Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:838

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
C/17/138823 / HA ZA 14-462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht, Uitleg van schikking waarbij "op basis van vertrouwen" een geldsom zal worden gelegateerd. Afwijzing van gevorderde opheffing/wijziging legaat van levenslange periodieke uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0063
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/138823 / HA ZA 14-462

Vonnis van 2 maart 2016

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. K. van Barneveld-Peters te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.A. Abma te Leeuwarden,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eisers] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 november 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 juli 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het geschil betreft de nalatenschap van [erflater] , [geboortedatum] en [overlijdensdatum] te [overlijdensplaats] , hierna te noemen: erflater. Erflater was ten tijde van zijn overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde 2] . Uit het huwelijk van erflater en [gedaagde 2] zijn drie kinderen geboren: [eisers] Ten tijde van zijn overlijden waren erflater en [gedaagde 2] van tafel en bed gescheiden en woonde erflater samen met [gedaagde 1] , met wie hij sinds juli 1997 een affectieve relatie had.

2.2.

Erflater was enig bestuurder en certificaathouder van de aandelen in [vennootschap] , hierna te noemen: de vennootschap. De vennootschap exploiteert met haar deelnemingen een drukkerij vanuit een bedrijfspand in [vestigingsplaats] .

2.3.

Erflater heeft bij leven drie testamenten opgemaakt.

2.3.1.

In het testament van 18 december 2002 zijn, voor zover van belang, de volgende legaten vermaakt:
- een legaat aan [eisers] van alle aandelen, of certificaten daarvan, in [vennootschap] ;
- enkele, later vervallen, legaten aan [gedaagde 1] ;
- een legaat aan [gedaagde 2] van alle goederen die zij zal verkiezen (met uitzondering van de gelegateerde goederen), tegen inbreng van de waarde daarvan;
- een legaat aan [gedaagde 2] van vruchtgebruik van de zuivere nalatenschap.
Onder last van (onder meer) deze legaten heeft erflater tot zijn erfgenamen benoemd: [gedaagde 2] voor 1/100e gedeelte en [eisers] tezamen en voor gelijke delen voor 99/100e gedeelte. Voorts heeft erflater [gedaagde 2] tot executeur benoemd.

2.3.2.

In het testament van 17 juni 2004 heeft erflater onder uitdrukkelijke instandhouding van het eerdere testament, voor zover van belang, de eerdere legaten aan [gedaagde 1] laten vervallen en in plaats daarvan de navolgende goederen aan [gedaagde 1] gelegateerd:
- een levenslange periodieke uitkering van € 1.000,-- per maand;
- een bedrag in contanten ter grootte van de vordering die de vennootschap op erflater en/of [gedaagde 1] zou hebben.

2.3.3.

In het testament van 9 november 2006 heeft erflater onder uitdrukkelijke instandhouding van de eerdere testamenten, voor zover van belang, een (aanvullend) legaat aan [gedaagde 1] vermaakt van vruchtgebruik van het bedrijfspand te [vestigingsplaats] .

2.4.

Erflater heeft in 2004, gedurende zijn huwelijk met [gedaagde 2] , [de vakantiewoning] gekocht (hierna: de vakantiewoning). De vakantiewoning is bij de levering destijds op naam van [gedaagde 1] gezet.

2.5.

In een “Finaal Compromis Voorstel inzake nalatenschap wijlen [erflater] ”, door [eisers] op 27 augustus 2009 ondertekend en door [gedaagde 1] op 24 september 2009 ondertekend, is onder meer het volgende opgenomen:

[de vakantiewoning] => aankoop - (...)

- [gedaagde 1] zal - op basis van vertrouwen - de kinderen € 80.000 legateren in haar testament. Het verschuldigde successierecht (of schenkingsrecht bij leven) is voor rekening van de kinderen.

- (...)

2.6.

Bij akte van verdeling van 27 januari 2010 zijn door [eisers] en [gedaagde 2] , voor zover van belang, de ten behoeve van [gedaagde 1] vermaakte legaten afgegeven en gevestigd. Daarbij is overeengekomen dat de levenslange periodieke uitkering van
€ 1.000,-- per maand door [eisers] voor een evenredig deel aan [gedaagde 1] verschuldigd zal zijn. Ten aanzien van de vakantiewoning is een recht van eerste koop ten gunste van [eisers] opgenomen.

2.7.

Bij notariële akte van 30 december 2013 heeft [gedaagde 1] afstand gedaan van het recht van vruchtgebruik van het bedrijfspand te [vestigingsplaats] (r.o. 2.3.3).

2.8.

Bij kort geding vonnis van 24 december 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland is [eisers] onder meer veroordeeld om de achterstallige termijnen ter zake van de levenslange periodieke uitkering aan [gedaagde 1] te betalen, alsmede de toekomstige termijnen vanaf 1 januari 2015 voor de duur van de onderhavige bodemprocedure.

3 De vordering in conventie

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair:

[gedaagde 1] veroordeelt om aan [eisers] uit te keren het bedrag van € 80.000,--, of althans de opbrengst van de verkoop van [de vakantiewoning] verminderd met de nog openstaande hypotheekschuld per datum overdracht, of althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarden;

subsidiair:

verklaart voor recht dat [eisers] een vordering heeft jegens [gedaagde 1] ter hoogte van € 80.000,--, of althans de opbrengst van de verkoop van [de vakantiewoning] verminderd met de nog openstaande hypotheekschuld per datum overdracht, of althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, welke vordering opeisbaar zal worden op het moment dat [gedaagde 1] komt te overlijden;

2. de verbintenis die tussen partijen voortvloeit uit het onder punt 22 van de dagvaarding genoemde legaat opheft met ingang van 1 juni 2014, of althans vanaf een moment door de rechtbank in goede justitie te bepalen, althans die verbintenis wijzigt en bepaalt en/of verklaart voor recht dat [eisers] - per 1 juni 2014 - niet langer gehouden zijn om de periodieke termijnbetalingen uit hoofde van het legaat te betalen aan [gedaagde 1] , althans deze verbintenis zodanig wijzigt als de rechtbank geraden acht;

met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van deze bodemprocedure.

3.2.

[gedaagde 1] voert verweer met conclusie [eisers] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze af te wijzen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[gedaagde 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eisers] veroordeelt om aan [gedaagde 1] te betalen de levenslange periodieke uitkering als beschreven in de testamenten van [erflater] van 18 december 2002 en 17 juni 2004 ad één duizend euro (€ 1.000,--) per maand, telkens te voldoen uiterlijk op de eerste dag van de maand, zulks met ingang van de datum van het te wijzen vonnis, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

2. [eisers] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede in de na de te geven uitspraak ontstane (na)kosten, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, zulks onder de voorwaarde dat betekening van het te wijzen vonnis heeft plaatsgevonden en [eisers] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat, de explootkosten vanaf de dagtekening van het te wijzen vonnis en de wettelijke rente vanaf de dag nadat bedoelde termijn van veertien dagen voor nakoming is verstreken;

3. [eisers] veroordeelt in de kosten van de tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis, zulks onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eisers] niet tijdig na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan.

4.2.

[eisers] voert verweer met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel tot afwijzing van de vorderingen.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie

De voormalige vakantiewoning in [plaatsnaam]

5.1.

[eisers] legt - samengevat - het volgende aan haar eerste vordering ten grondslag. De vakantiewoning is volledig gefinancierd met het (huwelijks)vermogen van erflater. In 2006 heeft erflater toegezegd dat de vakantiewoning zou worden overgeschreven op naam van [eisers] Door het plotselinge overlijden van erflater heeft deze wijziging van de tenaamstelling niet plaatsgevonden. In het kader van een compromis zijn partijen vervolgens overeengekomen dat [gedaagde 1] de vakantiewoning geleidelijk aan de kinderen zou schenken of legateren, in welk verband [eisers] een vordering op [gedaagde 1] van € 80.000,-- heeft verkregen en een recht van eerste koop. Toen [gedaagde 1] de vakantiewoning wilde verkopen, was [eisers] niet in staat om de vakantiewoning te kopen. Achteraf is [eisers] gebleken dat de afspraken, zoals neergelegd in het finaal compromis, geen garantie omtrent de uitvoering daarvan bevatten. Voor zover de vordering op [gedaagde 1] thans niet opeisbaar is, vordert [eisers] subsidiair een verklaring van recht dat zij een vordering op [gedaagde 1] heeft die bij overlijden van [gedaagde 1] opeisbaar wordt.

5.2.

[gedaagde 1] voert - samengevat - het volgende tot haar verweer aan. Het geschil over het vakantiehuis is geëindigd door middel van de vaststellingsovereenkomst van augustus/september 2009. Deze overeenkomst is opgesteld door de accountant van [eisers] en is na uitvoerig beraad door partijen ondertekend. [gedaagde 1] heeft conform de gemaakte afspraken de vakantiewoning aan [eisers] aangeboden en heeft deze, nadat het aanbod was afgeslagen en een alternatief voorstel was uitgebleven, bevoegdelijk aan iemand anders verkocht en geleverd. Voor wat betreft het bedrag van € 80.000,-- heeft [eisers] geen rechtens opeisbare vordering op [gedaagde 1] zolang zij leeft. Er zijn geen garanties bedongen en het ontbreken daarvan is inherent aan de gemaakte afspraak. Door de accountant, die de onderhandelingen heeft begeleid, is daarop ook gewezen. [gedaagde 1] heeft wel uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken door een legaat ten behoeve van [eisers] in haar testament op te nemen.

5.3.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het tussen partijen gerezen geschil omtrent (de financiering van) de vakantiewoning is beëindigd op de wijze zoals hiervoor onder 2.5 is weergegeven. In die passage ontbreekt een uitdrukkelijke schuldigerkenning van de zijde van [gedaagde 1] ter zake van het bedrag van € 80.000,--. Gelet op de gebezigde bewoordingen is de rechtbank dan ook van oordeel dat de gemaakte afspraak redelijkerwijs zo moet worden uitgelegd dat [eisers] geen opeisbare vordering op [gedaagde 1] heeft verkregen. In het bijzonder het zinsdeel "op basis van vertrouwen" duidt er juist op dat het de bedoeling was dat slechts op vrijwillige basis bij uiterste wilsbeschikking een vorderingsrecht aan [eisers] zou worden toegekend. Daardoor zullen, wanneer het legaat is vermaakt, hooguit de toekomstige erfgenamen van [gedaagde 1] een vorderingsrecht van [eisers] ter grootte van € 80.000,-- tegen zich moeten laten gelden. De slotsom is dat [eisers] geen aanspraak op dat bedrag kan maken zolang [gedaagde 1] leeft. [eisers] heeft voorts onvoldoende weersproken dat [gedaagde 1] het legaat al in haar testament heeft opgenomen en er zijn voorts geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat [gedaagde 1] voornemens is om hierin wijzigingen aan te brengen. Het door [eisers] onder 1 gevorderde zal om die reden geheel worden afgewezen.

Het legaat van levenslange periodieke uitkering

5.4.

[eisers] legt - samengevat - het volgende aan haar tweede vordering ten grondslag. Feitelijk heeft erflater zijn testamenten zo ingericht dat [eisers] de vennootschap kreeg en dat afzonderlijke bestanddelen werden gelegateerd aan [gedaagde 1] . Het lag voor de hand dat de door [eisers] te betalen levenslange periodieke uitkering vanuit de vennootschap zou worden voldaan. Uitkeringen aan familieleden, waaronder pensioenen, werden altijd op die wijze gedaan. De financiële positie van de vennootschap is na het overlijden van erflater verslechterd en er zijn grote liquiditeitsproblemen. De vennootschap staat sinds september 2012 onder bijzonder beheer bij de ABN AMRO Bank. De bank heeft vanaf juni 2014 de uitbetaling van de levenslange periodieke uitkering geblokkeerd. De bank heeft voorts andere maatregelen getroffen, waardoor de vennootschap verkocht zal moeten worden en er voor [eisers] niets meer overblijft. [eisers] is, ieder voor zich, niet in staat om de levenslange periodieke uitkering uit eigen middelen te voldoen. Deze situatie strookt niet met de bedoelingen van erflater om (ook) [eisers] goed verzorgd achter te laten. Erflater heeft niet voorzien dat de vennootschap in zwaar weer zou komen of failliet zou gaan. Vanaf 1 juni 2014 kan een ongewijzigde instandlating van het legaat c.q. het voldoen aan dat legaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van [eisers] gevergd worden. [eisers] vordert daarom op grond van artikel 4:123 BW jo. 6:258 lid 1 en 3 BW dat de rechtbank het legaat van levenslange periodieke uitkering (gedeeltelijk) opheft althans wijzigt op een wijze zoals in goede justitie zal worden bepaald.

5.5.

[gedaagde 1] voert het volgende - samengevat - tot haar verweer aan. Om te beginnen doet zij een beroep op rechtsverwerking. Tussen partijen is namelijk afgesproken dat aan het legaat van de levenslange periodieke uitkering niet zou worden getornd. Die afspraak is gemaakt naar aanleiding van tussen partijen gevoerde onderhandelingen die ertoe hebben geleid dat [gedaagde 1] afstand heeft gedaan van het haar gelegateerde recht van vruchtgebruik op het bedrijfspand in [vestigingsplaats] (r.o. 2.3.3). In dat kader heeft [eiser 2] onder meer het volgende in een e-mail van 24 september 2012 aan [gedaagde 1] geschreven: “De 1.000 euro per maand is overigens iets waar wij niet aan zullen komen en ook zullen respecteren.” Op dat moment stond de vennootschap al onder bijzonder beheer van de bank en verkeerde de vennootschap dus toen al in economisch zwaar weer. De regeling maakte het mogelijk voor [eisers] om vrijelijk over het bedrijfspand te beschikken, zodat het geen pas geeft om op grond van diezelfde financiële redenen ook verval of wijziging van het legaat van de levenslange periodieke uitkering te vorderen. Volgens [gedaagde 1] zijn de bewoordingen van de testamenten duidelijk en was het de bedoeling van erflater om [gedaagde 1] verzorgd achter te laten. Nergens is een aanwijzing te vinden dat de levenslange periodieke uitkering afhankelijk zou zijn van de bedrijfsresultaten van de vennootschap. [gedaagde 1] heeft ook geen invloed kunnen uitoefenen op de bedrijfsvoering van de vennootschap, terwijl aan [eisers] alle macht over de vennootschap toekwam. Verder stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:123 BW. Het legaat geeft [gedaagde 1] een ongeclausuleerd recht op een levenslange periodieke uitkering. Met zich wijzigende economische omstandigheden moet erflater, als ondernemer, genoegzaam bekend zijn geweest. Tot slot weerspreekt [gedaagde 1] dat [eisers] niet in staat is om de levenslange periodieke uitkering uit haar eigen vermogen te voldoen. [eisers] heeft, elk met zijn of haar partners, een inkomen uit dienstbetrekking respectievelijk een uitkering. Daarnaast verkrijgt [eisers] huurinkomsten uit het bedrijfspand te [vestigingsplaats] - waarbij [gedaagde 1] opmerkt dat zijzelf op basis van het vruchtgebruik circa € 15.000,-- netto per jaar ontving - dan wel kan [eisers] dat bedrijfspand te gelde maken om aan de betalingsverplichtingen jegens [gedaagde 1] te voldoen. In elk geval moet [eiser 2] blijkens zijn eigen overzicht, dat ter gelegenheid van het kort geding is ingebracht, in staat worden geacht om zijn deel te betalen. Tot slot voert [gedaagde 1] aan dat zij bij toewijzing van de vordering zou terugvallen op een pensioen van € 455,--, zijnde 1/6e deel van de oorspronkelijk door erflater in zijn testamenten getroffen nabestaandenvoorzieningen, waarvan [gedaagde 1] op haar beurt niet kan rondkomen.

5.6.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Op grond van artikel 4:123 BW kan een rechter de verbintenissen uit een legaat wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten. Daarbij neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht.

Naar het oordeel van de rechtbank doen zich hier geen omstandigheden voor als bedoeld in genoemd wetsartikel. Door aanvaarding van (onder meer) het legaat van een levenslange periodieke uitkering aan [gedaagde 1] heeft [eisers] zichzelf - en niet de vennootschap - verplicht om aan [gedaagde 1] maandelijks € 1.000,-- uit te keren. Het feit dat de levenslange periodieke uitkering vanaf juni 2014 niet meer vanuit het vermogen van de vennootschap gefinancierd kan worden maar geheel ten laste van het overige vermogen van [eisers] komt, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor eigen rekening en risico van [eisers] dient te blijven. Daarbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat [gedaagde 1] onweersproken tot haar verweer heeft aangevoerd dat haar bij de afspraak over het prijsgeven van het legaat van vruchtgebruik op het bedrijfspand in [vestigingsplaats] (r.o. 2.3.3) is toegezegd dat aan het legaat van een levenslange periodieke uitkering niet getornd zou worden. Vaststaat dat de vennootschap ten tijde van deze toezegging al onder bijzonder beheer van de bank stond wegens liquiditeitsproblemen. Weliswaar heeft de bank pas later, in juni 2014, verhinderd dat de levenslange periodieke uitkering vanuit de vennootschap werd uitgekeerd, maar in de gegeven omstandigheden had [eisers] - die als certificaathouder van de aandelen van de vennootschap geacht moet worden inzicht te hebben gehad in het financiële reilen en zeilen van de vennootschap, waaronder de voorwaarden waaronder de kredietrelatie met de bank zou worden verlengd - die beslissing van de bank redelijkerwijs moeten zien aankomen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, zelfs indien in rechte vast zou komen te staan dat (iemand van) [eisers] vanaf juni 2014 over onvoldoende overig vermogen beschikt om (zijn aandeel in) de levenslange periodieke uitkering te voldoen, [eisers] geen (gedeeltelijke) opheffing of wijziging van die verbintenis kan vorderen. Het door [eisers] onder 2 gevorderde zal om die reden worden afgewezen.

5.7.

De slotsom is dat [eisers] geheel in het ongelijk wordt gesteld. Gelet op de erfrechtelijke aspecten van deze zaak en de aard van het geschil zal de rechtbank overgaan tot compensatie van de proceskosten.

in reconventie

5.8.

[gedaagde 1] legt - samengevat - het volgende aan haar vordering, die voortvloeit uit haar verweer in conventie, ten grondslag. Volgens [gedaagde 1] is [eisers] onverkort gehouden tot betaling van de levenslange periodieke uitkering. Nu de akte van verdeling van 27 januari 2010 (r.o. 2.6) niet in executoriale vorm is opgemaakt en de bij kort geding getroffen voorziening (r.o. 2.8) beperkt is voor de duur van de onderhavige procedure, heeft [gedaagde 1] recht en belang erbij dat [eisers] veroordeeld wordt tot nakoming van de betalingsverplichting uit hoofde van het legaat van levenslange periodieke uitkering.

5.9.

Het verweer van [eisers] vloeit voort uit hetgeen zij in conventie aan haar tweede vordering, strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing of wijziging van het legaat van levenslange periodieke uitkering, ten grondslag heeft gelegd.

5.10.

Uit hetgeen in conventie is overwogen en beslist volgt dat de op [eisers] rustende betalingsverplichting uit hoofde van de levenslange periodieke uitkering ongewijzigd is gebleven, zodat de rechtbank [eisers] op de voet van het bepaalde in artikel 3:296 BW zal veroordelen tot nakoming daarvan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door de voorzieningenrechter in kort geding uitgesproken veroordeling beperkt is tot de duur van de onderhavige procedure, zodat [gedaagde 1] belang heeft bij een veroordeling van [eisers] in de onderhavige procedure.

5.11.

Gelet op de erfrechtelijke aspecten van deze zaak en de aard van het geschil zal de rechtbank overgaan tot compensatie van de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

wijst het gevorderde af;

6.2.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

6.3.

veroordeelt [eisers] om aan [gedaagde 1] te betalen de levenslange periodieke uitkering als beschreven in het testament van [erflater] van 17 juni 2004 ad één duizend euro (€ 1.000,--) per maand, telkens te voldoen uiterlijk op de eerste dag van de maand, zulks met ingang van de datum van dit vonnis;

6.4.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.

1

1 type: 588coll: 18