseres heeft overgelegd volgens de normen van 1 januari 2016 niet gemotiveerd heeft betwist. In deze berekening is de basisnorm van (90% van € 972,70) € 875,43 verhoogd met de woonkosten van € 250.57 (de rekenhuur van € 564,00, na aftrek van de ontvangen huurtoeslag van € 109,00 en de normhuur van € 204,43). Dit levert volgens eiseres een beslagvrije voet op van € 1.126,00, zodat er geen aflossingscapaciteit is.

5.2

Uitgaande van een beslagvrije voet van € 1.126,00 en de alleenstaandennorm van

€ 982,87 ten tijde van deze uitspraak, lijkt eiseres geen aflossingscapaciteit te hebben.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ook rekening dient te worden gehouden met het vermogen waarover eiseres beschikt. De rechtbank ziet geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden.

5.3

Niet in geschil is dat eiseres beschikt over een spaarrekening met een saldo van

€ 3.478,78 op 31 december 2015. Zoals overwogen in 4.6, wordt ervan uitgegaan dat het volledige bedrag van het vermogen boven de beslagvrije voet van € 1.126,00 beschikbaar is of wordt aangewend voor het betalen van de boete. Gelet hierop heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar financiële omstandigheden nopen tot verdere verlaging van de boete.

5.4

Ook indien rekening wordt gehouden met de gehele regeling over de beslagvrije voet blijft de boete derhalve € 1164,00, zoals in het primaire besluit is verwoord.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank ziet verder aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990,00 in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 495,00, wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.F.E. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.