Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:1007

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
18/920302-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en, samen met een ander, aan een poging tot diefstal in een woning tijdens de nachtelijke uren. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 125 dagen.

De rechtbank rekent het verdachte ( een asielzoeker) in ernstige mate aan dat hij door zijn strafbare gedrag misbruik heeft gemaakt van de gastvrijheid die Nederland biedt aan asielzoekers en vluchtelingen. Verdachte maakt gebruik van de faciliteiten van een AZC en pleegt vandaaruit strafbare feiten. De rechtbank overweegt dat verdachte door dit strafbare handelen op negatieve wijze de maatschappelijke en politieke opinie beïnvloedt ten aanzien van (bonafide) asielzoekers en vluchtelingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/920302-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] (Libië),

thans verblijvende in de P.I. te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Th. Martens, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2016 tot en met 19 oktober 2016

te Hoogeveen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in café

[bedrijfsnaam] uit een portemonnee) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2016 gedurende de voor de nachtrust bestemde

tijd, te Hoogeveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan/nabij de

Reuvenkamp weg te nemen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan P. de

Winkel, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bezig is geweest een hor van een raam van die woning te verwijderen/openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 18 oktober 2016 gedurende de voor de nachtrust bestemde

tijd, te Hoogeveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan/nabij de [straatnaam]

weg te nemen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [getuige]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, door een openstaand raam van die woning met een mobiele telefoon met

verlichting heeft rondgeschenen in een slaapkamer van die woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 15 oktober 2016 gedurende de voor de nachtrust bestemde

tijd, te Maarheeze, gemeente Cranendonck, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

in/uit een woning aan/nabij de [straatnaam] weg te nemen enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer2] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en zich daarbij de toegang

tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed

onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of

inklimming, de serre (aan de achterzijde) van die woning is binnengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde op grond van het dossier en de verklaring van verdachte kan worden bewezen.

Ten aanzien van de pogingen tot woninginbraak is de officier van justitie van mening dat het samenstel van de gedragingen zoals blijkt uit het dossier, naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op de uitvoering van diefstal uit de woningen dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als een begin van uitvoering van die diefstal.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vindt de aangifte geen steun in andere bewijsmiddelen en dient verdachte daarom vrijgesproken te worden.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is de raadsman van mening dat het door een raam naar binnen schijnen met een lamp niet te kwalificeren is als een poging tot inbraak. Uit deze enkele gedraging blijkt geen begin van uitvoering. Wellicht is er sprake van voorbereidingshandelingen maar dat is niet ten laste gelegd.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Vast staat dat verdachte in de serre van de woning heeft gestaan maar hij was, zoals hij heeft verklaard, de weg kwijt en onder invloed van alcohol en medicijnen is hij een willekeurige woning binnen gegaan om de weg te vragen.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 en 4 ten laste gelegde

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde stelt de rechtbank stelt vast dat de aangifte onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen zodat het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

De getuige (zoon van de aangever) heeft verklaard dat hij, toen hij de woonkamer in kwam, een man in de serre zag staan die van hem (getuige) schrok. Voorts heeft de getuige verklaard dat de man hem aansprak in slecht Nederlands en tegen hem zei: “Eindhoven, Eindhoven”. De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van de getuige niet blijkt dat hij enigerlei wegneemhandeling of poging daartoe heeft gezien.
Verdachte zelf heeft verklaard dat hij zich wel herkent op de foto die de getuige heeft gemaakt van de confrontatie met de man in de serre, maar dat hij zich helemaal niets herinnert van het voorval.

Hoewel de aanwezigheid van verdachte in de serre de nodige vragen oproept, is de rechtbank van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van de handelwijze van verdachte niet, althans niet in voldoende mate, wijst op een bij hem aanwezig oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van goederen. Een andere reden voor de aanwezigheid in de serre is niet uit te sluiten. Een poging is immers slechts strafbaar, indien het gaat om een poging tot een bepaald misdrijf. Niet kan worden volstaan met een poging tot een misdrijf ‘in het algemeen’. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen wettig bewijs is voor een begin van uitvoering van het ten laste gelegde vermogensdelict, zal verdachte daarom vrijgesproken worden van het onder 4 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 maart 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 20 oktober 2016 , opgenomen op pagina 113 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016346402 d.d. 17 januari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer1] .

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 oktober 2016, opgenomen op pagina 175 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :

Ik woon aan de [straatnaam] te Hoogeveen. Vannacht, de nacht van 17 op 18 oktober 2016, lagen mijn man en ik op bed. Omstreeks 01.43 uur vannacht zag ik plots een hand door het openstaande slaapkamerraam steken.

Ik zag dat de hand een mobiele telefoon vast had waarmee de slaapkamer rond werd geschenen. Ik zag dat de hand met mobiele telefoon daarna weer terug werd getrokken door de luxaflex. Ik ging van bed en zag 2 personen onze oprit af lopen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 21 oktober 2016, opgenomen op pagina 177 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige]:

Nadat mijn moeder mij vannacht vertelde wat er was gebeurd ben ik naar buiten gegaan. Ik liep de straat op en zag 2 mannen komen lopen. Ik zag dat 1 van de mannen wegdook en zich verstopte. Ik zag dat de andere op mij af liep. Ik kan de man die op mij af kwam lopen als volgt omschrijven: Ongeveer 1.70 lang.

Bril met zwart montuur.

Zwarte jas.

Licht getinte huidskleur.

Spijkerbroek. Kalend.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 23 november 2016, opgenomen op pagina 201 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik op dinsdag 18 oktober omstreeks 03:15 uur, door een politieagent ben staande gehouden op de [straatnaam] te Hoogeveen. Ik was samen met een Syrische man.

Wij schenen door het openstaand raam naar binnen omdat wij bij het raam planten zagen. Wij dachten dat het marihuanaplanten waren en die wilden wij stelen.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt de handelwijze van verdachte mee dat er op grond van de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een begin van uitvoering om tezamen met een ander een diefstal te plegen.

De rechtbank acht op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 18 oktober 2016 tot en met 19 oktober 2016 te Hoogeveen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in café [bedrijfsnaam] uit een portemonnee heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer1] .

3.

hij op 18 oktober 2016 gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Hoogeveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [straatnaam] weg te nemen enig goed, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn medeverdache door een openstaand raam van die woning met een mobiele telefoon met verlichting heeft rondgeschenen in een slaapkamer van die woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal.

3. Poging tot diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning door iemand die zich aldaar buiten weten van de rechthebbende bevindt.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en, samen met een ander, aan een poging tot diefstal in een woning tijdens de nachtelijke uren. Verdachte heeft op een gewiekste wijze geld uit een portemonnee weggenomen.

Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken, ook als het is gebleven bij een poging, veroorzaken een inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners. Bovendien zijn woningen bij uitstek de plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Het is zeer kwalijk dat verdachte dit gevoel van veiligheid heeft aangetast .

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat uit het dossier volgt dat verdachte, vóór zijn komst naar Nederland, als asielzoeker in een reeks van Europese landen heeft verbleven.

Gebleken is dat verdachte, onder de alias [naam] , geboren op [geboortedatum] 1990 te Algerije, in Italië bij vonnis van 5 juli 2013 ter zake van diefstal is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden.
Op 13 oktober 2016 heeft verdachte zich in Nederland aangemeld als asielzoeker. Reeds op 18 oktober 2016 heeft hij zich schuldig gemaakt aan de strafbare feiten waarvoor hij thans wordt veroordeeld.

De rechtbank rekent het verdachte in ernstige mate aan dat hij door zijn strafbare gedrag misbruik heeft gemaakt van de gastvrijheid die Nederland biedt aan asielzoekers en vluchtelingen. Verdachte maakt gebruik van de faciliteiten van een AZC en pleegt vandaaruit strafbare feiten. De rechtbank overweegt dat verdachte door dit strafbare handelen op negatieve wijze de maatschappelijke en politieke opinie beïnvloedt ten aanzien van (bonafide) asielzoekers en vluchtelingen.

De rechtbank overweegt voorts dat gelet op voornoemde omstandigheden geen andere straf kan worden opgelegd dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank zal een lagere vrijheidsstraf opleggen dan gevorderd door de officier van justitie nu de rechtbank minder feiten bewezen acht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 2 en 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 125 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 27 maart 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. R. Depping en

mr. C. Brouwer rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 maart 2017.