Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:920

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
LEE 15/3104
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning, vellen van houtopstanden, hockeyvelden Roden, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/3104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2016 in de zaak tussen

IVN afdeling Roden, te Roden, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld, verweerder

(gemachtigden: C.M. Bertels en N.E. Weisenbach).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Mixed Hockey Club Roden, te Roden,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Noordenveld een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een houtwal (zestien eiken), een beuk en een esdoorn op het hockeycomplex ter hoogte van Roderweg 2 te Roden.

Bij besluit van 16 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de Mixed Hockey Club Roden (MHC) is de gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. In artikel 2.2, onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

2. Op grond van artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag, in de in het eerste lid beschreven gevallen, houtopstand(en) te vellen of te doen vellen. Het verbod geldt op grond van het tweede lid, onder b, niet voor bomen in eigendom van de gemeente, voor zover deze niet zijn aangewezen als monumentaal en mits het vellen wordt uitgevoerd overeenkomstig het door het bevoegde gezag vastgestelde beleid.

3. In bijlage 2 van het Bomenbeleidsplan Noordenveld is onder meer aangegeven in welke situaties kap van eigen bomen is toegestaan en wanneer niet. In het beleidsplan is bepaald dat gemeentelijke bomen niet worden gekapt, tenzij daar goede redenen voor zijn. Op deze manier genieten alle gemeentelijke bomen bescherming. Het tenzij-principe treedt in werking in de volgende situaties:

1. Beheertechnische redenen; veiligheid, besmettingsgevaar, standplaatsverruiming of onevenredig veel onderhoud;

2. Overlast voor inwoners of verslechtering van het molenbiotoop;

3. Ten behoeve van een project of planvorming.

3.1.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat in onderhavig geval geen sprake

is van één van de hiervoor genoemde situaties. Dit betekent dus dat voor het kappen van de

houtwal (zestien eiken), de beuk en de esdoorn een omgevingsvergunning is vereist.

4. Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

4.1.

Op grond van artikel 1:8 van de APV kan de vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

4.2.

Op grond van artikel 4:12a van de APV kan de vergunning in afwijking van artikel 1:8 in elk geval worden geweigerd op grond van:

a. de monumentale waarde van de houtopstand;

b. de natuurwaarde van de houtopstand;

c. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

d. de waarde van de houtopstand voor het dorpsschoon;

e. de leeftijd van de houtopstand;

f. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

g. de waarde van de houtopstand als speelobject en/of voor de recreatie.

5. De rechtbank stelt voorop dat het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, blijkens de bewoordingen van artikel 4.12a van de APV, een discretionaire bevoegdheid van verweerder is. De aanwending van die bevoegdheid wordt door de rechtbank terughoudend getoetst.

In deze procedure ligt ter beoordeling de vraag voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang bij het verlenen van de omgevingsvergunning zwaarder weegt dan de in artikel 4.12a van de APV vermelde waarden.

5.1.

Niet in geschil is dat de bomen landschappelijk en voor het dorpsschoon waardevol zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het kappen van de in geding zijnde bomen zwaarder weegt dan de in de APV genoemde waarden.

5.1.1.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat het complex volgens het huidige bestemmingsplan “Woonwijken Roden” de aanduiding ‘sportieve/recreatieve doeleinden’ heeft. De houtwal, de beuk en esdoorn mogen aanwezig zijn (de gronden zijn tevens bestemd voor groenvoorzieningen), maar zijn niet beschermd. De sportuitoefening is de hoofdfunctie. Het hele gebied heeft op grond van het nieuwe bestemmingsplan “Woonwijken Roden” ook de bestemming ‘Sport’. De houtwal wordt ook op basis van dit plan niet beschermd, hetzelfde geldt voor de beuk en esdoorn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet hierop in het kader van zijn afweging een groot gewicht kunnen toekennen aan de uitoefening van de sport en van belang kunnen achten dat de MHC, gelet op het aantal leden, een relatief grote maatschappelijke waarde heeft voor Roden en omstreken. De leden komen niet alleen uit Roden, maar ook uit Peize, Norg en Leek. Daarnaast wordt de accommodatie van de MHC ook gebruikt door scholen en voetbalverenigingen. Eiseres heeft dit niet bestreden.

5.1.2.

Het onderhoud van het kunstgrashockeyveld wordt gedaan door de MHC. De MHC heeft in dit verband te kennen gegeven dat de onderhoudskosten van het veld jaarlijks aanzienlijk hoger zijn dan een gemiddeld kunstgrashockeyveld vanwege de vervuiling door de bomen die rond het veld staan. De vrijwilligers kunnen een deel van de werkzaamheden zelf uitvoeren, maar de specialistische werkzaamheden, het grootonderhoud en de revitalisatie moet de MHC uitbesteden. Voornoemde werkzaamheden kosten de MHC ongeveer € 20.000,- meer wanneer de bomen niet worden gekapt. Verder heeft de MHC aangegeven dat de toplaag van het tweede kunstgrasveld moet worden vervangen, omdat deze bijna is versleten en het veld niet meer voldoet aan de normen van de Koninklijke Nederlandse Hockeybond. Wanneer alle bomen rond het veld blijven staan, zou de MHC de toplaag na ongeveer zes jaar in plaats van twaalf jaar weer moeten vervangen. Indien door het niet kappen van de bomen de levensduur van het hockeyveld wordt verkort van twaalf jaar naar zes jaar, betekent dit voor de hockeyvereniging een verhoging van de jaarlijkse afschrijving op het veld van ongeveer € 16.500,-, hetgeen voor een vereniging met 330 leden een grote financiële aderlating is. Daar komt volgens de MHC bij dat leveranciers van kunstgrasvelden minder lang garantie geven op een nieuwe toplaag wanneer de “vervuilers” rond het veld blijven staan. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond om aan het voorgaande te twijfelen.

Verweerder heeft te kennen gegeven dat eerst is geprobeerd het probleem van de MHC op te lossen door snoeien en het kappen van een beperkt aantal bomen; dit heeft echter, door eiseres onbestreden, niet tot het gewenste resultaat geleid. Een andere mogelijke oplossing – een jaarlijkse financiële bijdrage in het onderhoud – heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid geen optie kunnen vinden, omdat de contributie al hoog is en veel gezinnen meerdere leden hebben.

5.1.3.

Eiseres heeft er op gewezen dat het hockeycomplex mogelijk zal verhuizen richting de velden van voetbalvereniging ONR. Verweerder heeft dit kader te kennen gegeven dat hierover inderdaad gesprekken gaande zijn met de voetbal- en korfbalverenging. Dit zal echter niet op korte termijn kunnen plaatsvinden, vanwege de procedure die moet worden gevolgd en de financiën die hiermee zijn gemoeid. Na verplaatsing van de hockeyvelden zal het gebied en andere invulling krijgen. Het is in dat geval ook maar de vraag of de betreffende bomen behouden kunnen blijven, aldus verweerder. Eiseres heeft dit niet bestreden.

5.1.4.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank tenslotte van belang kunnen achten dat de bomen weliswaar landschappelijk waardevol zijn, maar niet behoren tot de gebiedsranden en groene overgangen van de hockeyaccommodatie naar de omliggende woongebieden.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

7. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.