Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:779

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14/4486
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang werknemer bij gewijzigd standpunt van het Uwv over de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever (toepassing artikel 52 Wia).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/4486

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2016 in de zaak tussen

[naam eiser], te Valthe, eiser

(gemachtigde: mr. M.A.E. Dekens),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. Hoogeveen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting De Trans, te Meppel, de werkgeefster

(gemachtigde: mr. J.M. Frons).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2013 (primair besluit 1) heeft verweerder aan eiser per 27 juni 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

Bij besluit van 1 november 2013 (primair besluit 2) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn arbeidsgeschiktheid is gewijzigd, maar dat de hoogte van zijn loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt.

Bij brief van 1 november 2013 heeft verweerder aan de werkgeefster medegedeeld dat, omdat zij eigen risicodrager is, de WGA-uitkering achteraf op haar zal worden verhaald. De werkgeefster heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

Bij besluit van 2 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de werkgeefster gegrond verklaard.

Eiser heeft op 10 oktober 2014 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft Stichting De Trans, te Meppel, op de voet van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Daarvan heeft zij gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak heropend en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. Voorts heeft de rechtbank partijen vragen gesteld.

Partijen hebben over en weer gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Daarop is het onderzoek wederom gesloten.

Overwegingen

1. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van het volgende.

1.1.

Eiser is sinds juli 1994 werkzaam bij Stichting De Trans, divisie Zuid, op de locatie Emmen, als [functie eiser]. Hij is op 22 september 2009 uitgevallen voor zijn werk als gevolg van fysieke klachten. Bij besluit van 1 augustus 2011 heeft verweerder aan de werkgeefster een loonsanctie opgelegd, omdat er onvoldoende re-integratie inspanningen zijn verricht. Bij besluit van 1 maart 2012 is het tegen dit besluit door de werkgeefster gemaakte bezwaar gegrond verklaard en is de loonsanctie komen te vervallen. Voor zover van belang heeft verweerder daarbij overwogen dat er bij de werkgeefster geen passende functies zijn voor eiser.

1.2.

Bij besluit van 26 april 2012 heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia). Dit besluit is mede gebaseerd op een rapport van arbeidsdeskundige [naam a.d.], van 25 april 2012, waarin deze arbeidsdeskundige heeft geoordeeld dat eiser geschikt is voor zijn eigen werk als [functie eiser]. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij brief van 15 juli 2013 heeft de werkgeefster verweerder verzocht om een heroverweging van de Wia-beoordeling omdat de klachten van eiser zijn verslechterd en hij zijn eigen werk niet langer kan doen. Verweerder heeft deze brief opgevat als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

1.4.

Een verzekeringsarts van verweerder heeft vastgesteld dat eiser in verband met een operatie aan zijn knie in de periode van 27 juni 2013 tot 13 september 2013 geen arbeidsmogelijkheden had. In verband hiermee is sprake van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na einde wachttijd Wia. Voor de periode vanaf 13 september 2013 is een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgemaakt waarin een aantal fysieke beperkingen is opgenomen.

1.5.

Arbeidsdeskundige [naam tweede a.d.] heeft in een rapport van 31 oktober 2013 vastgesteld dat eiser niet geschikt is voor de maatgevende arbeid van [functie eiser] bij de werkgeefster voor 35,96 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft daarbij vermeld dat er (her)plaatsingsmogelijkheden zijn bij de werkgeefster. De mate van arbeidsongeschiktheid is met ingang van 17 juni 2013 bepaald op 80 tot 100%. Op basis van de FML zijn er, per 13 september 2013, functies geselecteerd voor eiser en op grond daarvan is zijn mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 19,26% met ingang van 13 september 2013.

1.6.

Bij primair besluit 1 is aan eiser per 27 juni 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij de berekening van de uitkering aan eiser is uitgegaan van het Wia-maandloon van eiser, waarvan de loondoorbetalingsverplichting van de werkgeefster is afgetrokken. Er resteert een uitkering van € 106,55 per maand.

1.7.

Bij primair besluit 2 is medegedeeld dat de verlaagde mate van arbeidsongeschiktheid per 13 september 2013 geen gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering.

1.8.

De werkgeefster heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. De werkgeefster heeft gesteld dat eiser, nadat hij op 22 september 2009 was uitgevallen voor zijn functie van [functie eiser], nooit meer volledig hervat heeft in deze functie. Ten onrechte heeft verweerder de eerste arbeidsongeschikheidsdag bepaald op 27 juni 2013 en ten onrechte is vastgesteld dat sprake is van een loondoorbetalingsverplichting van de werkgeefster. Ook heeft de werkgeefster bezwaar gemaakt tegen de opmerking van de arbeidsdeskundige dat er (her)plaatsingsmogelijkheden zijn bij haar.

1.9.

In reactie op dit bezwaar heeft eiser verweerder laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst met de werkgeefster is gewijzigd. Hij is niet langer [functie eiser], maar doet deze werkzaamheden in combinatie met werkzaamheden als [andere functie]

1.10.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft arbeidsdeskundige Bezwaar en Beroep [naam a.d. B&B] geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van het arbeidskundig oordeel van [naam a.d.] van 25 april 2012. Hij is tot het oordeel gekomen dat eiser op en na 21 september 2011 doorlopend ongeschikt is gebleven voor de maatgevende arbeid van [functie eiser].

1.11.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van de werkgeefster gegrond verklaard. De bedongen arbeid is nog steeds de functie van [functie eiser], zodat er bij hernieuwde uitval wegens ziekte geen recht is op loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verweerder komt tot dit oordeel omdat sprake is van een mislukte re-integratie in een gecombineerde functie van [functie eiser] met die van praktijkopleider; zodat deze functie niet de nieuwe bedongen arbeid is geworden. Voor zover het bezwaar gericht is tegen het verhaal van de Wia-uitkering op de werkgeefster, wordt dit ongegrond verklaard. Hetzelfde geldt voor het bezwaar gericht tegen de opmerking van de arbeidsdeskundige over de (her)plaatsingsmogelijkheden. Dit is volgens verweerder niet relevant voor de in het besluit vervatte Wia-beoordeling en moet daarom als ongeschreven worden beschouwd.

2. Tussen partijen is in geschil of verweerder de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht heeft gewijzigd van 27 juni 2013 in 21 september 2009.

3. Eiser heeft gesteld dat de bedongen arbeid wel is gewijzigd en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor deze arbeid niet 22 september 2009 is. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat de onderzoeksvraag van de arbeidsdeskundige (impliciet) de heroverweging van het besluit van 25 april 2012 betreft; hiertegen was het bezwaar van de werkgeefster echter niet gericht. Dit blijkt ook uit de opmerking over de (her)plaatsingsmogelijkheden. Eiser vindt daarom dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming, wat tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.

3.1.

Verweerder heeft zijn standpunt in beroep gehandhaafd.

3.2.

De werkgeefster heeft als haar standpunt te kennen gegeven dat het nooit de bedoeling was dat de bedongen arbeid zou worden gewijzigd; eiser is slechts in het kader van de re-integratie werkzaamheden als [andere functie] gaan verrichten. Volgens de werkgeefster is uit het besluit van 26 april 2012 niet af te leiden dat sprake was van een volledig herstel, omdat in het daaraan ten grondslag liggende arbeidskundig rapport staat vermeld dat de functie van [functie eiser] aangepast moest worden aan de beperkingen van eiser. De werkgeefster heeft tevens vermeld dat eiser inmiddels is ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

4.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. De rechtbank heeft partijen nader bevraagd over ten eerste de vraag of eiser, die geen bezwaar heeft gemaakt in zijn beroep kan worden ontvangen en ten tweede over de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser bij brief van 19 juni 2014 geen bezwaar heeft gemaakt. Hij heeft als derde-belanghebbende in de bezwaarfase gereageerd op de standpunten van de werkgeefster. Het bestreden besluit is echter ten opzichte van primair besluit 1 gewijzigd ten aanzien van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Eiser heeft dat niet kunnen voorzien ten tijde van het primaire besluit. Naar het oordeel van de rechtbank staat het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb niet in de weg aan de ontvankelijkheid van eisers beroep.

7.
Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is de bestuursrechter in het kader van de Awb alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen indien er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Eiser zal belang hebben bij de beoordeling van zijn beroep indien het resultaat dat hiermee wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijke betekenis kan hebben.

7.1.

De CRvB heeft in zijn uitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:53) aanleiding gezien deze rechtspraak te verruimen, in die zin dat ook procesbelang zal worden aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden van dit gevolg beslissend is (vgl. de uitspraak van de CRvB van 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1669, www.rechtspraak.nl).

7.2

Mede gelet op voornoemde jurisprudentie is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Zij overweegt hiertoe als volgt.

7.2.1.

De rechtbank stelt vast dat in de loop van de tijd meerdere besluiten zijn genomen naar aanleiding van de arbeidsongeschiktheid van eiser. Hierbij valt op dat verweerder wisselende standpunten heeft ingenomen over de geschiktheid van eiser voor zijn functie van [functie eiser]. Dit valt met name op bij een vergelijking van de beoordelingen door de arbeidsdeskundigen over de geschiktheid van eiser voor zijn werk als [functie eiser] zoals die grondslag liggen aan het loonsanctiebesluit van 1 maart 2012, het besluit van 26 april 2012 en het bestreden besluit. De rechtbank stelt echter vast dat het in deze procedure gaat over de beoordeling door verweerder van de vraag of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Vergeleken met de besluitvorming die heeft geleid tot het primaire besluit is in de fase van bezwaar de Wia-beoordeling niet gewijzigd: de FML is ongewijzigd; de maatman is ongewijzigd vastgesteld op het werk als [functie eiser], het arbeidsongeschiktheidspercentage is ongewijzigd en evenmin is er een ander Wia-maandloon vastgesteld. Wat wel gewijzigd is, is de berekening van de hoogte van de uitkering omdat verweerder ingevolge artikel 52 van de Wia, het inkomen in mindering op de Wia-uitkering moet brengen. Nu volgens verweerder geen sprake is van een loondoorbetalingsverplichting is er, anders dan bij het primaire besluit was geoordeeld, niet langer reden dit op de uitkering te korten.

7.2.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de toekenning, de hoogte of de duur van de uitkering. Het feit dat op zijn uitkering geen korting meer wordt toegepast, wordt evenmin door eiser aangevallen. De vaststelling door verweerder dat eiser sinds 22 september 2009 ongewijzigd arbeidsongeschikt wordt geacht, wordt dan ook door eiser niet betwist in het kader van zijn Wia-rechten. Eiser betwist dit in het kader van de arbeidsrechtelijke consequenties. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser echter met zijn beroep niet bereiken dat deze arbeidsrechtelijke consequenties zich niet zullen voordoen.

7.2.3.

Hoewel eiser stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden, in de zin dat er arbeidsrechtelijke consequenties zijn, is het bestreden besluit voor het al dan niet intreden van dit gevolg niet beslissend. In de arbeidsrechtelijke procedure staat de beoordeling door verweerder in de Wia-procedure immers niet vast. In die procedure dient een zelfstandige beoordeling te worden gemaakt.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en mr. T.F. Bruinenberg als leden, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.