Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:719

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
C/17/143314 / HA ZA 15-243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

rekening & verantwoording over gevoerd financieel beheer tijdens het leven van vader

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/143314 / HA ZA 15-243

Vonnis van 24 februari 2016

in de zaak van

wijlen [eiser],

ten tijde van zijn overlijden wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.D. Nijenhuis, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.A. Schütz, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden] (meervoud). Afzonderlijk zullen gedaagden worden aangeduid als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 september 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 december 2015 en de ter gelegenheid daarvan door [gedaagden] overgelegde producties 5 tot en met 9.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn gehuwd. [gedaagde 2] is de dochter van [eiser] . [eiser] is op [overlijdensdatum] overleden na een periode van toenemende fysieke en mentale gezondheidsproblemen, waarbij onder meer zijn loopvermogen ernstig en permanent was aangetast. Na in 2011 te zijn opgenomen in een ziekenhuis, heeft [eiser] eerst in een revalidatiecentrum verbleven en vervolgens, tot aan zijn dood, in een verpleeghuis/verzorgingshuis.

2.2.

Op enig moment zijn [gedaagden] voor [eiser] gaan zorgen, bij welke (mantel)zorg zij [eiser] ook hebben ondersteund in administratieve en financiële zaken.

2.3.

Op 30 juli 2010 heeft [eiser] [gedaagde 1] gevolmachtigd tot het doen van betalingen en opnamen van zijn bankrekening bij de Friesland Bank.

2.4.

Op enig moment hebben [eiser] en [gedaagden] besloten dat [eiser] zijn woning aan de [adres] zou verkopen aan [gedaagde 2] .

2.5.

Op 18 augustus 2010 is [eiser] een geldlening aangegaan bij Santander Consumer Finance Benelux B.V. (hierna: Santander) voor een bedrag van € 8.000,00, bij de totstandkoming van welke geldlening [gedaagde 1] [eiser] heeft geholpen. Het geleende geld is besteed aan het opknappen van de woning van [eiser] .

2.6.

In opdracht van [eiser] heeft [gedaagde 2] de auto van [eiser] verkocht voor een bedrag van € 3.700,00. Dit bedrag heeft [gedaagde 2] betaald aan aannemer [A] te [Vestigingsplaats] .

2.7.

Aannemer [A] heeft de volgende schriftelijke verklaring ondertekend:

Ik [A] verklaar bij deze in augustus 2010 3700 euro in contanten te hebben ontvangen van [gedaagde 2] voor werkzaamheden (verkoopklaar maken) aan de woning gelegen aan de [adres] .

Deze werkzaamheden zijn conform afspraken uitgevoerd in 2010.

2.8.

Op 27 december 2010 heeft [eiser] de volgende schriftelijke verklaring ondertekend:

Ik [eiser] doe mijn dochter [gedaagde 2] een schenking van 5033 euro over het jaar 2010.

2.9.

[eiser] heeft zijn woning aan de [adres] op 11 maart 2011 overgedragen aan [gedaagde 2] voor een bedrag van € 56.000,00. De overwaarde van de woning is aangemerkt als een schenking van [eiser] aan [gedaagde 2] , waarover door [gedaagde 2] belasting is betaald. Tot 2012 heeft [eiser] de zakelijke lasten van de woning voor zijn rekening genomen.

2.10.

Op 4 maart 2011 heeft aannemer [A] aan [gedaagde 1] een bedrag van € 5.950,00 gefactureerd met als omschrijving “verbouwing boven verdieping wanden en plafond”.

2.11.

Sinds 2012 hebben [gedaagden] de betaling van de aan de woning verbonden zakelijke lasten op zich genomen. Vanaf oktober 2012 hebben [gedaagden] de aan de geldlening bij Santander verbonden rente- en aflossingsverplichtingen van [eiser] overgenomen.

2.12.

Op 2 september 2012 heeft [eiser] de volgende schriftelijke verklaring ondertekend:

Ik [eiser] doe mijn dochter [gedaagde 2] een schenking van 5033 euro over het jaar 2012.

2.13.

In het najaar van 2012 is de verstandhouding tussen [eiser] en [gedaagden] verstoord geraakt en is het contact verbroken. Op 17 oktober 2012 heeft [eiser] de door hem aan [gedaagde 1] verstrekte bancaire volmacht ingetrokken.

2.14.

In 2013 hebben [gedaagden] aan de toenmalige advocaat van [eiser] een uitdraai van de mutaties van de bankrekening van [eiser] gestuurd. In 2013 hebben [gedaagden] via bemiddeling van een maatschappelijk werker van het verzorgingshuis waar [eiser] verbleef afspraken met [eiser] gemaakt als gevolg waarvan [gedaagden] onder meer het bedrag dat [eiser] op de geldlening bij Santander had afbetaald (in termijnen) op de bankrekening hebben teruggestort alsook een bedrag van € 2.000,00.

2.15.

Op 14 juli 2015 heeft [eiser] [gedaagden] doen dagvaarden. Bij faxbericht van 2 december 2015 heeft mr. Nijenhuis meegedeeld dat [eiser] op 6 september 2015 is overleden.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot het afleggen van rekening en verantwoording over het beheer van zijn bankrekening bij de Friesland Bank in de periode van januari 2010 tot en met december 2013 op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500,00 per dag wanneer [gedaagden] daaraan niet binnen vier weken na de datum van het vonnis voldoen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer met conclusie tot afwijzing van de vordering van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

Nu de zaak niet op de voet van artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geschorst, zal het geding op naam van [eiser] worden voortgezet.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of en zo ja, op welke wijze, door [gedaagden] rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de betalingen en opnamen die [gedaagden] vanaf de bankrekening van [eiser] hebben gedaan; [gedaagde 1] met gebruikmaking van de hem verleende bancaire volmacht en beiden met gebruikmaking van de bankpas die [eiser] aan hen ter beschikking had gesteld.

4.3.

[gedaagden] betwisten dat zij rekening en verantwoording zouden moeten afleggen. [gedaagden] stellen dat zij door hen opgenomen gelden aan [eiser] hebben verstrekt of hebben aangewend ten behoeve van [eiser] aan wie zij mantelzorg verleenden. [gedaagden] voeren aan dat zij zorgden voor het vervoer van [eiser] onder meer naar de chiropractor, dat zij de kleding van [eiser] (130 keer) wasten tegenover een wekelijkse vergoeding, dat zij [eiser] in ieder geval wekelijks bezochten, dat zij [eiser] op zijn verzoek iedere zondag uit het verzorgingshuis ophaalden om de dag in zijn oude woning aan de [adres] door te laten brengen, dat zij [eiser] in rookwaren voorzagen en dat zij [eiser] contant geld gaven om in het verzorgingshuis uit te geven nu [eiser] zelf niet in staat was om naar buiten te gaan om benodigdheden te kopen of geld te pinnen. [gedaagden] erkennen dat zij ook geld van de bankrekening van [eiser] hebben opgenomen voor eigen gebruik. [gedaagde 2] stelt dat zij daartoe op grond van de twee schenkingsovereenkomsten van (elk) € 5.033,00 gerechtigd was.

4.4.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251).

4.5.

Anders dan [eiser] lijkt te betogen, is de rechtbank van oordeel dat de enkele volmachtverlening [gedaagde 1] niet verplicht tot het doen van rekening en verantwoording jegens [eiser] . In de volmacht is geen plicht tot het doen van rekening en verantwoording opgenomen. Datzelfde geldt voor het gebruik van de bankpas die [gedaagden] met toestemming van [eiser] gebruikten. Dit is alleen anders waar [eiser] , zoals hier het geval is, bij leven [gedaagden] ter verantwoording heeft geroepen over de wijze waarop in een aantal gevallen met de volmacht en de bankpas is omgegaan (vgl. HR 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4167), mede gelet op het feit dat [eiser] vanwege zijn sterk afnemende gezondheid in een afhankelijke relatie tot zijn mantelzorgers stond.

4.6.

[eiser] stelt bij dagvaarding dat een bedrag van € 20.000,00 op voor hem onverklaarbare wijze door [gedaagden] aan de bankrekening is onttrokken. Concreet noemt [eiser] in de dagvaarding (1) een bedrag van € 6.850,00 dat op 20 augustus 2010 is overgemaakt naar [gedaagden] , (2) een bedrag van € 400,00 dat op 23 augustus 2010 door [gedaagden] contant is opgenomen en (3) pinbetalingen van die dag tot een bedrag van € 154,97. Deze specifieke bedragen waarover [eiser] bij leven [gedaagden] ter verantwoording heeft geroepen zijn dan ook in beginsel de bedragen waarover door [gedaagden] rekening en verantwoording moet worden afgelegd.

4.7.

[gedaagden] betwisten dat zij een bedrag van € 20.000,00 van de bankrekening van [eiser] hebben gehaald. [gedaagden] stellen dat uit een mutatieoverzicht van de bankrekening, dat zij als productie 5 in het geding hebben gebracht, blijkt dat in de periode van 30 juli 2010 tot en met oktober 2012 een bedrag van € 9.754,00 van de bankrekening is betaald of opgenomen. [gedaagden] hebben op het als productie 5 overgelegde mutatieoverzicht in zwart aangevinkt wat de vaste uitgaven zijn die vanaf de bankrekening zijn betaald. [gedaagden] hebben op het mutatieoverzicht in rood aangevinkt wat de geldopnamen en overige betalingen vanaf de bankrekening zijn. Verder hebben [gedaagden] een overzicht overgelegd (productie 6) waarop zij hebben aangegeven waar de betreffende bedragen aan zijn besteed. [gedaagden] hebben toegelicht dat zij een bedrag van € 2.000,00 hebben teruggestort op de bankrekening zoals dat met [eiser] in 2013 was afgesproken via de bemiddeling van een maatschappelijk werker van het verzorgingshuis waar [eiser] verbleef. [gedaagden] hebben verder toegelicht dat zij een bedrag van € 2.300,00, zijnde € 20,00 per week, contant aan [eiser] hebben gegeven voor dagelijkse benodigdheden en dat zij een bedrag van € 1.350,00 hebben besteed aan shag, kleding en verzorgingsproducten voor [eiser] alsook een lcd televisie, een televisiekast, een scheerapparaat en een telefoon. [gedaagden] hebben tot slot toegelicht dat het resterende bedrag van € 4.104,00 aan henzelf ten goede is gekomen. De rechtbank begrijpt dat hieronder vallen de pinbetalingen gedaan bij een pretpark en een sauna zoals die door [eiser] nog zijn aangehaald ter gelegenheid van de comparitie van partijen.

4.8.

Met hun uitleg waar het bedrag van € 9.754,00 aan is besteed, hebben [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate (rekening en) verantwoording afgelegd over het gebruik dat zij van de bankrekening van [eiser] hebben gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de opnamen die [eiser] in de dagvaarding noemt - als hiervoor onder 4.6 vermeld - onderdeel uitmaken van het door [gedaagden] overgelegde mutatieoverzicht waarop de door [gedaagden] verstrekte toelichting ziet. De rechtbank is van oordeel dat aan de door [gedaagden] af te leggen rekening en verantwoording inzake het gebruik van de bankrekening geen al te hoge eisen kunnen worden gesteld. Hiertoe acht de rechtbank redengevend de familieverhouding en de omstandigheid dat [gedaagden] in de periode waarin zij met diens toestemming over de bankrekening van [eiser] beschikten aan [eiser] (mantel)zorg verleenden. De rechtbank neemt bij haar oordeel dat door [gedaagden] in voldoende mate rekening en verantwoording is afgelegd in aanmerking dat het bestaan van de overeenkomsten van schenking door [eiser] niet is betwist en dat evenmin door [eiser] is betwist dat met de geldopnamen (deels) aan de uit die overeenkomsten van schenking voortvloeiende betalingsverplichting van in totaal € 10.066,00 werd voldaan.

4.9.

Van [gedaagden] kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden verwacht dat zij hun stellingen dat zij de door hen opgenomen gelden aan [eiser] hebben verstrekt of hebben aangewend ten behoeve van [eiser] nog nader onderbouwen, bijvoorbeeld met bonnen en facturen waaruit één en ander blijkt. Het is binnen familieverhoudingen niet gebruikelijk om een administratie(kasboek) bij te houden (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3935 met een verwijzing naar HR 29 april 1994, NJ 1995/561).

4.10.

De enkele stelling dat [eiser] bepaalde, door hem niet nader genoemde posten niet kan thuisbrengen is onvoldoende voor toewijzing van de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagden] aan hem. Het had op de weg van [eiser] gelegen om na bestudering van de bankafschriften concreet aan te geven voor welke posten [eiser] bij leven [gedaagden] ter verantwoording heeft geroepen, bijvoorbeeld omdat die voor hem nog onduidelijkheden bevatten, zodat [gedaagden] daarop hadden kunnen reageren. Daar waar [eiser] dit wel heeft gedaan, hebben [gedaagden] de betreffende uitgaven naar het oordeel van de rechtbank als hiervoor is overwogen voldoende kunnen verklaren.

4.11.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat [gedaagden] in afdoende mate rekening en verantwoording hebben afgelegd over het gebruik van de bankpas en de bankrekening van [eiser] . De vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.

4.12.

Omdat partijen in een familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2016.1

1 type: 100 coll: 588