Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:677

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
4732472 AR VERZ 16-3 en 4776991 AR VERZ 16-17
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

WWZ

afwijzing ontbinding op grond van verwijtbaar handelen (e-grond) en verstoorde arbeidsrelatie (g-grond). Disproportionele maatregel; gestelde verduistering niet aangetoond. Verzoek wedertewerkstelling toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/584
AR-Updates.nl 2016-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer.: 4732472 AR VERZ 16-3 en 4776991 AR VERZ 16-17

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671 lid 1 BW d.d. 22 februari 2016

inzake

HEALTH ANGELS B.V., tevens h.o.d.n. ARTS EN ZORG,

statutair gevestigd te Hilversum,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A. van Reek,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. W.A. Stegeman.

Partijen zullen hierna Arts en Zorg en [werkneemster] worden genoemd.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Arts en Zorg heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 7 januari 2016. De werknemer heeft op 27 januari 2016 een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 4 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen op respectievelijk 20 januari, 2 en 3 februari 2016 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

Arts en Zorg is een aanbieder van eerstelijnsgezondheidszorg. Verspreid over het land exploiteert Arts en Zorg een groot aantal huisartsenpraktijken, waarbij in totaal 68 huisartsen in loondienst werkzaam zijn. Het hoofdkantoor van Arts en Zorg is gevestigd in Utrecht.

2.2.

[werkneemster] , geboren [geboortedatum] , is -na vanaf 28 juni 2004 als waarnemer werkzaam te zijn geweest- op 1 april 2006 in dienst getreden bij de (rechtsvoorganger van) Arts en Zorg in de functie van huisarts. [werkneemster] is sedertdien werkzaam bij de Huisartsenpraktijk Groningen West, thans Gezondheidscentrum Hoendiep.

Haar laatstverdiende maandsalaris bedraagt € 3.972,43 bruto bij een deeltijdfunctie van 61.25 % (24.5 uren per week).

Op het dienstverband is van toepassing de CAO Gezondheidscentra, met inbegrip van de bepalingen die zijn opgenomen in de AHG (Arbeidsvoorwaarden Huisartsen in Gezondheidscentra).

2.3.

Bij brief van 23 november 2015 heeft de regiomanager van Arts en Zorg aan [werkneemster] het volgende medegedeeld:

Bij deze bevestigen wij schriftelijk dat we jou per direct op non-actief stellen.

Zoals vandaag gezamenlijk besproken, is de aanleiding voor het op non-actief stellen de constatering dat jij de vergoeding voor het verstrekken van medische gegevens van een patiënt van Arts en Zorg, die volgens de bekende werkwijze op Gezondheidscentrum Hoendiep aan Arts en Zorg toekomt, rechtstreeks wilde laten uitkeren op jouw persoonlijke bankrekening.

Gezien de ernst van deze gebeurtenis, willen wij de komende dagen gebruiken om te onderzoeken hoe dit heeft kunnen gebeuren en in welke mate dit zich heeft voorgedaan. Daarvoor gebruiken we de formele route, waarbij we je per direct op non-actief stellen voor een periode van maximaal 3 weken (maximaal te verlengen met nog eens een periode van 3 weken).

Wij stellen dat deze gebeurtenis absoluut onacceptabel is en wij zullen ons tijdens de op non-actief stelling beraden welke consequenties wij zullen verbinden aan deze gebeurtenis.

2.4.

Per e-mail van 23 november 2015 heeft [werkneemster] aan Arts en Zorg een overzicht verstrekt van de omstreden betalingen. Blijkens dit overzicht gaat het om 12 betalingen sinds 2012 van het geneesmiddelen-onderzoeksbureau PRA Zuidlaren (Pharmaceutical Research Associates) ad € 37,99 per keer.

Bij e-mail van 25 november 2015 heeft [werkneemster] aanvullend opgave gedaan van 5 verzoeken van het geneesmiddelen-onderzoeksbureau QPS.

2.5.

Op 7 december 2015 heeft de regiomanager van Arts en Zorg [werkneemster] aangezegd het dienstverband te zullen beëindigen, bij voorkeur in onderling overleg door middel van een vaststellingsovereenkomst.

2.6.

Bij aangetekende brief van 17 december 2015 heeft [werkneemster] zich tegen haar non-actiefstelling verzet en haar werkgever gesommeerd om haar tot het werk toe te laten, onder aanzegging van een kort gedingprocedure strekkende tot wedertewerkstelling.

3 Het verzoek

3.1.

Arts en Zorg verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, dan wel g BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt Arts en Zorg ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van de werknemer, dan wel een verstoorde arbeidsverhouding, op basis waarvan van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Ter onderbouwing daarvan heeft Arts en Zorg het volgende naar voren gebracht.

3.3.

Per handeling van een huisarts ontvangt Arts en Zorg een financiële vergoeding. Dat geldt niet alleen voor medische handelingen of consulten, maar ook voor bepaalde administratieve handelingen, zoals het verstrekken van medische informatie over een patiënt aan derden. Op 6 november 2015 is de praktijkcoördinator van Gezondheidscentrum Hoendiep gebleken, dat het bankrekeningnummer ten behoeve van een financiële vergoeding voor informatieverstrekking aan PRA Zuidlaren -een onderzoekscentrum voor geneesmiddelenonderzoek- niet klopte. Nader onderzoek leerde dat het om het privé bankrekeningnummer van [werkneemster] ging. Desgevraagd heeft [werkneemster] ook bevestigd dat zij de vergoeding voor het verstrekken van medische informatie aan PRA zelf incasseerde. Ook bleek dat het vaker was voorgekomen, in totaal 17 keer.

3.4.

Primair verzoekt Arts en Zorg de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens -ernstig- verwijtbaar handelen door [werkneemster] . Zij heeft welbewust en stelselmatig (tenminste 17 keer) -in strijd met het staande beleid- gelden, die aan Arts en Zorg toekwamen, verduisterd. Daarnaast heeft zij niet alleen verzuimd om toestemming aan de patiënt te vragen voor het verstrekken van medische informatie aan derden, maar ook om daarvan een aantekening te (laten) maken in het dossier van de betreffende patiënt, zodat aannemelijk is dat zij aldus heeft gepoogd haar onrechtmatige handelwijze te verdoezelen. Daarmee heeft [werkneemster] willens en wetens haar wettelijke dossierplicht verzaakt, met alle (mogelijke) gevolgen voor Arts en Zorg.

3.5.

Subsidiair verzoekt Arts en Zorg de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7: 669 lid 3 sub g BW, nu sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Door haar handelen heeft [werkneemster] bewerkstelligd dat het vertrouwen van Arts en Zorg in haar volledig is weggenomen.

3.6.

Gegeven het gemaakte verwijt en het daardoor afgenomen vertrouwen maakt dat herplaatsing niet in de rede ligt.

3.7.

Het voorgaande maakt ook dat er rechtens geen grond is voor toekenning van een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding.

4 Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek

4.1.

[werkneemster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

[werkneemster] erkent de ontvangen vergoedingen, in totaal tot een bedrag van € 640,90, maar betwist dat zij zich deze gelden opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Zij voert aan dat zij bij de rechtsvoorganger van Arts en Zorg is gestart als waarnemer en in die hoedanigheid de vergoeding voor de informatie aan de bewuste geneesmiddelen- onderzoeksbureaus zelf mocht behouden. Na haar indiensttreding bleef dit procedé onveranderd. Toen de organisatie, circa drie jaar geleden, door Arts en Zorg werd overgenomen zijn daarover nimmer andersluidende afspraken gemaakt, aldus [werkneemster] .

Van het beleid, waarop Arts en Zorg zich thans beroept, is [werkneemster] nimmer gebleken.

[werkneemster] stelt dan ook dat zij zich er niet van bewust was dat zij in strijd met de richtlijnen van Arts en Zorg handelde. [werkneemster] heeft ook terstond alle medewerking verleend om de omvang van de "fraude" in kaart te brengen en excuses aangeboden, stellende dat zij Arts en Zorg nimmer moedwillig heeft willen benadelen.

4.3.

Daar waar Arts en Zorg zich beroept op de wettelijke dossierplicht, wijst [werkneemster] op artikel 7: 454 BW, waarin is bepaald dat aantekening in het dossier van de patiënt slechts nodig is "voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is".

Het is -volgens [werkneemster] - voor een goede medische hulpverlening niet noodzakelijk dat in het dossier van een patiënt een aantekening wordt gemaakt dat de huisarts aan een geneesmiddelen-onderzoeksbureau heeft laten weten dat er geen medische bijzonderheden zijn. Dit is slechts anders wanneer zich een specifieke medische indicatie voordoet; [werkneemster] heeft in een tweetal specifieke gevallen aangetoond dat zij daarvan toen wel aantekening in het dossier heeft gemaakt.

[werkneemster] stelt dat het in casu gaat om medicatie-onderzoeken, waaraan louter studenten deelnemen en de te beantwoorden vragen in de regel geen nieuwe relevante medische gegevens omvatten, anders dan reeds in het dossier voorhanden. De huisarts is ook vrij om het verzoek om informatie niet te beantwoorden en in de prullenbak te gooien.

Daarnaast betreft het informatie, waarvoor de patiënt in kwestie reeds op voorhand toestemming heeft verleend.

Arts en Zorg heeft overigens ter zake ook geen zelfstandige medische of tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid cq aansprakelijkheid, aldus [werkneemster] .

4.4.

[werkneemster] betwist dan ook dat zij in strijd met haar wettelijke verplichtingen of het door haar werkgever vastgesteld beleid heeft gehandeld. Van verwijtbaar handelen kan daarom geen sprake zijn. [werkneemster] stelt ook nooit te zijn aangesproken op de ontvangst van voormelde vergoedingen, terwijl het voorts maar om twee specifieke onderzoeksbureaus en een summier bedrag gaat.

De gevorderde ontbinding van Arts en Zorg is aldus een disproportionele maatregel.

Voorts stelt [werkneemster] dat Arts en Zorg meerdere bepalingen van de CAO en AHG heeft geschonden door de wijze waarop zij op non-actief is gesteld en gehouden.

Van een verstoorde arbeidsrelatie is volgens [werkneemster] hoe dan ook geen sprake. Zij stelt van nagenoeg al haar collega's – van "hoog tot laag" – solidariteitsbetuigingen te hebben ontvangen. [werkneemster] verzoekt dan ook de afwijzing van het ontbindingsverzoek.

4.5.

Als zelfstandig tegenverzoek verzoekt [werkneemster] haar wedertewerkstelling.

4.6.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [werkneemster] bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek om toekenning van een transitievergoeding ad € 18.400,- bruto, als ook een billijke vergoeding ex artikel 7: 671b lid 8 sub c BW ad € 98.006,- bruto.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet -zoals voorwaardelijk door [werkneemster] verzocht- ook worden beoordeeld of aan de werknemer een transitievergoeding, als ook een billijke vergoeding moet worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter neemt bij de beoordeling van de gestelde feiten en omstandigheden tot uitgangspunt dat -anders dan onder het "oude" artikel 7:685 BW- het bewijsrecht thans integraal van toepassing is, nu niet is gebleken dat de aard van deze zaak zich hiertegen verzet.

5.3.

De kantonrechter stelt vast dat geen sprake is van een opzegverbod.

5.4.

Vooropgesteld zij dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.5.

Arts en Zorg voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in het verwijtbaar handelen van [werkneemster] -artikel 7:699 lid 3 sub e BW-, daarin bestaande dat zij welbewust en stelselmatig gelden, die aan Arts en Zorg toekwamen, heeft verduisterd en dat zij voorts niet aan haar wettelijke dossierplicht heeft voldaan.

De kantonrechter overweegt dienaangaande het volgende.

5.6.

Tussen partijen is in confesso dat [werkneemster] in de afgelopen jaren 17 maal een vergoeding in privé heeft geïncasseerd voor het verstrekken van medische informatie over één van haar patiënten aan een derde, in totaal tot een bedrag van circa € 650,00.

Blijkens de door [werkneemster] verstrekte gegevens gaat het om aanvragen van twee specifieke onderzoekscentra -PRA te Zuidlaren en QPS te Groningen- die bij hun geneesmiddelen-onderzoek voornamelijk studenten als vrijwilliger betrekken en, naast een eigen medisch onderzoek en door de vrijwilliger verstrekte informatie, een vragenlijst aan de huisarts ter invulling voorleggen met betrekking tot mogelijke aandoeningen en medicijngebruik.

De huisarts is niet verplicht die informatie te verstrekken -veel collega's van [werkneemster] gooien die verzoeken gewoon weg- maar wordt bij beantwoording beloond met een kleine onkostenvergoeding (destijds € 37,99).

5.7.

[werkneemster] heeft gesteld dat zij deze vergoeding vroeger als waarnemer en in dienstbetrekking bij de rechtsvoorganger van Arts en Zorg mocht behouden en dat zij daar mee is doorgegaan na de overname van de onderneming -3 jaren geleden- door Arts en Zorg. In een door [werkneemster] overgelegde verklaring van een oud-bestuurslid van de Landelijke Huisartsenorganisatie wordt deze gang van zaken als niet ongebruikelijk bevestigd.

De kantonrechter stelt vast dat Arts en Zorg dit niet heeft betwist.

De kantonrechter stelt voorts vast dat Arts en Zorg ter zitting heeft erkend dat de werkwijze en het beleid, waarop zij zich thans beroept, nimmer op schrift zijn gesteld. Een collega van [werkneemster] heeft verklaard dat het zelfs nooit onderwerp van bespreking is geweest.

Arts en Zorg heeft zich weliswaar beroepen op artikel 12 van de arbeidsovereenkomst, waarin het beleid met betrekking tot de (inkomsten uit) nevenwerkzaamheden is geregeld, maar die bepaling -overigens met de rechtsvoorganger van Arts en Zorg overeengekomen- is algemeen geformuleerd en laat ruimte voor afwijkende afspraken (waarop [werkneemster] zich nu juist beroept).

Zo deze bepaling strikt(er) moet worden uitgelegd, zoals Arts en Zorg lijkt voor te staan, lag het naar het oordeel van de kantonrechter op haar weg dit op voorhand expliciet, bijvoorbeeld in een protocol, vast te leggen, zoals van een landelijk opererende professionele organisatie met meerdere vestigingen mag worden verwacht.

In elk geval acht de kantonrechter, gelet op het voorgaande, onvoldoende aangetoond dat [werkneemster] zich de vergoedingen opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.

5.8.

Maar zelfs indien geoordeeld wordt dat van [werkneemster] "in dit grijze gebied" had mogen worden verwacht zekerheidshalve haar werkgever te raadplegen, bij gebreke waarvan haar in zoverre een verwijt valt te maken; dan nòg acht de kantonrechter deze omissie in de gegeven omstandigheden niet van dien aard dat deswege in redelijkheid niet van de werkgever is te vergen dat het dienstverband in stand blijft. Met [werkneemster] acht de kantonrechter de onmiddellijke non-actiefstelling, gevolgd door de thans verzochte ontbinding op deze grond, in de gegeven omstandigheden een disproportionele maatregel.

5.9.

De kantonrechter betrekt daarbij dat Arts en Zorg ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangevoerd dat de verzochte ontbinding bovenal is gegrond op de gestelde verduistering en dat de mogelijke veronachtzaming van de dossierplicht "niet de voornaamste reden is voor het ontbindingsverzoek". Arts en Zorg heeft het verweer van [werkneemster] op dit punt (zie r.o. 4.3) ook niet gemotiveerd weerlegd en desgevraagd het door haar gestelde belang ter zake evenmin kunnen onderbouwen.

Daar komt bij dat, naast het thans gestelde verwijt, geen enkele klacht over het functioneren van [werkneemster] naar voren is gebracht gedurende een reeds vele jaren durend dienstverband en evenmin is gebleken van waarschuwingen omtrent handelen in strijd met de beleidsregels of andere voorschriften.

5.10

Aldus is de kantonrechter van oordeel dat, alles afwegende, de door Arts en Zorg gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende grond bieden voor een ontbinding krachtens het bepaalde in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW.

5.11.

Subsidiair heeft Arts en Zorg de verstoorde arbeidsverhouding, zoals bepaald in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW, als ontbindingsgrond aangevoerd.

Arts en Zorg stelt dat [werkneemster] door de verduistering het vertrouwen in haar heeft beschaamd, zodat de arbeidsrelatie duurzaam en onherstelbaar verstoord is geraakt en van herplaatsing om die reden geen sprake kan zijn.

5.12.

De kantonrechter constateert dat Arts en Zorg deze subsidiaire ontslaggrond niet zelfstandig heeft onderbouwd, maar slechts heeft verwezen naar dezelfde feiten en omstandigheden, die aan de vorige ontslaggrond (de e-grond) ten grondslag zijn gelegd.

De verstoorde arbeidsrelatie is daarmee uitsluitend gebaseerd op het verwijt dat geleid heeft tot de non-actiefstelling en de verzochte verwijtbare ontbinding.

Hiervoor is reeds overwogen dat en waarom dit (al dan niet deels terechte) verwijt niet een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan dragen. Waar voor het overige niets is aangevoerd, zoals een disfunctioneren en/of herhaalde waarschuwingen, en [werkneemster] de verstoorde arbeidsrelatie gemotiveerd (onderbouwd met diverse verklaringen van haar naaste collegae) betwist, kan deze grond derhalve ook niet tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst leiden.

5.13.

Concluderend leveren de door Arts en Zorg naar voren gebrachte feiten en omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e en g BW.

Het verzoek van de werkgever wordt dan ook afgewezen.

in de zaak van het (voorwaardelijk) tegenverzoek

5.14.

Nu de ontbinding is afgewezen, behoeft op het voorwaardelijk ingestelde verzoek om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding niet te worden beslist.

5.15.

Wèl moet worden beslist op het verzoek tot wedertewerkstelling.

De kantonrechter constateert dat Arts en Zorg tegen deze vordering niet heeft geageerd, behoudens met een beroep op de vertrouwensbreuk, welk beroep de kantonrechter hiervoor reeds als onvoldoende dragend voor een beëindiging van het dienstverband heeft gepasseerd. Gesteld noch gebleken is dat er concrete beletsels zijn voor een terugkeer van [werkneemster] naar haar oude werkplek. Gelet op het bepaalde in artikel 7:611 BW mag van een goed werkgever worden verwacht dat hij in beginsel de werknemer toestaat de bedongen arbeid te verrichten, tenzij een voor de werkgever zwaarwegend belang zich daartegen verzet en dit belang in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van de werknemer.

Een dergelijk zwaarwegend belang heeft Arts en Zorg niet gesteld.

De kantonrechter zal daarom het verzoek tot wedertewerkstelling toewijzen.

in beide verzoeken

5.16.

De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

wijst de verzochte ontbinding af;

in de zaak van het tegenverzoek

6.2.

gebiedt Arts en Zorg om [werkneemster] in de gelegenheid te stellen haar werk te hervatten;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

in beide zaken

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

Aldus gegeven te Groningen en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2016 door

mr. E.J. Oostdijk, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: [ejo]