Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:927

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
LEE 16/734
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Met ingang van 1 januari 2015 is de Jeugdwet (JW) in werking getreden en gemeenten zijn met ingang van die datum verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Eén van de uitgangspunten van de JW is eigen kracht in het jeugdbeleid waarbij participatie, de zelfredzaamheid en wat de jeugdige en de ouders zelf kunnen om het probleem op te lossen, voorop staan.

Niet in geschil is dat de moeder van verzoekster al jarenlang individuele begeleiding vanuit een pgb aan verzoekster levert en dat het daarbij gaat om bovengemiddelde zorg. Uit de Verordening 2015 noch uit de Beleidsregels 2015 blijkt welke criteria verweerder hanteert in het kader van de vraag wanneer sprake is van bovengebruikelijke zorg binnen het gezin. Verweerder heeft ter zitting aangegeven kennis te hebben genomen van de brief van staatssecretaris Van Rijn van 7 december 2015 en dat die brief is voorgelegd aan de beleidsmedewerkers om op het aspect bovengebruikelijke zorg beleid te ontwikkelen. Nu nog beleid is ontwikkeld over bovengebruikelijke zorg is niet inzichtelijk wat de grondslag is van verweerders weigering om (de ouders van) verzoekster in aanmerking te brengen voor een voorziening voor individuele begeleiding. Voorts heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit geen afbouwperiode in acht genomen voor wat betreft de beëindiging van het eerder aan (de ouders van) verzoekster toegekende pgb en ten onrechte geen ondersteuningsplan is opgesteld. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verweerder met het bestreden besluit en de (formele) gebreken die daaraan kleven er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat verzoekster niet meer is aangewezen op een jeugdhulpvoorziening voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb. Hoewel de gebreken aan het bestreden besluit in bezwaar kunnen worden hersteld, dient verweerder in nadere besluitvorming - gebaseerd op een op de individuele omstandigheden van verzoekster toegespitst onderzoek en een nog op te maken ondersteuningsplan en te maken beleid naar aanleiding van de brief van staatsecretaris Van Rijn van 7 december 2015 - zich in bezwaar gemotiveerd uit te laten of (de ouders van) verzoekster al dan niet recht heeft op een voorziening voor individuele begeleiding. Verweerder dient daarbij acht te slaan op de bovengebruikelijke zorg die de moeder van verzoekster levert. In het kader van de belangenafweging heeft de voorzieningenrechter het belang in het voordeel van verzoekster uit laten vallen. Het verzoek is toegewezen en de voorlopige voorziening is getroffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar en dat aan verzoekster over die periode een voorziening voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb van € 800,00 per maand wordt toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/103 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman, S. Vogels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/734

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 maart 2016 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te Buitenpost, verzoekster

wettelijk vertegenwoordigers: [naam wettelijk vertegenwoordiger 1] (de vader van verzoekster) en [naam wettelijk vertegenwoordiger 2] (de moeder van verzoekster),

gemachtigde: mr. D. van der Wal,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen, verweerder

gemachtigde: L. Alma.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de namens verzoekster ingediende aanvraag om een voorziening voor individuele begeleiding afgewezen.

Namens verzoekster is tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Namens haar is tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekt er toe te bepalen dat aan (de ouders van) verzoekster, eventueel bij voorschot, een financiële bijdrage van € 800,00 per maand wordt verstrekt vanaf 1 januari 2016 tot zes weken na dat op het bezwaar is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door haar wettelijk vertegenwoordigers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, voor zover hier van belang, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2. Tussen partijen is niet in geschil en de voorzieningenrechter gaat daar ook vanuit dat sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel beoordelen of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

3. Verzoekster, geboren op 24 januari 2001, is blind geboren en heeft derhalve een visuele handicap. Zij volgt regulier onderwijs op het Lauwers college te Buitenpost. Voor de periode 27 oktober 2010 tot 26 oktober 2015 is aan (de ouders van) verzoekster op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie voor begeleiding individueel toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor 4 tot 6,9 uur per week.

4. Bij het bestreden besluit van 10 december 2015 is geweigerd verzoekster in aanmerking te brengen voor een jeugdhulpvoorziening voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb, omdat volgens verweerder geen sprake is van jeugdhulp in de zin van artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet (JW) en het probleemoplossend vermogen van de ouders van verzoekster toereikend is.

5. Verzoekster voert in bezwaar aan dat de aanvraag om een voorziening in het kader van de JW ten onrechte is afgewezen. De hulp die de moeder aan verzoekster geeft en waarvoor een voorziening wordt gevraagd, valt wel onder de definitie van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de JW. Hoewel verweerder niet betwist dat sprake is van bovengemiddelde zorg, is geen voorziening nodig omdat het probleem binnen het gezin kan worden opgelost. In de Verordening Jeugdhulp gemeente Achtkarspelen (Verordening) en de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Achtkarspelen 2015 (Beleidsregels) zijn geen criteria opgenomen met betrekking tot bovengemiddelde zorg binnen het gezin. Ook in de JW is het begrip bovengemiddelde zorg niet gedefinieerd. Verzoekster meent dat aan haar een voorziening voor individuele begeleiding dient te worden verstrekt.

Ter zitting is namens verzoekster gewezen op en geciteerd uit de brief van staatssecretaris

drs. M.J. van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 december 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer inzake de beantwoording van Kamervragen.

In die brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

‘Het categoraal uitsluiten van de eerste 10 uur per week van informele ondersteuning of informele jeugdhulp middels een pgb verhoudt zich daarom in mijn ogen niet tot de uitgangspunten van de Wmo 2015 en de Jeugdwet, waarin via een zorgvuldige individuele afweging wordt bezien of ondersteuning of hulp nodig is.

Gemeenten kunnen in de verordening nader bepalen wat in dit kader verstaan wordt onder ‘gebruikelijke hulp’ van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. (…) Dat laat onverlet dat gemeenten in individuele situaties telkens weer een zorgvuldige afweging dienen te maken en daarbij rekening dienen te houden met de specifieke omstandigheden van de aanvrager.

In de Jeugdwet en in de Wmo 2015 is de term ‘bovengebruikelijke zorg’ niet opgenomen. Gemeenten kunnen gebruik maken van het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ waarin deze terminologie wel wordt gebruikt, maar zijn dit niet verplicht.’

6. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening voor individuele begeleiding terecht is afgewezen omdat de ouders de eigen kracht hebben om een oplossing te vinden voor de hulpvraag en dat dit los staat van de bovengemiddelde zorg die de moeder aan verzoekster levert. Verweerder verwijst naar artikel 3.7.2, aanhef en onder a, van de Beleidsregels, waarin is bepaald dat een cliënt in aanmerking komt voor jeugdhulp wanneer de jeugdige op eigen kracht of met zijn ouders geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden. Wanneer de ouder de jeugdige ondersteunt, wordt er volgens verweerder voldaan aan het gegeven ‘op eigen kracht een oplossing gevonden’.

7. De voorzieningenrechter ziet op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

7.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de JW in werking getreden. Gemeenten zijn met ingang van die datum op grond van de JW verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Eén van de uitgangspunten van de JW is eigen kracht in het jeugdbeleid waarbij participatie, de zelfredzaamheid en wat de jeugdige en de ouders zelf kunnen om het probleem op te lossen, voorop staan.

7.2.

Verweerder heeft, zoals de JW voorschrijft, een Verordening vastgesteld, die op

1 januari 2015 in werking is getreden. Daarnaast heeft verweerder de Beleidsregels vastgesteld, die eveneens op 1 januari 2015 in werking zijn getreden. Deze regelgeving heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

7.3.

Niet in geschil is dat de moeder van verzoekster al jarenlang individuele begeleiding aan verzoekster levert en dat zij die zorg betaalt vanuit het pgb. Evenmin in geschil is dat het daarbij gaat om bovengemiddelde zorg die door de moeder van verzoekster wordt geboden. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de Verordening 2015 noch uit de Beleidsregels 2015 blijkt welke criteria verweerder hanteert in het kader van de vraag wanneer sprake is van bovengebruikelijke/bovengemiddelde zorg binnen het gezin. In de JW is in artikel 1.1 evenmin een definitie opgenomen van het begrip bovengemiddelde zorg. Verweerder heeft dit ter zitting ook niet weersproken. Ter zitting is namens verweerder benadrukt dat het bij de beoordeling of een voorziening voor individuele begeleiding dient te worden toegekend gaat om het leveren van (individueel) maatwerk waarbij een zorgvuldige afweging dient plaats te vinden en rekening dient te worden gehouden met de specifieke omstandigheden van verzoekster. Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat kennis is genomen van de brief van staatssecretaris Van Rijn van 7 december 2015 en dat die brief is voorgelegd aan de beleidsmedewerkers om op het aspect bovengebruikelijke zorg beleid te ontwikkelen. Dat beleid is nog niet ontwikkeld, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting. Nu bij gebreke van beleid over bovengebruikelijke zorg niet inzichtelijk is wat de grondslag is van verweerders weigering om (de ouders van) verzoekster in aanmerking te brengen voor een voorziening voor individuele begeleiding, kan het bestreden besluit niet gedragen worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en zal dit besluit in bezwaar dus niet ongewijzigd in stand kunnen blijven. Dat verweerder ondanks het ontbreken van beleid heeft beslist op de aanvraag van verzoekster om geen voorziening voor individuele begeleiding aan (de ouders van) verzoekster in de vorm van een pgb toe kennen, acht de voorzieningenrechter niet zorgvuldig. Dit klemt te meer nu niet is betwist dat de moeder van verzoekster bovengemiddelde zorg levert en op dat punt nog geen beleid is vastgesteld.

7.4.

Daarbij komt dat namens verweerder ter zitting is aangegeven dat bij het nemen van het besluit van 10 december 2015 geen afbouwperiode in acht is genomen voor wat betreft de beëindiging van het eerder aan (de ouders van) verzoekster toegekende pgb, terwijl dat wel had gemoeten. Namens verweerder is in dat verband naar voren gebracht dat een afbouwperiode van drie maanden om te kunnen wennen aan de beëindiging van het pgb redelijk wordt geacht. Namens verweerder is ter zitting toegezegd dat bij het nog te nemen besluit op bezwaar verweerder alsnog een afbouwperiode van drie maanden in acht zal nemen. Namens verweerder is voorts ter zitting aangegeven dat ten onrechte geen ondersteuningsplan is opgesteld en dat het opgemaakte korte gespreksverslag niet als zodanig kan gelden. In een ondersteuningsplan staat welke hulp er nodig is, wat de doelen zijn, welke (individuele) voorziening nodig is en door wie die voorziening moet worden geleverd en wat het sociale netwerk kan betekenen, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting. Nu verweerder enkel heeft volstaan met het opstellen van een verslaggesprek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, volgt hieruit dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Ook om die reden kan het bestreden besluit in bezwaar niet ongewijzigd in stand blijven.

7.5.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder met het bestreden besluit en de (formele) gebreken die daaraan kleven er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat verzoekster niet meer is aangewezen op een jeugdhulpvoorziening voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb. Hoewel de gebreken aan het bestreden besluit in bezwaar kunnen worden hersteld, dient verweerder in nadere besluitvorming –gebaseerd op een op de individuele omstandigheden van verzoekster toegespitst onderzoek en een nog op te maken ondersteuningsplan en te maken beleid naar aanleiding van de brief van staatsecretaris Van Rijn van 7 december 2015 – zich in bezwaar gemotiveerd uit te laten of (de ouders van) verzoekster al dan niet recht heeft op een voorziening voor individuele begeleiding. Daarbij dienen in het besluit op bezwaar, nadat een hoorzitting heeft plaatsgevonden en een bezwaarcommissie advies aan verweerder heeft uitgebracht, de namens verweerder genoemde aspecten gemotiveerd en op voldoende wijze te worden meegewogen. Verweerder dient daarbij acht te slaan op de bovengebruikelijke zorg die de moeder van verzoekster levert.

8.1.

Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Dit afwegende, en gelet op wat in 7.3 tot en met 7.5 is overwogen, acht de voorzieningenrechter het aangewezen om op basis van een belangenafweging een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter acht namelijk het belang dat verzoekster heeft bij voorlopige voortzetting van de tot 26 oktober 2015 lopende voorziening, zijnde een pgb voor individuele begeleiding, zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Om die reden, en gelet op verzoeksters situatie en het belang dat zij heeft bij voortzetting van de voorziening voor individuele begeleiding door haar moeder, valt de te maken nadere belangenafweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval in het voordeel van verzoekster uit.

8.2.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar en dat aan verzoekster over die periode een voorziening voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb van € 800,00 per maand wordt toegekend.

9. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door de gemachtigde van verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verzoekster recht heeft op 4 tot 6,9 uur individuele begeleiding per week in de vorm van een persoonsgebonden budget van € 800,- per maand;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.R. Bosker, kinderrechter/voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.